PWB
Als kinesitherapeut hebben we meer en meer de rol van een gezondheidsconsulent. Dat wil
zeggen dat er bij ons, patiënten worden gestuurd zonder letsel die aan beweging/sport
moeten doen.
Training en weerbaarheid
Inleiding
“Training is een oefenproces waarmee een verbetering in een welbepaald doelgebied wordt
nagestreefd.”
Het motorisch prestatievermogen wordt gekenmerkt door de wisselwerking van
verschillende factoren, wat training zo complex maakt.
- Lichamelijke basiseigenschappen
= relatief onafhankelijke factoren en kan men in 4 componenten opsplitsen
1. Kracht : wordt bepaald door het aanpassingsvermogen van het actief
bewegingsapparaat
a. Het bewegingsapparaat bestaat uit spieren die aan beenderen
hechten, gewrichten en ligamenten. Osteoporose zorgt voor een
vermindering van de kracht (vanaf 40 j) net zoals een fractuur (daarop
niet steunen).
b. Aanpassingsvermogen: mogelijkheid om spieren te ontwikkelen (geen
kracht op een te vroege leeftijd, kan voor groeivertraging zorgen).
2. Uithouding : wordt bepaald door het aanpassingsvermogen van het cardio-
respiratoir systeem. Het cardio-respiratoir systeem bestaat uit longen, hart,
bloed en bloedvaten
, 3. Snelheid : is de resultante van de wisselwerking tussen spier –en
zenuwstelsel. Je kan snel zijn als de spieren snel reageren en dit kan alleen
maar door prikkels van het zenuwstelsel.
4. Lenigheid : wordt bepaald door de actieradius van het bewegingsapparaat.
Hier bedoelen we de lenigheid van spieren en gewrichten.
- Technische vaardigheden en tactisch inzicht: zicht om iets te ondernemen, zicht om
letsel te voorkomen.
- Constitutionele factoren: jouw DNA bepaalt sommige dingen die je kan doen of niet.
- Persoonlijkheidsfactoren
Energielevering
De spiercel bezit de eigenschap om chemische energie (zenuwimpuls met vrijmaken Ca –
ionen) om te zetten in mechanische arbeid (spiercontractie). Dit kan door het splitsen van
energierijke fosfagenen, waarbij adenosinetrifosfaat (ATP) een centrale rol speelt.
ATP is in de spiercel beperkt, dus moet de spiercel beroep doen op andere energiebronnen.
Men maakt hierbij een onderscheid tussen anaërobe en aërobe energielevering.
Lactaciet of melkzuur wordt gecreëerd door spieren als er niet genoeg O 2 in de spieren komt.
Het spier gaat verzuren en krijg je een kramp.
Als kinesitherapeut hebben we meer en meer de rol van een gezondheidsconsulent. Dat wil
zeggen dat er bij ons, patiënten worden gestuurd zonder letsel die aan beweging/sport
moeten doen.
Training en weerbaarheid
Inleiding
“Training is een oefenproces waarmee een verbetering in een welbepaald doelgebied wordt
nagestreefd.”
Het motorisch prestatievermogen wordt gekenmerkt door de wisselwerking van
verschillende factoren, wat training zo complex maakt.
- Lichamelijke basiseigenschappen
= relatief onafhankelijke factoren en kan men in 4 componenten opsplitsen
1. Kracht : wordt bepaald door het aanpassingsvermogen van het actief
bewegingsapparaat
a. Het bewegingsapparaat bestaat uit spieren die aan beenderen
hechten, gewrichten en ligamenten. Osteoporose zorgt voor een
vermindering van de kracht (vanaf 40 j) net zoals een fractuur (daarop
niet steunen).
b. Aanpassingsvermogen: mogelijkheid om spieren te ontwikkelen (geen
kracht op een te vroege leeftijd, kan voor groeivertraging zorgen).
2. Uithouding : wordt bepaald door het aanpassingsvermogen van het cardio-
respiratoir systeem. Het cardio-respiratoir systeem bestaat uit longen, hart,
bloed en bloedvaten
, 3. Snelheid : is de resultante van de wisselwerking tussen spier –en
zenuwstelsel. Je kan snel zijn als de spieren snel reageren en dit kan alleen
maar door prikkels van het zenuwstelsel.
4. Lenigheid : wordt bepaald door de actieradius van het bewegingsapparaat.
Hier bedoelen we de lenigheid van spieren en gewrichten.
- Technische vaardigheden en tactisch inzicht: zicht om iets te ondernemen, zicht om
letsel te voorkomen.
- Constitutionele factoren: jouw DNA bepaalt sommige dingen die je kan doen of niet.
- Persoonlijkheidsfactoren
Energielevering
De spiercel bezit de eigenschap om chemische energie (zenuwimpuls met vrijmaken Ca –
ionen) om te zetten in mechanische arbeid (spiercontractie). Dit kan door het splitsen van
energierijke fosfagenen, waarbij adenosinetrifosfaat (ATP) een centrale rol speelt.
ATP is in de spiercel beperkt, dus moet de spiercel beroep doen op andere energiebronnen.
Men maakt hierbij een onderscheid tussen anaërobe en aërobe energielevering.
Lactaciet of melkzuur wordt gecreëerd door spieren als er niet genoeg O 2 in de spieren komt.
Het spier gaat verzuren en krijg je een kramp.