• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 5 van de 30 pagina's
Samenvatting

overzichtelijke powerpoint samenvatting (kleur)

Document preview thumbnail
Voorbeeld 5 van de 30 pagina's

Hoorcolleges 1 t/m 7

Voorbeeld van de inhoud

Biologische psychologie
Jaar 2 blok 1

,Facultatief materiaal: crash course
• Natuurlijke selectie: het proces waarbij dieren die zich beter aan kunnen passen aan de omgeving een grotere kans hebben om te overleven
en zich voor te planten dan dieren die zich minder goed aanpassen.
• Natuurlijke selectie vindt plaats op basis van VIER ‘key steps’:
• Variation (verschillen en fenotypes, denk aan haarkleur, bloedgroep, reflexen, body type)
• Heritability (kenmerken zijn erfelijk en kunnen overgedragen worden)
• Struggle for existence (gunstige mutaties hebben een grotere kans om te overleven)
• Survival and reproductive rates (met voordelige mutaties meer kans op succesvol reproduceren)

• Erfelijkheid: het doorgeven van genetische kenmerken van ouders aan hun kinderen
• We hebben chromosomen, dat is de vorm die ons DNA aanneemt om van ouder naar kind doorgegeven te worden
• Menselijke cellen hebben 23 chromosoomparen
• Een gen is een sectie van DNA in een specifieke locatie in een chromosoom waar specifieke informatie over een eigenschap ligt
• Polygene eigenschap: fysieke eigenschap die de uitkomst is van verschillende genen die samenwerken
• Dichotome eigenschap: een eigenschap die bepaald wordt door één enkel gen (zeldzaam)
• Één erfelijke eigenschap (gen) is opgebouwd uit meerdere allelen. Elk allel is één variant van de erfelijke eigenschap.
• Bijv: bloedgroep, je hebt een allel voor bloedgroep A, bloedgroep B

• Alle cellen in het lichaam die geen sperma of eicellen zijn, heten somatische cellen en zijn diploïde, dit betekent dat er 2 sets
chromosomen aanwezig zijn, één set van elke ouder. Gameten (sekscellen) zijn haploïde, zij hebben maar één set chromosomen.
Dit omdat gameten zich willen samenvoegen met een gameet van het andere geslacht.
• Mendel heeft ontdekt dat deze allelen dominant of recessief kunnen zijn. Dominantie is wanneer een allel de uiting van het andere allel
onderdrukt. Dominantie wordt aangeduid met een hoofdletter (bv. A), recessief wordt aangeduid met een kleine letter (bv. a).
• De erfelijke informatie van iemand noemen we het genotype, het fenotype is wat er aan de buitenkant zichtbaar of merkbaar is. Je
fenotype kan veranderen door je omgeving (bijv. haren verven), je genotype verandert dan niet
• Genome = alle genetische informatie van een organisme
• Chromosome = een lange keten van DNA die om een histone zit
• Telomere = stuk aan het einde van een chromosoom wat het DNA beschermt tijdens celdeling
• Histone = waar het DNA omheen zit zodat het niet verstrengeld raakt (een histone is een eiwit)

,•
Facultatief materiaal: crash course
DNA: de plek waar onze genetische instructies zijn opgeslagen → de informatie die alle acties van onze cellen programmeert.
• De kleine eenheden waar DNA uit bestaat, noemen we nucleotiden. Wanneer je deze aan elkaar koppelt heb je polynucleotiden
• DNA bestaat uit basenparen, dit is ALTIJD Adenine met Thymine en Guanine met Cytosine (AT – CG)
• Elke cel in je lichaam heeft een kopie van hetzelfde DNA
• De twee functies van DNA zijn replicatie en de synthese van eiwitten

