= beschrijving van de subcellulaire structuren (organellen) en hun functies
- LM: membraan, kern, cytoplasma meer via kleurtechnieken (onvoldoende resolutie)
- EM: membraan, kern, cytoplasma & mitochondriën, cytomembraneus-systeem, cytosomen,
cytofilamenteus-systeem (met OsO4, dense kleuring, hoge affiniteit voor apolaire ketens)
algemene functie cel:
- Deling
- Metabolisme
- Beweging
- Celdood
Specifieke functies:
- Secretie
- Contractie
Biomembranen
Iedere cel is omgeven door een intracellulaire membraan (behalve ribosomen):
- Functie:
o Integriteit (bij elkaar houden) en flexibiliteit
o Selectieve barrière
o Transport van stoffen
o Herkenning van stoffen, cellen
- LM: fijne aflijning
- EM: trilamellaire structuur: 2e-dense lagen en ertussen een niet e-dense laag (~7 nm)
Lipidedubbellaag
- Meeste membraanlipiden: fosfolipiden
- Polaire hydrofiele kop
- Staarten van hydrofobe vetzuren (van der Waals bindingen)
- Membraaneiwitten
o Celadhesie, receptorfunctie, transport moleculen, verankering cytoskelet,…
o Integraal (volledige membraan overspannen), perifeer (aan opp.) of lipide-verankerd
- Vloeibare mozaïek/fluid mosaix model
o Bilaag van lipiden (7nm dik)
o Proteïnen (veel in bv mitochondriën)
, o Suikers (suikerlipiden en glycoproteïnen)
o Apicale (uitsteeksels) en basale kant (vlak)
- Isolerende laag rond axon (= uitloper zenuwcel): myelinehuls
o Bestaat uit groot aantal membranen
o Gevormd door specialiserende cellen
o Hoog fosfolipidengehalte => elektrische signalen met hoge efficiëntie doorgeven
- Verschillen van vorm
- Dymamisch
- Vries-breek en vries-ets technieken
Occluding junctions: 2 membranen sterk tegen elkaar (vb darmen)
- Tekening:
o Mitochondriën en nucleus: dubbele
membraan
o Grote bol blijft in cytosolic fase
Mitochondriën
1. Structuur
- Dubbele membraan
- Langwerpige organellen: 0.1 - 1µm dik en tot 2-10 µm lang
- LM: janusgroen of mbv specifiek antilichaam
o Fluorescentie rond kern
o Kleuring gelinkt aan elkaar
- EM: 2 membranen:
o Buitenmembraan: glad
Porines: zeer doorlaatbaar, integrale
kanaaleiwitetn, ß-vellen
o Binnenmembraan: kammen of cristae met elementaire partikels = ATPosomen =
F0F1 partikels
Ondoorlaatbaar
Transportmoleculen: eiwitcomplexen van respiratieketen en ATP-synthase
Membraampotentiaal H+ (door respiratieketen)
Veel eiwitten
o 2 compartimenten:
ruimte tussen membranen
matrix met matrixgranules
enzymen (Krebcyclus: pyruvaat 30ATP)
circulaire DNA molecule: autonomie
2. Functie en bouw
- Apoptose/celdood, vetzuren, ATP synthese (energiecentrale)
- Aantal en vorm afh van energiebehoefte cel
Beweeglijk: geassocieerd met microtubuli intracellulair transport
Of vaste lokastie vaar veel ATP nodig is (hart)
- GTPases fusie en splitsing (fission)
o !! eiwitverteling willekeurig, niet mooi verdeeld