Eindcompetenties
Op het einde van dit opleidingsonderdeel is de student(e) in staat de instellingen waarbinnen de
politieke macht zich afspeelt, de grondregels die de publieke instellingen beheersen en de
geschiedenis en ratio van deze instellingen weer te geven.
Op het einde van dit opleidingsonderdeel is de student(e) in staat om de politieke
machtsverhoudingen en de verhouding daarvan met het juridische kader uit te leggen vanuit het
basisprincipe dat overheidsinstellingen niet willekeurig mogen optreden.
Op het einde van dit opleidingsonderdeel is de student(e) in staat om het politiek-institutionele
nieuws in de krant of op radio of televisie te volgen en te begrijpen en om de leerstof erop toe te
passen.
Op het einde van dit opleidingsonderdeel is de student(e) in staat om zinvol te discussiëren over
de leerstof: hij/zij kan ontwikkelingen i.v.m. staatsrechtelijke principes en publieke instellingen
plaatsen en evalueren, en eventueel kritiek formuleren.
,Evaluatiecriteria
Vraag 1
Beperkte en toegespitste kennisvragen
Vraag 2:
Overkoepelende kennisvraag
Vraag 3:
Commentaar tekst
Vraag 4:
Kennis- en inzichtsvraag (discussievraag)
Het examen wordt beoordeeld op twee criteria: kennis en inzicht.
Kennis:
Kent u de termen, instellingen, … die in de examenvragen worden gebruikt? Kunt u er uitleg bij geven,
weet u hoe het in elkaar zit, …?
Inzicht:
Begrijpt u die uitleg ook? Kunt u ermee redeneren, kunt u kritiek formuleren, ziet u voor- en nadelen?
Bijvoorbeeld, bij de discussievraag:
Leg de termen die in de vraag voorkomen uit, geef aan dat u weet waarover het gaat, hoe de
situatie is;
Geef aan waar het probleem precies ligt;
Combineer eventueel de leerstof uit verschillende relevante hoofdstukken;
Toon dat u helder kunt redeneren en een standpunt kunt formuleren.
Het examen is schriftelijk. Het bestaat uit vier hoofdvragen. U krijgt twee uur tijd om die vier vragen te
beantwoorden. Elke vraag staat op evenveel punten.
De eerste vraag bestaat doorgaans uit vijf beknopte kennisvragen.
De tweede vraag is een ruimere vraag die kennis vergt over een groter thema.
De derde vraag bestaat uit een tekst die ofwel juridisch is, ofwel juridisch geïnspireerd. Dit kan
bijvoorbeeld betrekking hebben op een krantenartikel waarbij verschillende meer gerichte vragen
staan, die om uitleg vragen bij bepaalde termen in het artikel, die naar mogelijke vervolgscenario’s
polsen, die eventueel vragen een fout uit het artikel te halen, …
De vierde vraag is een discussievraag. Deze discussievragen worden in beginsel tijdens het hoorcollege
besproken; wat niet aan bod kon komen wordt tijdens een afzonderlijke discussie besproken. In de
syllabus staat eveneens op welke manier zulke vragen moeten worden beantwoord.
,Inhoudsopgave
1 Constitutionele geschiedenis van België................................................................................. 5
2 Formele bronnen voor de regeling van publieke instellingen .................................................. 6
2.1 Herzieningsprocedure Belgische grondwet.......................................................................................... 7
2.2 Internationaal en Europees recht......................................................................................................... 8
2.3 Bijzondere meerderheidswetten .......................................................................................................... 8
2.4 Bijzondere meerderheidsdecreten en -ordonnanties .......................................................................... 9
2.5 Gewone wetten, decreten en ordonnanties ........................................................................................ 9
2.6 Rechtspraak .......................................................................................................................................... 9
2.7 Grondwettelijke gewoonten ................................................................................................................. 9
2.8 Algemene rechtsbeginselen ................................................................................................................. 9
2.9 Hiërarchie van de rechtsregels ........................................................................................................... 10
2.10 Interne rechtsorde ............................................................................................................................. 11
2.11 Internationale rechtsorde .................................................................................................................. 11
3 Materiele bronnen voor de inrichting van de federale staat .................................................. 13
3.1 België is een democratie .................................................................................................................... 13
3.2 België is een rechtstaat ...................................................................................................................... 13
3.3 België is een federale staat ................................................................................................................ 14
3.4 België is gebaseerd op een scheiding der machten ........................................................................... 15
3.5 België is een grondwettelijke staat..................................................................................................... 16
4 Democratie nader belicht .................................................................................................... 17
4.1 Directe democratie, representatieve democratie en participatieve democratie ............................... 17
4.1.1 Directe democratie ........................................................................................................................ 17
4.1.2 Representatieve democratie ......................................................................................................... 17
4.1.3 Participatieve democratie ............................................................................................................. 17
4.2 Het meerderheidsmodel tegenover de consensusdemocratie .......................................................... 18
4.2.1 Het meerderheidsmodel ............................................................................................................... 18
4.2.2 Het consensusmodel ..................................................................................................................... 18
4.3 Delibertatieve democratie en good governance ................................................................................ 19
4.4 Parlementaire en presidentiële regimes ............................................................................................ 20
4.5 Partijendemocratie en weerbare democratie .................................................................................... 21
5 Het parlement..................................................................................................................... 23
5.1 Het tweekamerstelsel in afbouw ....................................................................................................... 23
5.1.1 Samenstelling kamer en senaat..................................................................................................... 23
5.1.2 Kritiek op de hervormde senaat .................................................................................................... 24
5.2 Het kiessysteem ................................................................................................................................. 25
5.3 De werking van het parlement ........................................................................................................... 27
6 Koning en regering .............................................................................................................. 30
6.1 De koning en de monarchie ............................................................................................................... 30
6.2 De regering ......................................................................................................................................... 30
, 6.2.1 Ministers ........................................................................................................................................ 30
6.2.2 Staatssecretarissen ........................................................................................................................ 31
7 De institutionele samenhang ............................................................................................... 32
8 De federale functies ............................................................................................................ 36
9 De toetsing van de wet ........................................................................................................ 40
10 De federale staat ............................................................................................................ 44
11 De institutionele inrichting van gemeenschappen en gewesten........................................ 49
12 De Deelstatelijke functies ............................................................................................... 52
13 De Verenigde Naties ....................................................................................................... 54
14 De Europese Unie ........................................................................................................... 58
14.1 Doelstellingen van de Europese Unie ................................................................................................. 58
14.2 Enkele basisbeginselen van de Europese Unie ................................................................................... 60
14.3 Instellingen van de Europese Unie ..................................................................................................... 61
14.4 Institutionele samenhang .................................................................................................................. 62
14.5 Europese functies ............................................................................................................................... 62
15 Lexicon........................................................................................................................... 64
16 Examenvragen eerste zit 2024 ......................................................................................... 68