1
ALGEMENE PATHOLOGIE
H1: INLEIDING TOT DE PATHOLOGIE
DEFINITIE VAN “PATHOLOGIE”
Pathologie = de leer van het lijden. Deze afwijkingen van het normale resulteren in ziekte met SN ➔ kliniek.
Pathologie is de link tussen de uitlokkende factoren zoals een virus en de letsels. Pathogenese = oorsprong van
de pathologie.
Noxe = iets dat in een te grote mate is
toegediend. Kan ook zijn dat te gering mate een
uitlokkende factor voor een pathologie kan zijn.
Uitlokkende factor steekt iets in gang, we gaan
beginnen zien dat er een afwijking van een
normale structuur ➔ letsel ➔ symptomen. Bv
virus die rechtstreeks cellen kapot gaat maken.
Diagnose kunnen stellen, prognose geven
nadat je weet wat de diagnose is.
SOORTEN PATHOLOGISCHE VERANDERINGEN
1. Regressieve veranderingen: atrofie, degeneratie, necrose
2. Progressieve veranderingen: hyperplasie, hypertrofie, neoplasie
3. Regeneratie en reparatie
4. Circulatiestoornissen
5. Ontstekingen
, 2
SPECIALISATIES BINNEN DE PATHOLOGIE
• Comparatieve pathologie: Studie van de pathogenese van ziekten bij verschillende species ➔ nut van
de veterinaire pathologie voor de mens (vb. mammatumoren bij de teef)
• Diagnostische pathologie (zogenaamde diagnostiek): Weefselveranderingen gebruikt om ziekte te
karakteriseren ➔ Lijkschouwing (post-mortem macro + micro) (zie autopsiepracticum)
• Biopsiename (in vivo macro + micro) (zie werkcollege 3)
• Chirurgische pathologie: Biopsie als diagnosemiddel tijdens operatie
• Klinische pathologie: Labodiagnose van ziekten bij het levende dier: geavanceerde
onderzoekstechnieken, specialisatie in bepaalde organen of diersoorten
• Experimentele pathologie: Pathogenese op experimentele wijze in detail onderzocht
ENKELE PATHOLOGISCHE ONDERZOEKSTECHNIEKEN
MACROSCOPIE
Visuele inspectie en palpatie: pyometra links en rechts hartbasis tumor. Hypertrofie van de hartspier wand
moeten we eigenlijk echografisch/RX precies meten, post mortem zou het ook door iets anders kunnen zien.
Blijft subjectief.
HISTOLOGIE
Stuk weefsel eruit halen en behandelen: fixatie, dehydratatie, parafine, coupe snijden en kleuren ➔ bekijken
onder de microscoop. Je gaat het dus niet zelf doen, te veel machines nodig. Wordt opgestuurd naar het labo.
Cytologische preparaten: alle machines niet nodig. Je kan het makkelijk zelf doen. Specifieke kleuringen kan je
aanvragen.
FIXATIE
Formaldehyde: rotting tegen houden na de dood omdat de cel geen zuurstof meer krijgt.
• ATP door anaerobe glycolyse ➔ rigor mortis.
• ATP opgebruikt ➔ cel niet zichzelf onderhouden
• Celorganellen gaan kapot gaan ➔ lysoszymes ➔ cel zelf gaan verteren
• Rotting al van binnen uit = autolyse
Formaldehyde zal de autolytische lysozymes de EW gaan
koppelen om de functie tegen te houden = methyleenbruggen.
Wat er over is = H20. Hoe langer formaldehyde bezig is met de
denaturatie, hoe meer formaldehyde opgebruikt in de reactie,
hoe meer water er ontstaat. Er kan dus ook een moment
ontstaan dat al de formaldehyde is opgebruikt maar nog niet
alle enzymes zijn gedenatureerd. Nood aan heel veel
formaldehyde moet bijna 10x zoveel zijn.
, 3
Diepe stalen ook moeilijker, formaldehyde niet tot binnenste kunnen binnen dringen. Laten staan, niet in de frigo
➔ formaldehyde werkt niet onder de 10 graden. Rotting zal misschien wel trager zijn maar er is wel rotting.
Concentratie ➔ poeder, vaste stof waar water wordt aan toegevoegd. Max 37%: meer als 37 gram zal neerslaan.
Aanlengen van 37% ➔ maar een 4% concentratie nodig voor werking. Formol of formaline: oplossing die je kan
maken maximaal ➔ 37%. 10% formaline = 10% van die 37% ➔ 4% = formaldehyde.
FORMOLPIGMENT = HERNATINE
Pigmentatie in bv RBC = reactie Hb met ongebufferd formaledehyde.
KEUZE STAALNAME + ORIËNTATIE
Waar staal nemen ➔ rand, in of buiten het letsel?
HISTOCHEMIE
Chemische reacties = speciale kleuringen, gaat een bepaalde reactie aan met weefsel. Bv met mastcel granules,
waardoor ze paars kleuren.
ENZYMHISTOCHEMIE
Gebruik maken van enzymes in het weefsel die de kleurstof gaan veranderen. Bv esterase: overal waar het zit zal
het bruin kleuren. Actieve enzymes aantonen, opgelet dan niet fixeren met formaldehyde ➔ inactiveren van
enzymes. Thermische fixatie dan kiezen: bevriezen en dan coupe maken = cryo-coupe.
IMMUNOHISTOCHEMIE
KLASSIEKE LICHTMICROSCOPISCHE TECHNIEK
Bekijken.
