BIOLOGIE EN
NEUROLOGIE
Mélanie Guille
Student SRW: kinderen, jongeren en welzijn | 1SRW B4 | r0745732
, UC Leuven-Limburg | Groep Gezondheidszorg en Welzijn
Campus Sociale school Heverlee| Groeneweg 151, 3001 Heverlee
,Hoofdstuk 1: bouwstenen van het leven
1.1 KOOLHYDRATEN/SACHARIDEN/SUIKER-OSE
Monosachariden: de eenvoudigste koolhydraten, bestaan enkel uit suiker. Zijn het belangrijkst
voor de cellen want leveren brandstof (energie) Bv. glucose (brandstof) en fructose (suiker)
Disachariden: bestaan uit 2 monosacharide-eenheden die aan elkaar gekoppeld zijn.
Maltose: 2 glucose eenheden
Sucrose: 1 glucose en 1 fructose eenheid
Lactose: 1 glucose en 1 galactose eenheid
Polysachariden: polymeren van suikers, kunnen als opslaan van de energie, omzetting en
opslaan of dienen als bouwmateriaal
1.2 LIPIDEN/VETTEN
Zijn hydrofoob: kunnen niet of heel moeilijk oplossen in water (koolstofketens+vetzuren)
Vet: worden gebruikt om energie in op te slaan (zoals polysachariden), bij de afbraak komt er
2x zoveel energie vrij als bij de afbraak van suikers
Verzadigde vetten: hun ketens zijn verzadigd, zijn afkomstig van dierlijke producten,
smelten moeilijker en hebben geen dubbelde binding, bv. boter
Onverzadigd: ketens zijn niet volledig gevuld (knikken), plantaardige vetten, vloeibaar
en hebben 1 of meer dubbele bindingen (Bv. olijfolie)
! Voedingspatroon met meer verzadigde vetten geeft een grotere kans op hart- en
vaatziekten
Fosfolipiden: vormen de bouwsteen voor het celmembraan, hebben een hydrofiele kop= de
fosfaatgroep en de groep die daaraan vast zit, gaan makkelijk interacties aan met
watermoleculen
Steroïden: veel hormonen zijn hieruit opgebouwd, bv. geslachtshormonen, cortisol 1.
Cholesterol (belangrijke steroïde), een teveel aan cholesterol in het bloed kan leiden tot
atherosclerose2
1
Hormonen van de bijnierschors
2
Vetafzetting in de bloedvaten, in de volksmond: aderverkalking
, 1.3 EIWITTEN/PROTEÏNEN
Zijn essentieel voor bijna alles wat organismen doen, functies:
Plasma eiwitten: functie in het bloedplasma; immunoglobulinen 3, stollingsfactoren4 en
albumine5
Receptoreiwitten: zorgen voor de communicatie van cellen met de buitenwereld
Hormonen: het zijn eiwitten, bv. insuline (zie hoofdstuk 9)
Een belangrijke groep eiwitten is enzymen: ze laten chemische reacties sneller verlopen
(biokatalysatoren), bv. amylase en pepsine, zijn verantwoordelijk voor de spijsvertering
door voedingsstoffen af te breken
Zijn opgebouwd uit aminozuren (AZ), hebben allemaal dezelfde basisstructuur en er zijn
±20
Elk eiwit bestaat uit polypeptide6: veel verschillende variëteiten aan eiwitten omdat ze 20
verschillende aminozuren zijn driedimensionale structuur bepaalt de functie van het
eiwit
1.4 NUCLEÏNEZUREN
2 soorten: DNA (deoxyribo nucleine acid) en RNA (ribo nucleine acid)
=moleculen waarmee organismen hun erfelijke informatie bewaren en doorgeven
DNA= het genetisch materiaal dat organismen van hun ouders meekrijgen in de vorm van
chromosomen, hierin ligt de informatie gecodeerd voor alle activiteiten van een cel.
RNA= de drager van de eiwit-coderende instructies van het DNA naar het complex dat de
eiwitten maakt
Dit gecodeerd stukje is een gen en bepaalt de aminozuurvolgorde van een eiwit
Elk chromosoom bevat 1 langgerekt DNA-molecuul waarop honderden genen zitten
Omzetting van DNA naar RNA: DNA-molecuul wordt omgezet in een RNA-molecuul info van
het RNA-molecuul wordt vertaald naar een AZ volgorde van een eiwit
DNA code RNA eiwit
Nucleïnezuren: zijn ketens (polymeren) van nucleotide, en worden ook polynucleotiden
genoemd, de nucleotide bestaat uit 3 gedeelten:
Suiker: een monosacharide met 5 koolstofatomen, DNA bevat desoxyribose 7 en RNA
bevat ribose
Fosfaatgroep: zit aan het 5e koolstofatoom, aangegeven als 5’
Stikstofbase: zit aan het 1e koolstofatoom, 4 soorten;
Adenine (A)
Cytosine (C)
Guanine (G)
Thymine (T) voor DNA, uracil (U) voor RNA
A en T, C en G samen
Dubbele helix: 2 strenge zijn spiraalsgewijs opgewonden rond denkbeeldige as, 2 strengen zijn
complementair dus lopen in tegenovergestelde richting (5’-3’ t.o.v. 3’-5’) en worden gevormd
door afwisselende fosfaat-en suikergroepen.
