Geschiedenis gaat over:
• Mensen uit andere tijden en de ontwikkeling van de menselijke cultuur in het verleden.
Uitgangspunt bij het vak geschiedenis:
• De leerling vanuit het zijn hedendaagse werkelijkheid in contact brengen met andere
onbekende tijden en andere onbekende werelden uit het verleden.
Historische kennis is nodig om de hedendaagse werkelijkheid te begrijpen.
Historische vaardigheden: Oorzaak en gevolg
Oefenen met begrippen zoals verandering
Kijken vanuit verschillende perspectieven
Feiten en meningen (waar en niet waar)
Kritisch omgaan met bronnen
Kind en tijdà voor het onderwijs in geschiedenis en samenleving is de ontwikkeling van tijdsbesef bij
kinderen van groot belang. Ondanks dat ‘tijd’ een vertrouwd dagelijks begrip is, is het moeilijk om
het begrip ‘tijd’ betekenis te geven. Kinderen kunnen vanaf een jaar of 11 een volwaardig tijdsbesef
ontwikkelen.
Objectieve tijdà de tijd zoals deze als natuurverschijnsel gegeven is. Dit wordt bepaald door de
hemellichamen en gemeten met klok en kalendertijd. Binnen de objectieve tijd vertonen mensen een
biologisch levensritme: ritme van dag en nacht.
Subjectieve tijdà de tijd die door de mens beleeft en ervaart wordt. Tempo, duur en intensiviteit
spelen hierbij een rol. Krijgt vorm door verhalen en heeft persoonlijke tijd.
Historisch tijdbesefà de objectieve en subjectieve tijd komen samen in het historische tijdbesef. Tijd
is hier het instrument van verandering, ontwikkeling, processen en ordenen. Wat gebeurt er is
voorbij en gebeurt dus niet meer.
Er zijn drie niveaus van historisch tijdbesef bij leerlingen in het onderwijs te onderscheiden:
Niveau A- ontluikend historisch tijdbesef: herkennen leerlingen het verleden als tijd waarin dingen
anders waren dan nu. Ze kunnen een vergelijking maken tussen tijden op basis van indelingen als
‘het langst geleden’ heel lang geleden en onze tijd.
Niveau B- aanvankelijk historisch besef: begrijpen leerlingen dat het verleden kan worden
onderverdeeld in tijdsvakken met verschillende kenmerken. Ze weten verschillen in de tijdvakken.
Niveau C- voorgezet historisch tijdbesef: hebben leerlingen feitelijke kennis en inzicht van de 10
tijdvakken. Ze weten de jaartallen en kunnen alle verschillen en gelijkenissen noemen.
, Zes aspecten die je als leerkracht in gedachten moet houden bij historisch tijdsbesef:
1.Chronologisch Leren over chronologie, tijdvakken en
tijdrekeningen.
2. periodisering Elke periode heeft zijn eigen kenmerken.
3. oppassen voor anachronisme Periode in het verleden staan op zichzelf, en
du niet als voorgeschiedenis van een latere
tijd. Periodes moeten dan ook los van elkaar
bestudeerd worden. Tijden niet met elkaar
vermengen.
4. Contingentie Leren over onbedoelde gevolgen van
menselijk handelen. Historische situaties niet
met wijsheid achteraf beoordelen.
5. Generaties Onderscheid maken tussen ‘wij’ en ‘zij’ als het
gaat om het verleden van een groep waartoe
men zich rekent.
6. Overblijfselen Het heden zien als samengesteld uit
overblijfselen uit diverse tijden.
Beelden:
- Worden veel beter onthouden (visueel geheugen).
- Zijn veelzijdige didactische hulpmiddelen (motiverend in de les).
- Komen tegemoet aan de verschillen in leerstijlen en intelligenties bij leerlingen
- Maken abstracte situaties concreet.
- Verhogen het inlevingsvermogen bij historisch gebeurtenissen.
- Nodigen uit om kritisch te kijken.
- Kunnen verbalisme voorkomen (dat leerlingen uit hun hoofd geleerde definities opdreunen).
- Maak contract concreet
Beeldvorming:
• De werkelijkheid (met afbeeldingen)
• Het gesproken woord (de taal)
• Het geschreven woord (het doen
Vragen stellen bij afbeeldingen:
- Translatievragenà antwoord is terug te zien in afbeelding
Onderdelen van een afbeelding laten benoemen
Afbeelding in stukken verdelen en deze stukken laten beschrijven
Tektst bij beeld laten zoeken
Beelelementen laten kleuren
- Interpretatievragenà antwoord is niet letterlijk terug te zien in afbeelding
Wat is de betekenis van wat je ziet, wat concludeer je hieruit?
Van welk begrip of verschijnsel is x of y een goed voorbeeld?
Hoe zou het aflopen? Wat zal er gebeuren als?...
Kwam zoiets meer voor?
Wat was de bedoeling van de maker en aan welke kant stond hij?
Wat denken of zeggen mensen of de afbeelding, hoe voelen zij zich?