IMMUNOFLUORESCENTIE
Bekijken.
TUNEL TECHNIEK
Apoptopische cellen aanduiden ➔ verknippen hun DNA ➔ eindstukken DNA dat gelabeld worden en
immunohistochemisch zichtbaar worden.
SCANNING ELEKTRONENMICROSCOPIE
Zeer sterk vergroot glas: op oppervlakte kijken, tot duidend maak vergroot. Op welke manier moet je niet
kennen. Weefselstaal dat je met elektronen bestraald ➔ weerkaatsen ➔ detectie ➔ beeld verkrijgen.
TRANSMISSIE ELEKTRONENMICROSCOPIE
Is eigenlijk een hele sterke lichtmicroscoop. nog een kleine golflengte ➔ elektronen ➔ bestralen staal maar dan
niet weerkaatst maar erdoor gaan. Coupe maken, moeten dus zeer klein zijn. Densiteit van de structuren: meer
of minder tegenhouden van de elektronen ➔ contrast zichtbaar. Veel kleiner en meer in details structuren gaan
bekijken. Zo kan je gaan berekenen wat de oppervlakte is van bepaalde structuren.
, 4
H2: STOFWISSELINGSSTOORNISSEN
EXAMEN: wat is hypoxidose en beschrijf de
verschillende vormen?
INLEIDING
DEFINITIES
Stofwisseling = metabolisme ➔ anabolisme en katabolisme. Stoornissen: te veel opbouw of afbraak, op een
verkeerde plaats. Het is kwantitatief. Er zijn geen nieuwe biochemische processen, wel zo = tumoren. Substraat
dat normaal wordt afgebroken gaan opstapelen = stapelingsziekte. Zit in de weg van de cel ➔ cel zal beschadigd
geraken. Of je maakt te weinig van iets ➔ enzym dat je niet meer hebt waardoor iets niet kan afgebroken
worden. Je begint het te zien.
Cel kan zich wel wat aanpassen, bv andere pathways opgereguleerd. Degeneratie met eventueel zelfs het
afsterven van de cel, dan is de capaciteit om de zich aan te passen overschreden. De cel kan er niet meer mee
om. Kunnen er zelfs door sterven = necrose. Het is ook niet zo dat de cel altijd zal afsterven, cel kan vaak nog
herstellen = reversibele degeneratie. Adaptatie is ook niet eindeloos, aftakeling is wel zichtbaar.
Hypertrofie: spiercellen worden
groter (kunnen niet vermeerderen
in aantallen). Hyperplasie =
vermeerderen van cellen, bv de
lever. Kan ook een combinatie zijn
tussen de twee.
Gestegen belasting, bv wanneer er longfibrose is ➔ minder elastisch, meer
weerstand ➔ rechterhart moet harder pompen om bloed naar de longen te
krijgen. De ventrikel spierwand zal dus dikker worden. Start dus met een
hypertrofie ➔ adaptatie ➔ overschrijden: burn out ➔ ventrikel dilatatie.
Omgekeerde kan ook gebeuren: bv de schildklier. Cellen nodig die in mitose kunnen gaan. Hartspiercel kan niet
toenemen in aantal, zullen dus enkel groter worden als adaptatie = hypertrofie. Thyrocyten kunnen wel gaan
delen, gaan vermenigvuldigen als adaptatie op de gestegen belasting. Noxe is dan de gestegen belasting ➔ te
kort aan maternaal jodium tijdens de zwangerschap. Te kort aan jood zorgt voor een toename van het aantal
schildklier cellen = hyperplasie. Dus spreekt zijn eigen wat tegen: gestegen belasting = te kort ➔ toename cellen.
, 5
Jood is nodig voor de aanmaak van T3/T4. Drachtig moeder met te weinig jood
➔ foetus kan geen T3/T4 maken, er was geen jood. Hoe zorgt een te weinig aan
jood voor een te veel aan cellen ➔ negatieve feedback op TSH werkt niet.
Stimulatie van schildklier door TSH ➔ meer cellen, maar helpt niet wat er kan
geen T3/T4 gemaakt worden want er is geen jood. Er zal dus een constante
versterking zijn zonder resultaat = Goitr.
Atrofie: niet goed genoeg substraat om allerlei stoffen te maken ➔ de cel slinkt, een gedaalde belasting. Bv te
weinig zuurstof ➔ skeletspieren kunnen niet goed contraheren. Chronisch zuurstoftekort ➔ spieratrofie,
verzwakking van de spieren. Hypothyroïdie: is vaak idiopatisch bij de hond.
Lever kan in hyperplasie of in atrofie gaan.
Sinusoidale ruimtes tussen leverbalken zijn verwijdt.
Atrofie in dit geval doordat vena porta uitmondt in
de vena cava caudalis. Lever wordt by-pass ➔ geen
zuurstof aanvoer, beetje nog via de vena hepatica
maar niet voldoende. Geen zuurstof en nutriënten
➔ atrofie. We zien ook een slechte detoxificatie ➔ opstapelen ammoniak: blijft in het systeem. Hersenen ➔
encephalopathie. Eigen organellen van de levercellen worden gebruikt = degeneratie: geeft problemen in het
metabolisme. Degeneratie is nog niet celdood = necrose.
Degeneratie: metabool probleem, we zien de letsels. Aangeduid met suffix -ose ➔ nefrose. Soms weet je de
oorzaak is en wat er wordt opgestapeld. Bv vetten die zich opstapelen ➔ -ose ➔ lipose. Weten wat er aan de
hand is.