• RNA: ontstaat wanneer er in de cel eiwitten gemaakt moeten worden. Deze eiwitten heeft een cel nodig om zijn functies uit te voeren.
• RNA bestaat uit Adenine, Cytosine, Guanine en Uracil (ipv Thymine)
• RNA is korter dan DNA en RNA kan de celkern verlaten, DNA kan dit niet!
• DNA → RNA
• Stap 1: transcriptie (in de celkern). Tijdens de transcriptie wordt de genetische informatie uit DNA gekopieerd naar RNA
• Het enzym RNA-polymerase bindt aan een specifieke plaats op het DNA, de promotor, om te beginnen met het lezen
van de genetische code
• RNA-polymerase beweegt langs de DNA-streng en bouwt een complementaire RNA-streng door nucleotiden aan elkaar te koppelen
C→G, G→C, A→U, T→A
• Wanneer RNA-polymerase een terminatiesignaal tegenkomt, stopt de transcriptie en laat RNA los
• Stap 2: splicing RNA → mRNA. Het RNA bevat zowel exons (coderende sequenties als introns (niet coderende sequenties). Het proces van
RNA-splicing zorgt ervoor dat de introns uit het RNA worden verwijderd, waardoor alleen de exons overblijven.
• Spliceosomen herkennen de intron-exon overgangen en knippen de introns weg
• Nadat de introns zijn verwijderd, worden de exons aan elkaar gelijmd om een continue coderende sequentie te vormen
• Het resultaat is volgroeid mRNA dat enkel de informatie bevat om een eiwit te maken. Dit mRNA kan nu de celkern verlaten
• Stap 3: translatie (in ribosoom/de eiwitfabriek). Tijdens translatie wordt de genetische code in het mRNA omgezet in een keten van
aminozuren, de bouwstenen van eiwitten.
• Het mRNA verlaat de celkern, en bindt zich aan een ribosoom in het cytoplasma. Het ribosoom leest het mRNA in groepen van
drie nucleotiden (codons). Elk codon codeert voor een specifiek aminozuur.
• Een tRNA bindt zich aan elk codon op het mRNA. Elk tRNA molecuul bevat een anticodon (complementair aan het codon op het
mRNA, en een aminozuur (komt overeen met het specifieke codon). Het ribosoom koppelt dit aminozuur aan de groeiende keten
van aminozuren.
• De translatie stopt wanneer een ribosoom een stopcodon tegenkomt, het eiwit is compleet. Het mRNA kan weer opnieuw binden
aan een ribosoom en het proces herhaalt zich weer.
• Stap 4: post-translationele eiwitverwerking. Het eiwit wordt gevouwen, ondergaat chemische modificatie, wordt geknipt en gesplitst en
wordt uiteindelijk vervoerd naar de juiste locatie.

,Eiwitten + enzymen
• Eiwitten: de functies van eiwitten zijn:
• Bouwstenen van je lichaam
• Deel van het celmembraan om receptoren te vormen voor neurotransmitters of hormonen
• Onderdeel van de celstructuur en –functie, bijvoorbeeld met het cytoskelet, spiercontractie en het verbinden van cellen
• Combineren van andere eiwitten en ijzer om zuurstof te transporteren in rode bloedcellen
• Vormen ribosomen om nieuwe eiwitten te maken
• Producten van het immuunsysteem om indringers te doden
• Sommige functioneren als hormonen of als neurotransmitters
• Kunnen fungeren als brandstof voor energie- en warmteproductie
• Kunnen een enzym zijn om chemische reacties te katalyseren

• Enzymen: een enzym is een eiwit dat chemische reacties in het lichaam versnelt zonder zelf te worden verbruikt in het proces. Enzymen hebben
specifieke functies, omdat elk enzym alleen een bepaald type reactie beïnvloedt
• Serotonine is een neurotransmitter, komt van het aminozuur L-tryptofaan. Er zijn twee enzymen nodig om dit aminozuur om te zetten
tot serotonine. Serotonine is GEEN eiwit van je DNA, maar de enzymen die serotonine maken zijn WEL eiwitten van je DNA. DNA kan dus
via enzymen de serotonineproductie reguleren.
• Single nucleotide polymorphism (SNP): soms worden er foutjes gemaakt in het maken van de basenparen. Single basepair veranderingen
creëren SNPs. Deze SNPs zorgen voor veel van de genetische verschillen tussen onszelf en alle andere mensen.
• Epigenetica: de studie van veranderingen in genexpressie zonder dat er veranderingen in de DNA-sequentie plaatsvinden. Epigenetica onderzoekt
hoe bepaalde genen aan- of uitgezet kunnen worden door chemische modificaties, zonder dat het onderliggende DNA wordt veranderd. Epigenetische
veranderingen kunnen worden beïnvloed door omgevingsfactoren zoals voeding, stress en blootstelling aan chemicaliën, en sommi ge epigenetische
veranderingen kunnen zelfs worden doorgegeven aan de volgende generatie.
• Gedragsgenetica bestudeert hoe genen en omgeving samen gedrag beïnvloeden, wat centraal staat in de nature-nurture discussie.
Gedragswetenschappers negeerden de invloed van genetica, maar studies tonen aan dat zowel genetische als omgevingsfactoren gedrag
vormen. Tweelingonderzoeken zijn belangrijk om deze erfelijkheid te onderzoeken.
• Moderne technieken hebben genetische oorzaken van stoornissen zoals Alzheimer, schizofrenie en verslaving blootgelegd. Gedrag sgenetici
onderzoeken ook persoonlijkheidskenmerken, zoals agressie bij kinderen. Onze gedragingen zijn het resultaat van een complexe interactie
tussen vele genen en een voortdurend veranderende omgeving.

