Redcord & motorische controle
1. Herhaling motorische controle
1.1 Theoretische achtergrond
Functionele stabiliteit ontstaat door een complex samenspel van verschillende factoren.
Panjabi beschreef als eerste 3 subsystemen die instaan voor de (segmentale) stabiliteit van
de wervelkolom:
1. Passieve systeem
2. Actieve systeem
3. Neurale controlesysteem
Terminologie:
Het omvattende begrip: Spieren in welbepaalde volgorde aanspannen om een
Motorische controle
zeer specifieke beweging uit te voeren of een bepaalde houding aan te nemen
Actief en het passief systeem geven aan het neurologisch systeem informatie
Proprioceptie
via afferente banen
Hierbij stabiliseert letterlijk onze wervelkolom waardoor er daar geen beweging
Stabiliteit
is, maar wel bv. ter hoogte van onze extremiteiten
Neurologisch systeem werkt samen met het actief systeem. De spieren worden
Coördinatie op het juiste moment samengespannen en op de juiste manier (concentrisch -
excentrisch)
1
,1.1.1 Passieve stabiliteit
Wordt verzorgt door:
Wervels, discus, facetgewrichten, ligamenten, gewrichtskapsel, fascia thoracolumbalis en de
passieve spier-pees elementen.
Functie:
Sturen en geleiden van de beweging.
Ook een proprioceptieve functie:
Door ɣ-afferent systeem in gewrichten en ligamenten
1.1.2 Actieve stabiliteit
Spieren hebben verschillende eigenschappen zoals kracht, uithouding, elasticiteit en tonus. Het
type spiervezel zegt ons hier al iets over.
Kenmerk Type I Type II Type III
Spiervezeltype Traag oxidatief Snel oxidatief glycolytisch Snel glyocolytisch
Type motorunit Traag Snel Snel
Contractiesnelheid Traag Snel Snel
Vermoeibaarheid Laag Laag Hoog
1.1.2.1 Lokale spieren
Dit zijn de diep gelegen spieren zoals transversus abdominis, multifidus, bekkenbodem, psoas,
diepe vezels van de gluteus maximus.
Kenmerken:
- Rechtstreekse aanhechting wervel
- Zorgen voor segmentale stabiliteit, geen waarneembare beweging en creëren stijfheid
- Anticipatorische (en isometrische) contractie
- Bestaan vooral uit type I vezels (tonisch) en hebben geen zware load nodig (3-25% MVIC)
Tot dusver blijkt dat een dysfunctie van het lokale stabiliteitssysteem zich enkel ontwikkelt na het
optreden van pijn en een pathologie. Hoewel pijn en dysfunctie gerelateerd zijn, kan de pijn
verdwijnen maar de dysfunctie blijven.
2
,1.1.2.2 Globale spieren
Rectus abdominis, obliqui, erector spinae, longissimus, iliocostalis, quadratus lumborum …
Kenmerken:
- Staan in voor beweging en overbrengen van krachten
- Geen rechtstreekse segmentale invloed
- Stabiliseren van de volledige romp, vooral indien er externe last wordt toegevoegd
- Door hun contractie wordt de kracht op de wervelkolom geminimaliseerd
- Bestaan vooral uit type IIb vezels en contraheren niet op voorhand (fasisch)
1.1.3 Neurale controlesysteem
- De zenuwen en het CZS controleren en sturen het actieve systeem
- Het CZS moet daarom nauw samenwerken met mechanoreceptoren van spieren, gewrichten en
ligamenten
- Er zijn geprogrammeerde activatiepatronen in het centraal systeem
3
,1.1.4 Samenspel van de 3 subsystemen
Neutrale zone:
Dat gedeelte van de ROM waarbinnen er minimale weerstand is tegen intervertebrale beweging.
Elastische zone:
Zone waarin wel weerstand optreed tegen beweging
De grootte van de neutrale zone is dus een samenspel van de 3 subsystemen.
Instabiliteit werd lang beschouwd als een abnormale toename van de neutrale zone (bv. door
discusdegeneratie) of een gebrek aan dynamische controle van de spieren van de neutrale zone.