Dystrofie = ziekte zelf op zich maar die wordt veroorzaakt door een stofwisselingsstoornis.
BELANGRIJKSTE OORZAAK/ETIOLOGIE VAN DEGENERATIE: HYPOXIDOSE
Als er geen genezing mogelijk is ➔ constante inwerking van de noxe, compensatiemechanisme die te kort schiet,
onderliggende pathologiën. -ose door hypoxie. Hypoxie = te kort aan zuurstof, maar breder bekijken ➔ ook de
krebscyclus: oxidatieve fosforylatie. Verbranding in de mitochondriën dat zuurstof nodig heeft.
Hypoxidose = degeneratieve verandering door stoornis in de oxidatieve energieproductie (oxidatieve
fosforylatie).
VORMEN VAN HYPOXIDOSE
1. Zuurstofgebrek:
a. hypoxaemische hypoxidose
b. ischemische hypoxidose
c. stuwingshypoxidose
2. Blokkage van de intramitochondriale oxidatieprocessen:
a. histotoxische hypoxidose
3. Onvoldoende beschikbaarheid van oxideerbare stoffen:
a. hypoglycemische hypoxidose
Als er in 1 van de drie iets mis loopt kan er geen oxidatieve fosforylatie doorgaan = hypoxidose.
, 6
HYPOXAEMISCHE HYPOXIDOSE
Hypoxie = een te laag zuurstofgehalte in het arteriële bloed:
1. Te lage partiële zuurstofdruk in ademlucht (vb. hoogteziekte)
2. Verhindering van de luchttoevoer (vb. stenose thv. larynx)
3. Stoornis in de pulmonaire bloedtoevoer (vb. rechter hartfalen, stenose van de pulmonalisklep)
4. Stoornis in de pulmonaire gasuitwisseling (vb. longoedeem)
5. Stoornis in het zuurstoftransport in het bloed (vb. CO-intoxicatie, anemie)
6. Bijmenging van veneus bloed bij het arteriële bloed (vb. interventrikulair septumdefect - VSD, PDA,
arterio-veneuze fistel)
CYANOSE = donker bloed en blauwverkleuring van de weefsels. Blauw kleuring vnl zichtbaar in de extremiteiten.
ISCHEMISCHE HYPOXIDOSE
Een te geringe aanvoer van zuurstof of oxideerbare substanties naar de cellen tgv. een verminderde arteriële
bloedtoevoer = ischemie.
Weefsels hebben een bleek of cyanotisch uitzicht
Verminderde afvoer van CO2 ➔ lokale acidose
Cellen sterven af, slechte toevoer zie je perifeer het eerst. Witte vingers of tenen, dit kan
even ➔ terug opwarmen, doet dan zeer. Komt door de ischemie, veel afval productie
zoals lactaat (anaeroob glycolyse) ➔ opwarmen ➔ terug bloeding ➔ afvalstoffen komen
vrij in de circulatie = Reperfusion injury. Te lang aanhouden ➔ afsterven vingers, tenen.
Zuurstofarm bloed: kleuren blauw, paars ➔ geen doorbloeding: wit ➔ necrose: zwart.
Komt veel voor in gebieden als mensen lange trektochten doen in barre omstandigheden.
STUWINGSHYPOXIDOSE
= een verminderde aanvoer van zuurstof of oxideerbare stoffen door blokkade van de veneuze retour = stuwing.
CYANOSE met toegenomen bloedvolume in het orgaan: bloed wordt arterieel naar het orgaan
aangevoerd ➔ zuurstof en oxideerbare substanties worden verbruikt ➔ het "arme" bloed geraakt niet
meer weg
Verminderde afvoer van CO2 ➔ lokale acidose
Bloed stapelt zich op ➔ orgaan komt vol te zitten met bloed, en het kan niet meer weg. Zo veel druk waardoor
er ook geen bloed meer bij kan. Zuurstof wordt ook snel opgebruikt en er komt geen zuurstof meer bij. We krijgen
donker veneus bloed.
HISTOTOXISCHE HYPOXIDOSE
= blokkade van de intramitochondriale oxidatieprocessen, bv. bij mitochondriale beschadiging, (co-)
enzymedeficiënties.
HYPOGLYCEMISCHE HYPOXIDOSE
= gestoorde energieproductie door onvoldoende beschikbaarheid van oxideerbare stoffen, vnl. glucose (oa. bij
vasten, malabsorptie of insulinomen).
Breder trekken niet enkel glucose, denken aan alle verbrandbare stoffen. Ook denken aan vetten, EW, ketonen.
Insulinoma ➔ overmaat insuline productie ➔ alle suiker vast gezet, het is niet meer beschikbaar voor energie
uit te halen.
, 7
GEVOELIGHEID VOOR HYPOXIDOSE
Hersenen: bijzonder gevoelig ➔ binnen de 3 minuten irreversibele celbeschadiging
Centrolobulaire hepatocyten: bijzonder gevoelig wegens de
specifieke portale circulatie
o Van periferie: vena porta naar de centrolobulaire venen
➔ steeds minder en minder zuurstof voor de centraal
gelegen hepatocyten
o Net iets te weinig zuurstof: centrolobullair sterven de
hepatocyten af ➔ leven al op het randje
Medulla van de nier en de nierpapillen: erg gevoelig
Skeletspier en hartspier: bijzonder efficiënt in het onttrekken van zuurstof, maar wegens de zeer hoge
behoefte toch erg gevoelig
De foetus is in de tweede helft van de dracht en tijdens de partus relatief weerstandig aan
zuurstofgebrek
o Kunnen langer overleven zonder zuurstof
Sommige weefsels weerstandiger tegen zuurstof gebrek dan andere. Bv hersenen zeer gevoelig aan zuurstof te
kort. Snel afsterven aan cellen.
ALGEMENE NOXEN/ETIOLOGIEËN VERANTWOORDELIJK VOOR DEGENERATIE
Degeneratie is het gevolg van de inwerking van een ETIOLOGIE (vaak een NOXE):
1: ZUURSTOFTEKORT
Hypoxie = partiële reductie in de O2-concentratie.
Anoxie = volledig ontbreken van zuurstof. Het zuurstoftekort kan systemisch of lokaal voorkomen:
Systemisch:
o Suffocatie = asfyxie = verstikking (larynx - of longziekte, hartfalen)
▪ Strangulatie: breuken tongbeen, larynx
o Stoornissen in hemoglobinefunctie (CO - intoxicatie, nitrietintoxicatie met vorming van
methemoglobine, anemie (bv. ijzertekort bij de big))
o Blokkade van cellulaire respiratoire enzymen (cyanidevergiftiging)
Lokaal:
o Ischemie (bloedvatobstructie) ➔ infarct, hemorrhagische infarcering, cyanose
CO-vergiftiging: CO hogere affiniteit dan zuurstof voor hemoglobine ➔ duwt de zuurstof weg. Onvolledige
verbranding ➔ CO komt vrij. Het is geurloos, smaakloos, het is zelf euforisch. Kersenrood bloed en vlekken thv
de huid. Nitriet-vergiftiging ➔ methemoglobine: bruine kleur, ammoniak intoxicatie. Cyanidevergiftiging ➔
cellen gaan allemaal stoppen met werken.
Strangulatie/volvolus darmen door hernia ➔ dikwandige arteriën minder snel in de knoop, venen gaan sneller
afgedrukt worden. Bloed komt er nog bij door de arterie maar kan niet weg door de vene ➔ zuurstof opgebruikt
➔ blauw bloed.
Klonters/thrombus gevormd door een cardiomyopathie ➔ komt verderop vast te zitten op de splitsing van de a.
celiaca (uit de aorta). 1 van beide achterpoten krijgt geen doorbloeding meer = zuurstofgebrek = ischemie.
Waardoor we bleke – cyanose pootjes gaan zien. Heel vaak recidief.
, 8
2: FYSISCHE FACTOREN
Mechanisch: trauma veroorzaakt direct schade aan de cellen of schaadt de bloedtoevoer
Elektrisch: stroom genereert warmte in de weefsels en interfereert met prikkelgeleiding ➔ hartstilstand
o Flora pens ➔ gassen: blazen op
Radiatie: beïnvloedt genetisch materiaal, ioniseert cellulair ater met vorming van vrije radicalen
o Zonlicht, chemostraling, kosmische straling, nucleaire straling
o Cellen gaan kapot door de radicalen
Thermisch:
o Extreme koude bemoeilijkt de bloedtoevoer, intracellulaire ijskristallen doorprikken
celmembranen
o Extreme hitte denatureert enzymen en andere proteïnen
3: INFECTIEUZE AGENTIA
Virussen
Bacteriën
Schimmels en gisten
Parasieten
4: VOEDINGSONEVENWICHT EN CARENTIES
Bv te kort aan vit E / selenium, methionine.
5: GENETISCHE DEFECTEN
Congenitaal: hoeven niet perse genetisch zijn, kan ook congenitaal zijn doordat je parvo infectie hebt
gehad als foetus
Verworven
6: TOXINES EN CHEMICALIËN
Niet diepgaand uitwerken, weten dat er van allerlei toxische stoffen zijn waardoor de cel afsterft. Aantal planten,
radicalen,… ➔ interferentie met cel metabolisme.
7: IMMUNOLOGISCHE DYSFUNCTIE
Aids, lupus, naakte muizen.
8: VEROUDERING
Cellen takelen af door verloop van de tijd. Twee zaken die samen spelen: cel produceert gedurende het leven
afval ➔ afvalstoffen stapelen op ➔ cel functioneert op den duur niet meer naar behoren. Fouten gemaakt ➔
stapelen op = error accumulatie hypothese.
Hoe sneller de cellen hebben moeten werken = meer afvalstoffen = sneller sterven cellen. Hoe zwaarder het
leven geweest = sneller aftakelen. Genetisch: sterker = langer leven. Senescentiegenen ➔ zie later.
Schildpadden: extra telomeren en telomerase ➔ meer aangemaakt. Een telomeer is het uiteinde van een
chromosoom en bestaat deels uit dubbelstrengs en deels uit enkelstrengs DNA, ingekapseld in beschermende
eiwitten. Oude cellen hebben chromosomen met een korter telomeer dan jonge cellen. Telomeren niet replicatie
➔ DNA wordt steeds korter, waardoor het op den duur niet meer kan gerepliceerd worden.
Bij oudere dieren knobbels op de organen (milt en lever) zichtbaar op RX ➔ ondermaatse prestatie, gezonde
stukken gaan compenseren voor de andere delen die minder goed werken = nodulaire hyperplasie.
ALGEMENE PATHOLOGIE
H1: INLEIDING TOT DE PATHOLOGIE
DEFINITIE VAN “PATHOLOGIE”
Pathologie = de leer van het lijden. Deze afwijkingen van het normale resulteren in ziekte met SN ➔ kliniek.
Pathologie is de link tussen de uitlokkende factoren zoals een virus en de letsels. Pathogenese = oorsprong van
de pathologie.
Noxe = iets dat in een te grote mate is
toegediend. Kan ook zijn dat te gering mate een
uitlokkende factor voor een pathologie kan zijn.
Uitlokkende factor steekt iets in gang, we gaan
beginnen zien dat er een afwijking van een
normale structuur ➔ letsel ➔ symptomen. Bv
virus die rechtstreeks cellen kapot gaat maken.
Diagnose kunnen stellen, prognose geven
nadat je weet wat de diagnose is.
SOORTEN PATHOLOGISCHE VERANDERINGEN
1. Regressieve veranderingen: atrofie, degeneratie, necrose
2. Progressieve veranderingen: hyperplasie, hypertrofie, neoplasie
3. Regeneratie en reparatie
4. Circulatiestoornissen
5. Ontstekingen
, 2
SPECIALISATIES BINNEN DE PATHOLOGIE
• Comparatieve pathologie: Studie van de pathogenese van ziekten bij verschillende species ➔ nut van
de veterinaire pathologie voor de mens (vb. mammatumoren bij de teef)
• Diagnostische pathologie (zogenaamde diagnostiek): Weefselveranderingen gebruikt om ziekte te
karakteriseren ➔ Lijkschouwing (post-mortem macro + micro) (zie autopsiepracticum)
• Biopsiename (in vivo macro + micro) (zie werkcollege 3)
• Chirurgische pathologie: Biopsie als diagnosemiddel tijdens operatie
• Klinische pathologie: Labodiagnose van ziekten bij het levende dier: geavanceerde
onderzoekstechnieken, specialisatie in bepaalde organen of diersoorten
• Experimentele pathologie: Pathogenese op experimentele wijze in detail onderzocht
ENKELE PATHOLOGISCHE ONDERZOEKSTECHNIEKEN
MACROSCOPIE
Visuele inspectie en palpatie: pyometra links en rechts hartbasis tumor. Hypertrofie van de hartspier wand
moeten we eigenlijk echografisch/RX precies meten, post mortem zou het ook door iets anders kunnen zien.
Blijft subjectief.
HISTOLOGIE
Stuk weefsel eruit halen en behandelen: fixatie, dehydratatie, parafine, coupe snijden en kleuren ➔ bekijken
onder de microscoop. Je gaat het dus niet zelf doen, te veel machines nodig. Wordt opgestuurd naar het labo.
Cytologische preparaten: alle machines niet nodig. Je kan het makkelijk zelf doen. Specifieke kleuringen kan je
aanvragen.
FIXATIE
Formaldehyde: rotting tegen houden na de dood omdat de cel geen zuurstof meer krijgt.
• ATP door anaerobe glycolyse ➔ rigor mortis.
• ATP opgebruikt ➔ cel niet zichzelf onderhouden
• Celorganellen gaan kapot gaan ➔ lysoszymes ➔ cel zelf gaan verteren
• Rotting al van binnen uit = autolyse
Formaldehyde zal de autolytische lysozymes de EW gaan
koppelen om de functie tegen te houden = methyleenbruggen.
Wat er over is = H20. Hoe langer formaldehyde bezig is met de
denaturatie, hoe meer formaldehyde opgebruikt in de reactie,
hoe meer water er ontstaat. Er kan dus ook een moment
ontstaan dat al de formaldehyde is opgebruikt maar nog niet
alle enzymes zijn gedenatureerd. Nood aan heel veel
formaldehyde moet bijna 10x zoveel zijn.
, 3
Diepe stalen ook moeilijker, formaldehyde niet tot binnenste kunnen binnen dringen. Laten staan, niet in de frigo
➔ formaldehyde werkt niet onder de 10 graden. Rotting zal misschien wel trager zijn maar er is wel rotting.
Concentratie ➔ poeder, vaste stof waar water wordt aan toegevoegd. Max 37%: meer als 37 gram zal neerslaan.
Aanlengen van 37% ➔ maar een 4% concentratie nodig voor werking. Formol of formaline: oplossing die je kan
maken maximaal ➔ 37%. 10% formaline = 10% van die 37% ➔ 4% = formaldehyde.
FORMOLPIGMENT = HERNATINE
Pigmentatie in bv RBC = reactie Hb met ongebufferd formaledehyde.
KEUZE STAALNAME + ORIËNTATIE
Waar staal nemen ➔ rand, in of buiten het letsel?
HISTOCHEMIE
Chemische reacties = speciale kleuringen, gaat een bepaalde reactie aan met weefsel. Bv met mastcel granules,
waardoor ze paars kleuren.
ENZYMHISTOCHEMIE
Gebruik maken van enzymes in het weefsel die de kleurstof gaan veranderen. Bv esterase: overal waar het zit zal
het bruin kleuren. Actieve enzymes aantonen, opgelet dan niet fixeren met formaldehyde ➔ inactiveren van
enzymes. Thermische fixatie dan kiezen: bevriezen en dan coupe maken = cryo-coupe.
IMMUNOHISTOCHEMIE
KLASSIEKE LICHTMICROSCOPISCHE TECHNIEK
Bekijken.
IMMUNOFLUORESCENTIE
Bekijken.
TUNEL TECHNIEK
Apoptopische cellen aanduiden ➔ verknippen hun DNA ➔ eindstukken DNA dat gelabeld worden en
immunohistochemisch zichtbaar worden.
SCANNING ELEKTRONENMICROSCOPIE
Zeer sterk vergroot glas: op oppervlakte kijken, tot duidend maak vergroot. Op welke manier moet je niet
kennen. Weefselstaal dat je met elektronen bestraald ➔ weerkaatsen ➔ detectie ➔ beeld verkrijgen.
TRANSMISSIE ELEKTRONENMICROSCOPIE
Is eigenlijk een hele sterke lichtmicroscoop. nog een kleine golflengte ➔ elektronen ➔ bestralen staal maar dan
niet weerkaatst maar erdoor gaan. Coupe maken, moeten dus zeer klein zijn. Densiteit van de structuren: meer
of minder tegenhouden van de elektronen ➔ contrast zichtbaar. Veel kleiner en meer in details structuren gaan
bekijken. Zo kan je gaan berekenen wat de oppervlakte is van bepaalde structuren.
, 4
H2: STOFWISSELINGSSTOORNISSEN
EXAMEN: wat is hypoxidose en beschrijf de
verschillende vormen?
INLEIDING
DEFINITIES
Stofwisseling = metabolisme ➔ anabolisme en katabolisme. Stoornissen: te veel opbouw of afbraak, op een
verkeerde plaats. Het is kwantitatief. Er zijn geen nieuwe biochemische processen, wel zo = tumoren. Substraat
dat normaal wordt afgebroken gaan opstapelen = stapelingsziekte. Zit in de weg van de cel ➔ cel zal beschadigd
geraken. Of je maakt te weinig van iets ➔ enzym dat je niet meer hebt waardoor iets niet kan afgebroken
worden. Je begint het te zien.
Cel kan zich wel wat aanpassen, bv andere pathways opgereguleerd. Degeneratie met eventueel zelfs het
afsterven van de cel, dan is de capaciteit om de zich aan te passen overschreden. De cel kan er niet meer mee
om. Kunnen er zelfs door sterven = necrose. Het is ook niet zo dat de cel altijd zal afsterven, cel kan vaak nog
herstellen = reversibele degeneratie. Adaptatie is ook niet eindeloos, aftakeling is wel zichtbaar.
Hypertrofie: spiercellen worden
groter (kunnen niet vermeerderen
in aantallen). Hyperplasie =
vermeerderen van cellen, bv de
lever. Kan ook een combinatie zijn
tussen de twee.
Gestegen belasting, bv wanneer er longfibrose is ➔ minder elastisch, meer
weerstand ➔ rechterhart moet harder pompen om bloed naar de longen te
krijgen. De ventrikel spierwand zal dus dikker worden. Start dus met een
hypertrofie ➔ adaptatie ➔ overschrijden: burn out ➔ ventrikel dilatatie.
Omgekeerde kan ook gebeuren: bv de schildklier. Cellen nodig die in mitose kunnen gaan. Hartspiercel kan niet
toenemen in aantal, zullen dus enkel groter worden als adaptatie = hypertrofie. Thyrocyten kunnen wel gaan
delen, gaan vermenigvuldigen als adaptatie op de gestegen belasting. Noxe is dan de gestegen belasting ➔ te
kort aan maternaal jodium tijdens de zwangerschap. Te kort aan jood zorgt voor een toename van het aantal
schildklier cellen = hyperplasie. Dus spreekt zijn eigen wat tegen: gestegen belasting = te kort ➔ toename cellen.
, 5
Jood is nodig voor de aanmaak van T3/T4. Drachtig moeder met te weinig jood
➔ foetus kan geen T3/T4 maken, er was geen jood. Hoe zorgt een te weinig aan
jood voor een te veel aan cellen ➔ negatieve feedback op TSH werkt niet.
Stimulatie van schildklier door TSH ➔ meer cellen, maar helpt niet wat er kan
geen T3/T4 gemaakt worden want er is geen jood. Er zal dus een constante
versterking zijn zonder resultaat = Goitr.
Atrofie: niet goed genoeg substraat om allerlei stoffen te maken ➔ de cel slinkt, een gedaalde belasting. Bv te
weinig zuurstof ➔ skeletspieren kunnen niet goed contraheren. Chronisch zuurstoftekort ➔ spieratrofie,
verzwakking van de spieren. Hypothyroïdie: is vaak idiopatisch bij de hond.
Lever kan in hyperplasie of in atrofie gaan.
Sinusoidale ruimtes tussen leverbalken zijn verwijdt.
Atrofie in dit geval doordat vena porta uitmondt in
de vena cava caudalis. Lever wordt by-pass ➔ geen
zuurstof aanvoer, beetje nog via de vena hepatica
maar niet voldoende. Geen zuurstof en nutriënten
➔ atrofie. We zien ook een slechte detoxificatie ➔ opstapelen ammoniak: blijft in het systeem. Hersenen ➔
encephalopathie. Eigen organellen van de levercellen worden gebruikt = degeneratie: geeft problemen in het
metabolisme. Degeneratie is nog niet celdood = necrose.
Degeneratie: metabool probleem, we zien de letsels. Aangeduid met suffix -ose ➔ nefrose. Soms weet je de
oorzaak is en wat er wordt opgestapeld. Bv vetten die zich opstapelen ➔ -ose ➔ lipose. Weten wat er aan de
hand is.