3
Antistoffen van het afweersysteem
4
Bloed laten stollen, bv. protrombine en fibrinogeen
5
Transporteert stoffen in het lichaam
6
Een lange keten van aminozuren
7
“desoxy” staat voor het feit dat deze suiker een zuurstofatoom minder heeft
NEUROLOGIE
Mélanie Guille
Student SRW: kinderen, jongeren en welzijn | 1SRW B4 | r0745732
, UC Leuven-Limburg | Groep Gezondheidszorg en Welzijn
Campus Sociale school Heverlee| Groeneweg 151, 3001 Heverlee
,Hoofdstuk 1: bouwstenen van het leven
1.1 KOOLHYDRATEN/SACHARIDEN/SUIKER-OSE
Monosachariden: de eenvoudigste koolhydraten, bestaan enkel uit suiker. Zijn het belangrijkst
voor de cellen want leveren brandstof (energie) Bv. glucose (brandstof) en fructose (suiker)
Disachariden: bestaan uit 2 monosacharide-eenheden die aan elkaar gekoppeld zijn.
Maltose: 2 glucose eenheden
Sucrose: 1 glucose en 1 fructose eenheid
Lactose: 1 glucose en 1 galactose eenheid
Polysachariden: polymeren van suikers, kunnen als opslaan van de energie, omzetting en
opslaan of dienen als bouwmateriaal
1.2 LIPIDEN/VETTEN
Zijn hydrofoob: kunnen niet of heel moeilijk oplossen in water (koolstofketens+vetzuren)
Vet: worden gebruikt om energie in op te slaan (zoals polysachariden), bij de afbraak komt er
2x zoveel energie vrij als bij de afbraak van suikers
Verzadigde vetten: hun ketens zijn verzadigd, zijn afkomstig van dierlijke producten,
smelten moeilijker en hebben geen dubbelde binding, bv. boter
Onverzadigd: ketens zijn niet volledig gevuld (knikken), plantaardige vetten, vloeibaar
en hebben 1 of meer dubbele bindingen (Bv. olijfolie)
! Voedingspatroon met meer verzadigde vetten geeft een grotere kans op hart- en
vaatziekten
Fosfolipiden: vormen de bouwsteen voor het celmembraan, hebben een hydrofiele kop= de
fosfaatgroep en de groep die daaraan vast zit, gaan makkelijk interacties aan met
watermoleculen
Steroïden: veel hormonen zijn hieruit opgebouwd, bv. geslachtshormonen, cortisol 1.
Cholesterol (belangrijke steroïde), een teveel aan cholesterol in het bloed kan leiden tot
atherosclerose2
1
Hormonen van de bijnierschors
2
Vetafzetting in de bloedvaten, in de volksmond: aderverkalking
, 1.3 EIWITTEN/PROTEÏNEN
Zijn essentieel voor bijna alles wat organismen doen, functies:
Plasma eiwitten: functie in het bloedplasma; immunoglobulinen 3, stollingsfactoren4 en
albumine5
Receptoreiwitten: zorgen voor de communicatie van cellen met de buitenwereld
Hormonen: het zijn eiwitten, bv. insuline (zie hoofdstuk 9)
Een belangrijke groep eiwitten is enzymen: ze laten chemische reacties sneller verlopen
(biokatalysatoren), bv. amylase en pepsine, zijn verantwoordelijk voor de spijsvertering
door voedingsstoffen af te breken
Zijn opgebouwd uit aminozuren (AZ), hebben allemaal dezelfde basisstructuur en er zijn
±20
Elk eiwit bestaat uit polypeptide6: veel verschillende variëteiten aan eiwitten omdat ze 20
verschillende aminozuren zijn driedimensionale structuur bepaalt de functie van het
eiwit
1.4 NUCLEÏNEZUREN
2 soorten: DNA (deoxyribo nucleine acid) en RNA (ribo nucleine acid)
=moleculen waarmee organismen hun erfelijke informatie bewaren en doorgeven
DNA= het genetisch materiaal dat organismen van hun ouders meekrijgen in de vorm van
chromosomen, hierin ligt de informatie gecodeerd voor alle activiteiten van een cel.
RNA= de drager van de eiwit-coderende instructies van het DNA naar het complex dat de
eiwitten maakt
Dit gecodeerd stukje is een gen en bepaalt de aminozuurvolgorde van een eiwit
Elk chromosoom bevat 1 langgerekt DNA-molecuul waarop honderden genen zitten
Omzetting van DNA naar RNA: DNA-molecuul wordt omgezet in een RNA-molecuul info van
het RNA-molecuul wordt vertaald naar een AZ volgorde van een eiwit
DNA code RNA eiwit
Nucleïnezuren: zijn ketens (polymeren) van nucleotide, en worden ook polynucleotiden
genoemd, de nucleotide bestaat uit 3 gedeelten:
Suiker: een monosacharide met 5 koolstofatomen, DNA bevat desoxyribose 7 en RNA
bevat ribose
Fosfaatgroep: zit aan het 5e koolstofatoom, aangegeven als 5’
Stikstofbase: zit aan het 1e koolstofatoom, 4 soorten;
Adenine (A)
Cytosine (C)
Guanine (G)
Thymine (T) voor DNA, uracil (U) voor RNA
A en T, C en G samen
Dubbele helix: 2 strenge zijn spiraalsgewijs opgewonden rond denkbeeldige as, 2 strengen zijn
complementair dus lopen in tegenovergestelde richting (5’-3’ t.o.v. 3’-5’) en worden gevormd
door afwisselende fosfaat-en suikergroepen.
3
Antistoffen van het afweersysteem
4
Bloed laten stollen, bv. protrombine en fibrinogeen
5
Transporteert stoffen in het lichaam
6
Een lange keten van aminozuren
7
“desoxy” staat voor het feit dat deze suiker een zuurstofatoom minder heeft