Dr. Devriendt
1. Bespreek de passieve immuniteit bij pluimvee/zoogdieren en geef een
toepassing.
Pluimvee: De leghen produceert IgG voor transfer naar de eierdooiers, wat ongeveer
zoveel is als ze voor zichzelf produceert. IgG dringt binnen in de vitelline bloedsomloop
en vandaar vanaf dag 12 in deze van het kuiken. Een deel IgG komt ook terecht in de
amnionvloeistof en wordt dan ingeslikt door het kuiken. Dicht bij het moment van het
koppen wordt de dooierzak met de overblijvende maternale Ig’s opgenomen in de
buikholte en geïncorporeerd in de wand van de dunnen darm van het kuiken. De
maternale antistoffen in de bloedsomloop van het kuiken worden snel afgebroken:
halfwaardetijd 2,5 dagen. Zo toch ten minste 3 weken beschermd tegen bepaalde
infecties.
Zoogdieren: Verschillen in wijze van overdracht van As’en voornamelijk door de
verschillende structuren van de placenta’s. Bij soorten waar de maternale en foetale
bloedcirculatie door relatief weinig (1-3) placentalagen gescheiden zijn, kan IgG de
placenta doorkruisen. Maar de placenta van de meeste huisdieren is meestal complexer
(5-6 lagen) en vormt zelfs voor IgG een barrière. Transplacentaire transfer van Ig’s komt
normaal dus niet voor bij runderen, schapen, varkens, geiten en veulens. Alle As’en
aanwezig in pasgeboren veedieren (kalf, lam, big, veulen) zijn dus normaal van foetale
oorsprong. Een weinig voorkomende uitzondering komt voor bij merrie, wat bij het
veulen resulteert in een isoimmune hemolytische anemie.
Ook opnamen via colostrum (zie verder) en opname van immunocompetente cellen (T-
en B-cellen) via melk in SVS -> lymfe lymfeklieren.
2. Bespreek de migratie van immuuncellen naar de melkklier tijdens de dracht.
Bij runderen bestaat er gedurende de laatste weken van dracht een selectieve transfer
van IgG1 vanuit het serum doorheen het alveolair epitheel van de melkklier. Dit gebeurd
via een specifieke FcgammaR voor IgG. De Ig’s worden vooral tussen de 3-9 dagen voor
de partus geconcentreerd in het colostrum. Bij runderen vergroot de hoeveelheid van
colostrum en de concentratie van colostrum Ig’s met iedere dracht. De concentratie van
de Ig’s in het colostrum is het hoogst onmiddellijk na de partus en daalt sterk tussen de
2-12u erna.
Bij de zeug daalt het totale gehalte van colostrale Ig’s sterk gedurende de eerste dagen
na de partus, voornamelijk tgv een daling van IgG’s, daalt het gehalte aan IgA’s slechts
lichtjes en wordt dit isotype et belangrijkste in zeugenmelk. IgA wordt geproduceerd in
de melkklier gedurende de volledige lactatie en dient als belangrijkste
verdedigingsmechanisme tegen SVS-ziekten big. Discrete ejecties, niet aan elke tepel
zelfde colostrum ejectie, zuigstimulus belangrijk voor maximale uitscheiding, optimale
omgevingstemperatuur en omgeving voor optimaal actieve biggen.
, 3. Hoe gebeurt het transport van maternale antilichamen doorheen het
darmepitheel? Verduidelijk aan de hand van een figuur.
Via een proces van pinocytose in de columnaire cellen van het epitheel van de dunne
darm en vandaar naar de lymfevaten en uiteindelijk in de bloedbaan. Ze worden
doorheen deze cellen getransloceerd via grote intracytoplasmatische blaasjes zodat ze in
ongedegradeerde vorm de bloedsomloop bereiken. Zeer snel: binnen 80-120 minuten
geabsorbeerd.
Stopzetting: bij pasgeboren lammeren wordt het darmepitheel dat blootgesteld is aan
een grote hoeveelheid Ig’s geleidelijk vervangen door een verteringstype cel, zodat de
laag van cellen verantwoordelijk voor de absorptie van colostrale As’en geleidelijk
verdwijnt. De regio van max absorptie is variabelen de belangrijkste factor daarin is het
tijdstip waarop colostrum voor het eerst wordt opgenomen en de hoeveelheid. Hoe
langer men wacht hoe langer colostrum wordt opgenomen, hoe groter de hoeveelheid,
hoe korter de absorptieperiode.
Bij kalf zijn er in het colostrum stoffen aanwezig die de As opname stimuleren en die de
werking van trypsine inhibeert. Lebmaagfermenten zijn geen probleem want nog niet
voldoende gerijpt epitheel. Colostrum heeft ook bufferend vermogen zodat de nodige pH
om eiwitafbraak te realiseren bijna nooit bereikt wordt.