Dystrofie = ziekte zelf op zich maar die wordt veroorzaakt door een stofwisselingsstoornis.
BELANGRIJKSTE OORZAAK/ETIOLOGIE VAN DEGENERATIE: HYPOXIDOSE
Als er geen genezing mogelijk is ➔ constante inwerking van de noxe, compensatiemechanisme die te kort schiet,
onderliggende pathologiën. -ose door hypoxie. Hypoxie = te kort aan zuurstof, maar breder bekijken ➔ ook de
krebscyclus: oxidatieve fosforylatie. Verbranding in de mitochondriën dat zuurstof nodig heeft.
Hypoxidose = degeneratieve verandering door stoornis in de oxidatieve energieproductie (oxidatieve
fosforylatie).
VORMEN VAN HYPOXIDOSE
1. Zuurstofgebrek:
a. hypoxaemische hypoxidose
b. ischemische hypoxidose
c. stuwingshypoxidose
2. Blokkage van de intramitochondriale oxidatieprocessen:
a. histotoxische hypoxidose
3. Onvoldoende beschikbaarheid van oxideerbare stoffen:
a. hypoglycemische hypoxidose
Als er in 1 van de drie iets mis loopt kan er geen oxidatieve fosforylatie doorgaan = hypoxidose.
, 6
HYPOXAEMISCHE HYPOXIDOSE
Hypoxie = een te laag zuurstofgehalte in het arteriële bloed:
1. Te lage partiële zuurstofdruk in ademlucht (vb. hoogteziekte)
2. Verhindering van de luchttoevoer (vb. stenose thv. larynx)
3. Stoornis in de pulmonaire bloedtoevoer (vb. rechter hartfalen, stenose van de pulmonalisklep)
4. Stoornis in de pulmonaire gasuitwisseling (vb. longoedeem)
5. Stoornis in het zuurstoftransport in het bloed (vb. CO-intoxicatie, anemie)
6. Bijmenging van veneus bloed bij het arteriële bloed (vb. interventrikulair septumdefect - VSD, PDA,
arterio-veneuze fistel)
CYANOSE = donker bloed en blauwverkleuring van de weefsels. Blauw kleuring vnl zichtbaar in de extremiteiten.
ISCHEMISCHE HYPOXIDOSE
Een te geringe aanvoer van zuurstof of oxideerbare substanties naar de cellen tgv. een verminderde arteriële
bloedtoevoer = ischemie.
Weefsels hebben een bleek of cyanotisch uitzicht
Verminderde afvoer van CO2 ➔ lokale acidose
Cellen sterven af, slechte toevoer zie je perifeer het eerst. Witte vingers of tenen, dit kan
even ➔ terug opwarmen, doet dan zeer. Komt door de ischemie, veel afval productie
zoals lactaat (anaeroob glycolyse) ➔ opwarmen ➔ terug bloeding ➔ afvalstoffen komen
vrij in de circulatie = Reperfusion injury. Te lang aanhouden ➔ afsterven vingers, tenen.
Zuurstofarm bloed: kleuren blauw, paars ➔ geen doorbloeding: wit ➔ necrose: zwart.
Komt veel voor in gebieden als mensen lange trektochten doen in barre omstandigheden.
STUWINGSHYPOXIDOSE
= een verminderde aanvoer van zuurstof of oxideerbare stoffen door blokkade van de veneuze retour = stuwing.
CYANOSE met toegenomen bloedvolume in het orgaan: bloed wordt arterieel naar het orgaan
aangevoerd ➔ zuurstof en oxideerbare substanties worden verbruikt ➔ het "arme" bloed geraakt niet
meer weg
Verminderde afvoer van CO2 ➔ lokale acidose
Bloed stapelt zich op ➔ orgaan komt vol te zitten met bloed, en het kan niet meer weg. Zo veel druk waardoor
er ook geen bloed meer bij kan. Zuurstof wordt ook snel opgebruikt en er komt geen zuurstof meer bij. We krijgen
donker veneus bloed.
HISTOTOXISCHE HYPOXIDOSE
= blokkade van de intramitochondriale oxidatieprocessen, bv. bij mitochondriale beschadiging, (co-)
enzymedeficiënties.
HYPOGLYCEMISCHE HYPOXIDOSE
= gestoorde energieproductie door onvoldoende beschikbaarheid van oxideerbare stoffen, vnl. glucose (oa. bij
vasten, malabsorptie of insulinomen).
Breder trekken niet enkel glucose, denken aan alle verbrandbare stoffen. Ook denken aan vetten, EW, ketonen.
Insulinoma ➔ overmaat insuline productie ➔ alle suiker vast gezet, het is niet meer beschikbaar voor energie
uit te halen.
, 7
GEVOELIGHEID VOOR HYPOXIDOSE
Hersenen: bijzonder gevoelig ➔ binnen de 3 minuten irreversibele celbeschadiging
Centrolobulaire hepatocyten: bijzonder gevoelig wegens de
specifieke portale circulatie
o Van periferie: vena porta naar de centrolobulaire venen
➔ steeds minder en minder zuurstof voor de centraal
gelegen hepatocyten
o Net iets te weinig zuurstof: centrolobullair sterven de
hepatocyten af ➔ leven al op het randje
Medulla van de nier en de nierpapillen: erg gevoelig
Skeletspier en hartspier: bijzonder efficiënt in het onttrekken van zuurstof, maar wegens de zeer hoge
behoefte toch erg gevoelig
De foetus is in de tweede helft van de dracht en tijdens de partus relatief weerstandig aan
zuurstofgebrek
o Kunnen langer overleven zonder zuurstof
Sommige weefsels weerstandiger tegen zuurstof gebrek dan andere. Bv hersenen zeer gevoelig aan zuurstof te
kort. Snel afsterven aan cellen.