, Dierlijke cel
• Celmembraan: de celmembraan bepaalt wat er binnen in de cel zit en wat er buiten blijft, het is een laagje
vet om de cel heen.
• Het celmembraan bestaat uit een dubbele fosfolipiden laag, zo’n laag bestaat uit een lipide (vet) laag
en een fosforhoofd wat aangetrokken is tot water.
• In de fosfolipiden laag bevinden zich eiwitkanalen die bepaalde die bepaalde moleculen toelaten om
van intracellulair naar extracellulair te gaan, of omgekeerd.
• Ionkanaal: een ligand (bv. neurotransmitter of hormoon) bindt met het ionkanaal, de poort
gaat open waardoor de stoffen naar binnen kunnen.
• Metabotripic: een ligand bindt aan de receptor, in de binnenkant van de cel wordt een G-eiwit
geactiveerd waardoor processen in de cel in gang gezet worden.

• Cytoskelet: bepaalt de vorm van de cel. Het cytoskelet bestaat uit de volgende onderdelen die betrokken zijn bij
de vorm, transport in een cel en soms bij transport van de cel;
• Intermediate filaments
• Microfilaments
• Microtubules
• Centrioles

• Cell-cell connecties: cellen zijn niet zomaar losse onderdelen, maar ze zitten aan elkaar verbonden.
• Een desmosoom is een celconnectie die losachtig elastisch zijn waardoor er nog vocht tussen door kan komen (bv zweet).
Zo’n desmosoom komt voor in je huid. Deze is elastisch door de desmosomen.
• Een andere variant van celconnectie zijn tight junctions. Deze cellen zijn heel nauw met elkaar verbonden waardoor er niks
doorheen kan. Dit is belangrijk in het maag-darmstelsel.
• Een derde variant van celconnecties zijn de gap junctions. Deze vind je bijvoorbeeld in je hartspier. Bij deze connectie vindt
er uitwisseling plaats van ionen, dit zorgt voor een snelle communicatie.

Inhoudsopgave

  1. 01 Slide 1: Biologische psychologie 1
  2. 02 Slide 2: Facultatief materiaal: crash course 2
  3. 03 Slide 3: Facultatief materiaal: crash course 3
  4. 04 Slide 4: Eiwitten + enzymen 4
  5. 05 Slide 5: Dierlijke cel 5
  6. 06 Slide 6: Dierlijke cel 6
  7. 07 Slide 7: Endocrien systeem 7
  8. 08 Slide 8: Hormonen 8
  9. 09 Slide 9: Prenatale ontwikkeling 9
  10. 10 Slide 10: Neurale ontwikkeling 10
  11. 11 Slide 11: Neurale ontwikkeling 11
  12. 12 Slide 12: Gevaren bij vroege ontwikkeling 12
  13. 13 Slide 13: Het immuunsysteem 13
  14. 14 Slide 14: Het immuunsysteem 14
  15. 15 Slide 15 15
  16. 16 Slide 16: Het immuunsysteem 16
  17. 17 Slide 17: Spijsvertering in het maagdarmkanaal 17
  18. 18 Slide 18: Homeostase 18
  19. 19 Slide 19: Eetgedrag 19
  20. 20 Slide 20: Eetgedrag 20
  21. 21 Slide 21: Psychofarmaca 21
  22. 22 Slide 22: Metabolisme 22
  23. 23 Slide 23: Farmacodynamiek 23
  24. 24 Slide 24: Psychiatrische medicatie 24
  25. 25 Slide 25: Persoonlijkheid in relatie tot hartziekten 25
  26. 26 Slide 26: Persoonlijkheid in relatie tot hartziekten 26
  27. 27 Slide 27 27
  28. 28 Slide 28: Emoties 28
  29. 29 Slide 29: Emotietheorieën 29
  30. 30 Slide 30: Emoties en ons brein 30

Gekoppeld boek
 image
Chris Chandler Psychobiology
Uitgever: mei 2015 ISBN: 9781405187435 Druk: 1

Documentinformatie

Studie
Heel boek samengevat?
Nee
Wat is er van het boek samengevat?
2,3,4,7,15,17
Geüpload op
1 oktober 2024
Bestand laatst geupdate op
1 oktober 2024
Aantal pagina's
30
Geschreven in
2024/2025
Type
Samenvatting
€4,92

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
2
Volgers
0
Items
2
Laatst verkocht
6 maanden geleden



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen