INHOUD
Multiple choice vragen............................................................................................................................................... 1
Open Vragen .............................................................................................................................................................. 6
Extra open vragen .................................................................................................................................................14
MULTIPLE CHOICE VRAGEN
Wereldwijd heeft het menselijk voedingspatroon een belangrijke bijdrage in de totale mortaliteit en
morbiditeit. Welke van de volgende voedingsgerelateerde factoren (direct of indirect) hebben de belangrijkste
bijdrage?
a) Verhoogde bloeddruk, verhoogde cholesterol waarden, ondervoeding bij kinderen, lage inname groeten
en fruit, overgewicht en obesitas
b) Verhoogde bloeddruk, verhoogde cholesterol waarden, ijzer-tekort, zink tekort en vitamine A tekort.
c) Verhoogde cholesterol waarden, ondervoeding bij kinderen, ijzer-tekort, vitamine A tekort, overgewicht
en obesitas
d) Verhoogde cholesterol waarden, verhoogde bloeddruk, lage inname groeten en fruit, overgewicht en
obesitas bij kinderen
Welk van de volgende factoren heeft de MINSTE invloed op de bio-beschikbaarheid van micronutriënten voor
de mens?
a) de pH in het lumen van het colon → micronutriënten worden opgenomen in maag & dunne darm vooral,
effect op mineralen (lage pH in MAAG geeft gedaalde absorptie ijzer)
b) samenstelling van het voedingsmiddel
c) de specifieke micronutriëntenstatus
d) interactie met andere micronutriënten
Welke bewering over marasmus klopt niet?
a) Het is de meest voorkomende vorm van PEM
b) Het leidt tot extreme waisting
c) Je herkent de kinderen door hun opgezwollen buik → kwashiorkor
d) De kinderen worden zeer gevoelig voor infecties
Welke bewering over vit D is JUIST?
a) Vit D deficiëntie leidt tot hypercalciëme → hypoCa
b) Men spreekt van vit D deficiëntie indien 25OH vit D in het bloed < 80 nmol/L → 50 nmol/L
c) Vit D deficiëntie leidt tot een verstoorde mineralisatie van nieuw bot
d) Vit D deficiëntie kan vermeden worden met aangepaste voeding → gedeeltelijk waar, effect van zonlicht
In een gezonde voeding in Vlaanderen is de eiwitkwaliteit een belangrijke parameter. Welk van volgende
aminozuren zou bij iemand die een dieet volgt op basis van een te eenzijdige plantaardige voeding het
limiterende aminozuur kunnen zijn?
a) serine
b) threonine
c) beide aminozuren
d) geen van beide aminozuren → limiterende zijn lysine, tryptofaan & methionine
Welke micronutriënt levert bijdrage aan de functie of metabolisme van foliumzuur
a) vit b12
b) …
Welk micronutreint deficientie komt vaak voor bij kinderen met PEM
a) vit A
b) vitB
c) vitC
1
, d) vitD
Welk mineraal zorgt mee voor kristallisatie insuline
a) Fe
b) Zn
c) Cu
d) Mg
Welke vorm van ondervoeding is cachexie (= complex metabool syndroom met onderliggende chronische
ziekten & chronische inflammatie)
a) chronische, ziekte gerelateerd met inflam
b) chronisch, ziekte gerelateerd zonder inflam
c) acuut, ziekte gerelateerd met inflam
d) ..
Welk bestanddeel veroorzaakt (immuungem) voedselallergie
a) Kiwi → kruisreacties
b) ei
c) tomaat → specifieke eiwitten geven reactie
Welke van volgende draagt het meest bij tot E verbruik:
a) rustmetabolisme
b) fysieke activiteit
c) thermogenese
d) …
Welke van volgende neemt snelst af bij ouderdom
a) geur
b) spiermassa
c) botdensiteit
Als een kind braakt, kans op
a) isotone dehydratatie waarbij… → verlies van water & elektrolyten in gelijke verhouding, niet typisch voor
braken
b) osmotische dehydratatie → geassocieerd met aandoeningen die leiden tot verlies van water door osmose
(diarree)
c) hypertone dehydratatie waarbij meer water dan zout verlies → meer water dan zout verlies, verhoogde
conc. aan opgeloste stoffen in bloed = hypertoon
d) hypotone dehydratatie → verlies van meer elektrolyten dan water: langdurige diarree, niet typisch voor
braken
Welke uitspraak over fructose is correct?
a) het wordt volledig omgezet naar glucose → andere metabolieten zoals TG, VLDL,…
b) het wordt in de lever omgezet naar VLDL bovenop een positieve energiebalans
c) het wordt sneller opgenomen dan glucose → trager
Welke adaptatie ondergaat het lichaam in geval van starvation?
a) daling van de sympatisch zenuwstelsel → actief blijven maar activiteit minimaliseren maar geen daling
b) productie van meer thyroid hormonen → stofwisseling liever vertragen bij starvation dus minder
productie
c) verhogen van de thermogenese → juist dalen bij starvation om energieverlies te beperken
d) daling van de vetverbranding
Welke bewering over marasmus klopt niet?
a) Het is de meest voorkomende vorm van PEM
b) Het leidt tot extreme waisting
c) Je herkent de kinderen door hun opgezwollen buik → kwashiorkor
d) De kinderen worden zeer gevoelig voor infecties
2