ALGEMENE NOXEN/ETIOLOGIEËN VERANTWOORDELIJK VOOR DEGENERATIE
Degeneratie is het gevolg van de inwerking van een ETIOLOGIE (vaak een NOXE):
1: ZUURSTOFTEKORT
Hypoxie = partiële reductie in de O2-concentratie.
Anoxie = volledig ontbreken van zuurstof. Het zuurstoftekort kan systemisch of lokaal voorkomen:
Systemisch:
o Suffocatie = asfyxie = verstikking (larynx - of longziekte, hartfalen)
▪ Strangulatie: breuken tongbeen, larynx
o Stoornissen in hemoglobinefunctie (CO - intoxicatie, nitrietintoxicatie met vorming van
methemoglobine, anemie (bv. ijzertekort bij de big))
o Blokkade van cellulaire respiratoire enzymen (cyanidevergiftiging)
Lokaal:
o Ischemie (bloedvatobstructie) ➔ infarct, hemorrhagische infarcering, cyanose
CO-vergiftiging: CO hogere affiniteit dan zuurstof voor hemoglobine ➔ duwt de zuurstof weg. Onvolledige
verbranding ➔ CO komt vrij. Het is geurloos, smaakloos, het is zelf euforisch. Kersenrood bloed en vlekken thv
de huid. Nitriet-vergiftiging ➔ methemoglobine: bruine kleur, ammoniak intoxicatie. Cyanidevergiftiging ➔
cellen gaan allemaal stoppen met werken.
Strangulatie/volvolus darmen door hernia ➔ dikwandige arteriën minder snel in de knoop, venen gaan sneller
afgedrukt worden. Bloed komt er nog bij door de arterie maar kan niet weg door de vene ➔ zuurstof opgebruikt
➔ blauw bloed.
Klonters/thrombus gevormd door een cardiomyopathie ➔ komt verderop vast te zitten op de splitsing van de a.
celiaca (uit de aorta). 1 van beide achterpoten krijgt geen doorbloeding meer = zuurstofgebrek = ischemie.
Waardoor we bleke – cyanose pootjes gaan zien. Heel vaak recidief.
, 8
2: FYSISCHE FACTOREN
Mechanisch: trauma veroorzaakt direct schade aan de cellen of schaadt de bloedtoevoer
Elektrisch: stroom genereert warmte in de weefsels en interfereert met prikkelgeleiding ➔ hartstilstand
o Flora pens ➔ gassen: blazen op
Radiatie: beïnvloedt genetisch materiaal, ioniseert cellulair ater met vorming van vrije radicalen
o Zonlicht, chemostraling, kosmische straling, nucleaire straling
o Cellen gaan kapot door de radicalen
Thermisch:
o Extreme koude bemoeilijkt de bloedtoevoer, intracellulaire ijskristallen doorprikken
celmembranen
o Extreme hitte denatureert enzymen en andere proteïnen
3: INFECTIEUZE AGENTIA
Virussen
Bacteriën
Schimmels en gisten
Parasieten
4: VOEDINGSONEVENWICHT EN CARENTIES
Bv te kort aan vit E / selenium, methionine.
5: GENETISCHE DEFECTEN
Congenitaal: hoeven niet perse genetisch zijn, kan ook congenitaal zijn doordat je parvo infectie hebt
gehad als foetus
Verworven
6: TOXINES EN CHEMICALIËN
Niet diepgaand uitwerken, weten dat er van allerlei toxische stoffen zijn waardoor de cel afsterft. Aantal planten,
radicalen,… ➔ interferentie met cel metabolisme.
7: IMMUNOLOGISCHE DYSFUNCTIE
Aids, lupus, naakte muizen.
8: VEROUDERING
Cellen takelen af door verloop van de tijd. Twee zaken die samen spelen: cel produceert gedurende het leven
afval ➔ afvalstoffen stapelen op ➔ cel functioneert op den duur niet meer naar behoren. Fouten gemaakt ➔
stapelen op = error accumulatie hypothese.
Hoe sneller de cellen hebben moeten werken = meer afvalstoffen = sneller sterven cellen. Hoe zwaarder het
leven geweest = sneller aftakelen. Genetisch: sterker = langer leven. Senescentiegenen ➔ zie later.
Schildpadden: extra telomeren en telomerase ➔ meer aangemaakt. Een telomeer is het uiteinde van een
chromosoom en bestaat deels uit dubbelstrengs en deels uit enkelstrengs DNA, ingekapseld in beschermende
eiwitten. Oude cellen hebben chromosomen met een korter telomeer dan jonge cellen. Telomeren niet replicatie
➔ DNA wordt steeds korter, waardoor het op den duur niet meer kan gerepliceerd worden.
Bij oudere dieren knobbels op de organen (milt en lever) zichtbaar op RX ➔ ondermaatse prestatie, gezonde
stukken gaan compenseren voor de andere delen die minder goed werken = nodulaire hyperplasie.