De lokale spieren staan namelijk in voor de controle van de neutrale zone:
- Jarenlang werden daarom dysfuncties van lokale spieren bij P.en met LRK onderzocht
- Men ging er vanuit dat LRK in stand werden gehouden door gebrek aan stabiliteit of een
dysfunctie van de stabiliserende spieren
- De nadruk lag dus op het hertrainen van deze spieren
- Maar de laatste jaren meer de benadering van complex samenspel, het is dus multifactorieel
4
,1.2 Trainen van motorische controle
1.2.1 Contra-indicaties
Contra-indicaties voor trainen van lokale motorische controle:
1. Centrale sensitisatie: train the brain
2. Psychosociale problematiek: bewegingsangst, hypervigilantie
3. Geen relatie tussen bewegen en klachten
4. Specifieke pahtologieën waarbij P.en “verstijven” (Bechterew)
1.2.2 Verschillende fasen
Voor het optrainen van motorische controle onderscheiden we 3 fasen:
Positionerings -en bewegingszin + lokale spieren leren opspannen (=segmentale
Fase 1
controle) met een neutrale WK
Aangeleerde lokale contractie integreren in verschillende houdingen, bewegingen en
Fase 2
oefeningen. Integratie met het globale systeem, nog altijd low-load
Fase 3 Functionele & sportspecifieke oefeningen. Kan high-load en met of zonder neutrale WK
Een P. hoeft niet persé elke fase te doorlopen!
Waarom is een neutrale houding van de wervelkolom zo belangrijk?
Omdat dan de fysiologische krommingen aanwezig zijn, wat voor de wervelkolom het meest
efficiënt is omdat zo de krachtverdeling over de wervels het best is. De wervels zijn namelijk mooi
geäligneerd tegenover elkaar en dit is biomechanisch het meest efficiënt.
5
,2. Praktische handvaten trainen MC
2.1 Fase 1
Hier onderscheiden we 2 belangrijke elementen:
1. Positionerings- en bewegingszin (=proprioceptie)
2. Leren aanspannen van de lokale stabilisatoren door een isometrische contractie met
neutrale LWZ
2.1.1 Proprioceptie
Oefeningen:
1. Aanleren van de neutrale positie van de LWZ
2. Neutrale positie terug aannemen na het maken van een bolle/holle rug
3. In verschillende uitgangshoudingen
4. Met specifieke software waar je visuele feedback krijgt
Taak van de therapeut:
Tactiele en verbale stimuli geven
6
,2.1.2 Aanspannen van de lokale musculatuur
Hiervoor kunnen de evaluatiemiddelen voor de lokale stabilisatoren worden gebruikt.
2.1.2.1 In ruglig - aanspannen transervus abdominis
Zie andere samenvattingen. Men stapt stilaan wel af van het analytisch aanspannen van de TrA.
3.3.1.2.2 Aanspannen TrA - andere uitgangshoudingen
Kan ook met gebruik van de PBU!
7
,2.2 Fase 2
Aangeleerde lokale contractie integreren in verschillende houdingen, bewegingen en oefeningen
(integratie van het globale systeem), nog altijd low-load.
Instructies:
- Neutrale LWZ
- Aantal: 10-12 x
- Sets: 2
Werken met allerlei progressievariabelen en bewegingen van de extremiteiten:
- Ondergronden: Bobath bal, mat, trampoline, tol, sit fit
- Visuele feedback: ogen open / toe
- Onbelast / belast
- Richtingsveranderingen
- Dubbeltaken
- Statisch / dynamisch
- Snelheid van bewegen
8
,2.3 Fase 3
Meer functionele en sportspecifieke oefeningen, kan high load en met of zonder neutrale WK.
Instructies:
- Gecontroleerd uitvoeren, niet te snel
- Symmetrisch: 2 sets 10x
- Asymmetrisch: 2 sets 6x elk
2.3.1 Lumbale wervelzuil neutraal
2.3.1.1 Low-load
Oefeningen:
1. Bend Knee Fall out: gebogen been wordt zijwaarts gebogen zonder dat lumbale
wervelkolom en bekken mee beweegt (eventueel met PBU en later met stift onder het
bekken)
2. Top Leg Turn Out: beide benen gebogen en bovenliggende voet steunt op de andere voet, j
bovenliggende knie tot 45° naar boven draaien zonder dat bekken en lumbale wervelkolom
bewegen
3. Superman (en variaties)
4. Wall squat
5. Bridging
6. Planking
7. Eén been heffen zonder dat pelvis naar posterieure rotatie gaat
8. Rocking forward
9
, 2.3.1.2 High-load
10
1. Herhaling motorische controle
1.1 Theoretische achtergrond
Functionele stabiliteit ontstaat door een complex samenspel van verschillende factoren.
Panjabi beschreef als eerste 3 subsystemen die instaan voor de (segmentale) stabiliteit van
de wervelkolom:
1. Passieve systeem
2. Actieve systeem
3. Neurale controlesysteem
Terminologie:
Het omvattende begrip: Spieren in welbepaalde volgorde aanspannen om een
Motorische controle
zeer specifieke beweging uit te voeren of een bepaalde houding aan te nemen
Actief en het passief systeem geven aan het neurologisch systeem informatie
Proprioceptie
via afferente banen
Hierbij stabiliseert letterlijk onze wervelkolom waardoor er daar geen beweging
Stabiliteit
is, maar wel bv. ter hoogte van onze extremiteiten
Neurologisch systeem werkt samen met het actief systeem. De spieren worden
Coördinatie op het juiste moment samengespannen en op de juiste manier (concentrisch -
excentrisch)
1
,1.1.1 Passieve stabiliteit
Wordt verzorgt door:
Wervels, discus, facetgewrichten, ligamenten, gewrichtskapsel, fascia thoracolumbalis en de
passieve spier-pees elementen.
Functie:
Sturen en geleiden van de beweging.
Ook een proprioceptieve functie:
Door ɣ-afferent systeem in gewrichten en ligamenten
1.1.2 Actieve stabiliteit
Spieren hebben verschillende eigenschappen zoals kracht, uithouding, elasticiteit en tonus. Het
type spiervezel zegt ons hier al iets over.
Kenmerk Type I Type II Type III
Spiervezeltype Traag oxidatief Snel oxidatief glycolytisch Snel glyocolytisch
Type motorunit Traag Snel Snel
Contractiesnelheid Traag Snel Snel
Vermoeibaarheid Laag Laag Hoog
1.1.2.1 Lokale spieren
Dit zijn de diep gelegen spieren zoals transversus abdominis, multifidus, bekkenbodem, psoas,
diepe vezels van de gluteus maximus.
Kenmerken:
- Rechtstreekse aanhechting wervel
- Zorgen voor segmentale stabiliteit, geen waarneembare beweging en creëren stijfheid
- Anticipatorische (en isometrische) contractie
- Bestaan vooral uit type I vezels (tonisch) en hebben geen zware load nodig (3-25% MVIC)
Tot dusver blijkt dat een dysfunctie van het lokale stabiliteitssysteem zich enkel ontwikkelt na het
optreden van pijn en een pathologie. Hoewel pijn en dysfunctie gerelateerd zijn, kan de pijn
verdwijnen maar de dysfunctie blijven.
2
,1.1.2.2 Globale spieren
Rectus abdominis, obliqui, erector spinae, longissimus, iliocostalis, quadratus lumborum …
Kenmerken:
- Staan in voor beweging en overbrengen van krachten
- Geen rechtstreekse segmentale invloed
- Stabiliseren van de volledige romp, vooral indien er externe last wordt toegevoegd
- Door hun contractie wordt de kracht op de wervelkolom geminimaliseerd
- Bestaan vooral uit type IIb vezels en contraheren niet op voorhand (fasisch)
1.1.3 Neurale controlesysteem
- De zenuwen en het CZS controleren en sturen het actieve systeem
- Het CZS moet daarom nauw samenwerken met mechanoreceptoren van spieren, gewrichten en
ligamenten
- Er zijn geprogrammeerde activatiepatronen in het centraal systeem
3
,1.1.4 Samenspel van de 3 subsystemen
Neutrale zone:
Dat gedeelte van de ROM waarbinnen er minimale weerstand is tegen intervertebrale beweging.
Elastische zone:
Zone waarin wel weerstand optreed tegen beweging
De grootte van de neutrale zone is dus een samenspel van de 3 subsystemen.
Instabiliteit werd lang beschouwd als een abnormale toename van de neutrale zone (bv. door
discusdegeneratie) of een gebrek aan dynamische controle van de spieren van de neutrale zone.
De lokale spieren staan namelijk in voor de controle van de neutrale zone:
- Jarenlang werden daarom dysfuncties van lokale spieren bij P.en met LRK onderzocht
- Men ging er vanuit dat LRK in stand werden gehouden door gebrek aan stabiliteit of een
dysfunctie van de stabiliserende spieren
- De nadruk lag dus op het hertrainen van deze spieren
- Maar de laatste jaren meer de benadering van complex samenspel, het is dus multifactorieel
4
,1.2 Trainen van motorische controle
1.2.1 Contra-indicaties
Contra-indicaties voor trainen van lokale motorische controle:
1. Centrale sensitisatie: train the brain
2. Psychosociale problematiek: bewegingsangst, hypervigilantie
3. Geen relatie tussen bewegen en klachten
4. Specifieke pahtologieën waarbij P.en “verstijven” (Bechterew)
1.2.2 Verschillende fasen
Voor het optrainen van motorische controle onderscheiden we 3 fasen:
Positionerings -en bewegingszin + lokale spieren leren opspannen (=segmentale
Fase 1
controle) met een neutrale WK
Aangeleerde lokale contractie integreren in verschillende houdingen, bewegingen en
Fase 2
oefeningen. Integratie met het globale systeem, nog altijd low-load
Fase 3 Functionele & sportspecifieke oefeningen. Kan high-load en met of zonder neutrale WK
Een P. hoeft niet persé elke fase te doorlopen!
Waarom is een neutrale houding van de wervelkolom zo belangrijk?
Omdat dan de fysiologische krommingen aanwezig zijn, wat voor de wervelkolom het meest
efficiënt is omdat zo de krachtverdeling over de wervels het best is. De wervels zijn namelijk mooi
geäligneerd tegenover elkaar en dit is biomechanisch het meest efficiënt.
5
,2. Praktische handvaten trainen MC
2.1 Fase 1
Hier onderscheiden we 2 belangrijke elementen:
1. Positionerings- en bewegingszin (=proprioceptie)
2. Leren aanspannen van de lokale stabilisatoren door een isometrische contractie met
neutrale LWZ
2.1.1 Proprioceptie
Oefeningen:
1. Aanleren van de neutrale positie van de LWZ
2. Neutrale positie terug aannemen na het maken van een bolle/holle rug
3. In verschillende uitgangshoudingen
4. Met specifieke software waar je visuele feedback krijgt
Taak van de therapeut:
Tactiele en verbale stimuli geven
6
,2.1.2 Aanspannen van de lokale musculatuur
Hiervoor kunnen de evaluatiemiddelen voor de lokale stabilisatoren worden gebruikt.
2.1.2.1 In ruglig - aanspannen transervus abdominis
Zie andere samenvattingen. Men stapt stilaan wel af van het analytisch aanspannen van de TrA.
3.3.1.2.2 Aanspannen TrA - andere uitgangshoudingen
Kan ook met gebruik van de PBU!
7
,2.2 Fase 2
Aangeleerde lokale contractie integreren in verschillende houdingen, bewegingen en oefeningen
(integratie van het globale systeem), nog altijd low-load.
Instructies:
- Neutrale LWZ
- Aantal: 10-12 x
- Sets: 2
Werken met allerlei progressievariabelen en bewegingen van de extremiteiten:
- Ondergronden: Bobath bal, mat, trampoline, tol, sit fit
- Visuele feedback: ogen open / toe
- Onbelast / belast
- Richtingsveranderingen
- Dubbeltaken
- Statisch / dynamisch
- Snelheid van bewegen
8
,2.3 Fase 3
Meer functionele en sportspecifieke oefeningen, kan high load en met of zonder neutrale WK.
Instructies:
- Gecontroleerd uitvoeren, niet te snel
- Symmetrisch: 2 sets 10x
- Asymmetrisch: 2 sets 6x elk
2.3.1 Lumbale wervelzuil neutraal
2.3.1.1 Low-load
Oefeningen:
1. Bend Knee Fall out: gebogen been wordt zijwaarts gebogen zonder dat lumbale
wervelkolom en bekken mee beweegt (eventueel met PBU en later met stift onder het
bekken)
2. Top Leg Turn Out: beide benen gebogen en bovenliggende voet steunt op de andere voet, j
bovenliggende knie tot 45° naar boven draaien zonder dat bekken en lumbale wervelkolom
bewegen
3. Superman (en variaties)
4. Wall squat
5. Bridging
6. Planking
7. Eén been heffen zonder dat pelvis naar posterieure rotatie gaat
8. Rocking forward
9
, 2.3.1.2 High-load
10