1. Bespreek de passieve immuniteit bij pluimvee/zoogdieren en geef een
toepassing.
Pluimvee: De leghen produceert IgG voor transfer naar de eierdooiers, wat ongeveer
zoveel is als ze voor zichzelf produceert. IgG dringt binnen in de vitelline bloedsomloop
en vandaar vanaf dag 12 in deze van het kuiken. Een deel IgG komt ook terecht in de
amnionvloeistof en wordt dan ingeslikt door het kuiken. Dicht bij het moment van het
koppen wordt de dooierzak met de overblijvende maternale Ig’s opgenomen in de
buikholte en geïncorporeerd in de wand van de dunnen darm van het kuiken. De
maternale antistoffen in de bloedsomloop van het kuiken worden snel afgebroken:
halfwaardetijd 2,5 dagen. Zo toch ten minste 3 weken beschermd tegen bepaalde
infecties.
Zoogdieren: Verschillen in wijze van overdracht van As’en voornamelijk door de
verschillende structuren van de placenta’s. Bij soorten waar de maternale en foetale
bloedcirculatie door relatief weinig (1-3) placentalagen gescheiden zijn, kan IgG de
placenta doorkruisen. Maar de placenta van de meeste huisdieren is meestal complexer
(5-6 lagen) en vormt zelfs voor IgG een barrière. Transplacentaire transfer van Ig’s komt
normaal dus niet voor bij runderen, schapen, varkens, geiten en veulens. Alle As’en
aanwezig in pasgeboren veedieren (kalf, lam, big, veulen) zijn dus normaal van foetale
oorsprong. Een weinig voorkomende uitzondering komt voor bij merrie, wat bij het
veulen resulteert in een isoimmune hemolytische anemie.
Ook opnamen via colostrum (zie verder) en opname van immunocompetente cellen (T-
en B-cellen) via melk in SVS -> lymfe lymfeklieren.
2. Bespreek de migratie van immuuncellen naar de melkklier tijdens de dracht.
Bij runderen bestaat er gedurende de laatste weken van dracht een selectieve transfer
van IgG1 vanuit het serum doorheen het alveolair epitheel van de melkklier. Dit gebeurd
via een specifieke FcgammaR voor IgG. De Ig’s worden vooral tussen de 3-9 dagen voor
de partus geconcentreerd in het colostrum. Bij runderen vergroot de hoeveelheid van
colostrum en de concentratie van colostrum Ig’s met iedere dracht. De concentratie van
de Ig’s in het colostrum is het hoogst onmiddellijk na de partus en daalt sterk tussen de
2-12u erna.
Bij de zeug daalt het totale gehalte van colostrale Ig’s sterk gedurende de eerste dagen
na de partus, voornamelijk tgv een daling van IgG’s, daalt het gehalte aan IgA’s slechts
lichtjes en wordt dit isotype et belangrijkste in zeugenmelk. IgA wordt geproduceerd in
de melkklier gedurende de volledige lactatie en dient als belangrijkste
verdedigingsmechanisme tegen SVS-ziekten big. Discrete ejecties, niet aan elke tepel
zelfde colostrum ejectie, zuigstimulus belangrijk voor maximale uitscheiding, optimale
omgevingstemperatuur en omgeving voor optimaal actieve biggen.
, 3. Hoe gebeurt het transport van maternale antilichamen doorheen het
darmepitheel? Verduidelijk aan de hand van een figuur.
Via een proces van pinocytose in de columnaire cellen van het epitheel van de dunne
darm en vandaar naar de lymfevaten en uiteindelijk in de bloedbaan. Ze worden
doorheen deze cellen getransloceerd via grote intracytoplasmatische blaasjes zodat ze in
ongedegradeerde vorm de bloedsomloop bereiken. Zeer snel: binnen 80-120 minuten
geabsorbeerd.
Stopzetting: bij pasgeboren lammeren wordt het darmepitheel dat blootgesteld is aan
een grote hoeveelheid Ig’s geleidelijk vervangen door een verteringstype cel, zodat de
laag van cellen verantwoordelijk voor de absorptie van colostrale As’en geleidelijk
verdwijnt. De regio van max absorptie is variabelen de belangrijkste factor daarin is het
tijdstip waarop colostrum voor het eerst wordt opgenomen en de hoeveelheid. Hoe
langer men wacht hoe langer colostrum wordt opgenomen, hoe groter de hoeveelheid,
hoe korter de absorptieperiode.
Bij kalf zijn er in het colostrum stoffen aanwezig die de As opname stimuleren en die de
werking van trypsine inhibeert. Lebmaagfermenten zijn geen probleem want nog niet
voldoende gerijpt epitheel. Colostrum heeft ook bufferend vermogen zodat de nodige pH
om eiwitafbraak te realiseren bijna nooit bereikt wordt.