ONDERNEMING
HOOFDSTUK 5 : TOEGEVOEGDE WAARDE
,T5 en T6 zijn samen met de toelichting het startpunt van onze analyse. T8 en T9 moeten we
kunnen reproduceren vertrekkende van een blanco blad. T10, 11, 12 en 13 mogen we
meebrengen naar het examen. Echter niet alle ratio’s staan op deze tabellen!
De toegevoegde waarde is een belangrijk gegeven voor een onderneming. Dit is een nodig
voor het bestaansrecht van een onderneming. Men wil voornamelijk dubbeltelling vermijden.
Een autobouwer assembleert. Men haalt stukken elders en deze worden geleverd bij de
autofabrikant. Hier moeten we rekening mee houden als we de toegevoegde willen
berekenen. Enkel rekening houden met je eigen toegevoegde waarde! Al wat elders is
gemaakt moet in de min… Anders zou de productiewaarde heel erg hard vertekend zijn. Al
wat een ander maakt moet uit de eigen productie gegooid worden. Als je geen toegevoegde
waarde creëert, doe je niets als bedrijf.
De som van de TW, door alle economische eenheden van een land, vormt het BBP. Door er
het intermediair verbruik af te tellen wordt dubbeltelling tegengegaan. Waardering is
belangrijk bij TW. De TW ontstaat uit een confrontatie op de markt van de goederen en
diensten van de onderneming met de eisen van de consument. Als men niet verkoopt, geen
toegevoegde waarde.
Je gaat dus rekenen maar hoe ga je rekenen? We hebben geopteerd om het te waarderen
tegen verkoopprijs. De verkoopprijs is de kostprijs plus een winstmarge. Bovengrens wordt
bepaald door andere concurrenten en ook grotendeels door de consument.
, Hoe hoog mag je gaan vooraleer de consument afzegt? Het is voor een groot deel de
consument die meebeslist in de verkoopprijs. Zonder consumenten, zouden er geen
producten moeten zijn. Bovengrens = marketing. Ondergrens = analytische kostencalculatie.
Er zijn consumenten die producten kopen tegen een bepaalde prijs. De consument bepaalt
hier voor een deel in mee. Dat is de reden waarom de toegevoegde waarde wordt
gewaardeerd tegen verkoopwaarde. Er zijn enkele proactieve handelingen die niet in
aanmerking komen voor het bepalen van de toegevoegde waarde. Bepaalde handelingen
vallen uit de boot zoals huishoudelijk werk (wordt niet gewaardeerd in geld). Wij bepalen ook
niet de echte kostprijs van onderwijs. Een aantal handelingen kunnen ook niet worden
opgenomen. Ze worden zwaar gesubsidieerd. Non-profit heeft niet als doel winst te maken.
Zij gaan verkoopprijzen zetten, als dit de volledige kostprijs dekt horen ze er wel toe. Als het
niet de volledige kostprijs dekt horen ze er niet toe.
Er ontstaat een probleem bij de waardering van goederen en diensten die niet het voorwerp
uitmaken van een commerciële en monetaire transactie zoals sociale diensten, onderwijs,
huishoudelijk werk, DIY thuis… Ook zou TW voor ‘welvaart’ en ‘welzijn’ geen goede maatstaf
zijn. Wij gaan het begrip micro-economisch gaan gebruiken.
We gaan op verschillende manieren rekenen. Hoe ontstaat toegevoegde waarde? Dan
kunnen we TW berekenen via oorsprong. Maar de bestaansreden van bedrijven is het
creëren van TW, dit om je productiefactoren te vergoeden. De TW hoort toe aan iemand of
iets. Je kan dus op twee verschillende manieren rekenen:
- Hoe ontstaat de TW?
- Aan wie komt deze TW toe?
De waarde van de productie omvat in de eerste plaats het bedrag van de verkopen. Dit
omvat de verkoopprijs excl. belastingen. Als voorraden GIB, afgewerkte producten en de
bestellingen in uitvoering binnen een normale termijn worden omgezet in verkopen, mag de
mutatie van deze voorraden worden opgenomen in de waarde van de productie.