1.1 FARMACODYNAMIEK EN FARMACOKINETIEK
Farmacodynamiek = ter hoogte vh doelwit (vb receptor) heb je een bepaalde concentratie
● Afhankelijk vd concentratie krijg je een bepaald effect
● Hoe groter de concentratie hoe groter het effect
Farmacokinetiek = hoe distribueert een geneesmiddel zich met de tijd
● Geven geneesmiddel vb oraal toedienen→ gaat uit elkaar id maag, alleen opgelost middel opnemen
● Id dunne darm opnemen → krijgen een plasmapiek ( = cmax)
● Vervolgens distribueren nr weefsel waar je wilt dat het werkzaam is + eliminatie
○ Concentratie neemt af
Effect in een patiëntenpopulatie in functie vd tijd
= is combinatie van dynamiek en kinetiek effect onderzoeken en begrijpen
1.2 WAT IS EEN GENEESMIDDEL
Conventionele geneesmiddelen
= kleine moleculen met een moleculair gewicht van +-500 D. Bv. aspirine (NSAIDs) en statines.
● Kunnen doorheen membranen → oraal toedienen
● Minder specifiek interageren met doelwit → veel off target effecten
Biologische geneesmiddelen
= grotere moleculen die belangrijk zijn voor nieuwe geneesmiddelen
● Bv. hormonen (insuline) en antilichamen (pembrolizumab)
● Kunnen moeilijk doorheen membranen → vb. epitheel darm = daarom IV toedienen
● Veel specifieker interageren met doelwit → minder ongewenste effecten
1
,1.3 AANGRIJPINGSPUNTEN VAN GENEESMIDDELEN
1.3. SPECIFIEKE EN NIET SPECIFIEKE GENEESMIDDELEN
Niet specifiek Specifiek
● Fysisch-chemische werking ● Receptoren
● Grote hoeveelheden nodig ● Ion-kanalen
● Voorbeelden : ● Opnamesystemen
○ Antacida ● Enzymen
○ Bulklaxativa ● (Gentherapie)
○ Osmotische diuretica
○ Actieve koolstof
○ Plasmavervangers Chemische specificiteit = target molecule interageert met
○ … een specifieke molecule via sleutel-op-slot
→ Vb. angiotensine : conformatie van
- 8AZ → 7 AZ = inactief
- L-AZ → D-AZ = inactief
Biologische specificiteit = positie van de targets bepalen
welke systemen een effect ondervinden van het
geneesmiddel
→ Vb. angiotensine II bindt enkel op receptoren in BV, en
niet in GI stelsel
VOORBEELD ANTACIDA : INHIBITIE VAN ZUURSECRETIE
Probleem : patiënt heeft last van overproductie maagzuur → 3 methoden om te helpen
(1) Methode 1 : protonpompen
● Zorgen dat de pariëtale cellen vd maagwand minder protonen produceren
● Kunnen we doen via protonpomp inhibitoren
● Voorbeeld van wel specifieke manier
(2) Methode 2 : antacida
● Antacida zijn absorbeerbare zouten die op fysico chemische manier de protonen neutraliseren
● De zouten worden in hoge hoeveelheid toegediend en gaan aspecifiek de protonen binden
● Bicarbonaat Zouten die reageren met het zuur → zorgen dat pH terug stijgt
● Voorbeeld van niet specifieke manier
(3) Methode 3 : sucralfaat of alginaat
● Sucralfaat : maakt een mechanisch laagje/barrière als bescherming voor de maagwand
● Alginaat : ‘drijft’ op de maagsappen → maag bovenaan afsluiten → maagzuur minder nr oesofagus
2
,VOORBEELD CHEMISCHE SPECIFICITEIT
Angiotensine II
● Molecule die zorgt voor vasoconstrictie van gladde spiercellen in BV → actief wanneer het bestaat uit
8 AZ
● Wanneer 7 AZ opbouw → inactieve vorm
● Toont aan dat specificiteit sterk afhangt van hoe de molecule er ruimtelijk uitziet (sleutel op slot)
VOORBEELD BIOLOGISCHE SPECIFICITEIT
Angiotensine II receptoren
● Angiotensine II werkt in op angiotensine II receptoren
● Deze receptoren komen voor op BV maar niet op gladde spiercellen van GI stelsel
● Betekent dat angiotensine II gebruikt kan worden voor BV zonder effecten op GI stelsel
● Moesten receptoren toch ook daar voorkomen → neveneffecten op GI stelsel
1.3.2 OVERZICHT DOELWITTEN VAN SPECIFIEKE GENEESMIDDELEN
OVERZICHT
Belangrijk voor de nomenclatuur om te weten wat aangrijpingspunt is :
● Niet specifiek → op basis van fysico-chemische interacties
○ Dosering zal hoog zijn (gram)
● Specifiek → op basis van biologische en chemische selectiviteit
○ Targets hiervan kunnen receptoren zijn of anderen
○ Kapstok voor volgende besprekingen
NOMENCLATUUR DOELWITTEN
Receptoren
● Agonist = bindt op de receptor (affiniteit) en geeft een effect (activiteit)
● Inverse agonist = bindt op de receptor en geeft een negatief effect
● Antagonist = bindt op de receptor (affiniteit) en geeft geen effect
Ionenkanalen
● Blockers = bindt op de receptor en heeft geen effect
● Modulatoren = binden niet op receptor zelf, maar op andere plaats = allosterisch
○ Zorgen dat de gevoeligheid van het kanaal gemoduleerd wordt.
Enzymen
● Inhibitoren bindt op de receptor en geeft geen effect
Prodrug = wordt in het lichaam pas omgezet tot de actieve vorm = dient eerst geactiveerd te worden
3
, 1.4 RECEPTOREN ALS AANGRIJPINGSPUNT
1.4.1 VIER CATEGORIEËN
1) Receptoren gekoppeld aan ionkanalen (ionotroop)
2) Receptoren gekoppeld aan G-proteïnen (metabotroop)
3) Receptoren gekoppeld aan tyrosine kinase
4) Nucleaire receptoren
1 : LIGAND-GATED ION CHANNELS (IONOTROOP)
Receptoren gekoppeld aan ionkanalen
= bij activatie van agonist ontstaat er ionenstroom dat kan leiden tot :
● Activerende ionenstroom = depolarisatie
● Inactiverende ionenstroom = hyperpolariserende
Voorbeelden
● Nicotinerge ACh receptor op motorische eindplaten
● GABA receptoren gekoppeld aan instroom van Cl- thv CZS
→ Het zijn snelle effecten = nodig thv het CZS of motorische eindplaten van skeletspieren
→ Tijdschaal = milliseconden
2 : G-PROTEIN COUPLED RECEPTOREN (GPCR) (METABOTROOP)
Receptoren gekoppeld aan G-proteïnen
● Levert amplificatie vd signaaltransductie via secundaire messengers : 2 belangrijke systemen
1) Verhoging van Ca2+ vrijstelling via IP3
2) cAMP activatie of inhibitie
G-eiwitreceptoren = 3 verschillende
● Gq = gekoppeld aan vorming van IP3
● Gs = stimulus voor productie van cAMP
● Gi = inhiberend voor productie van cAMP
→ Tijdschaal = seconden
4