H1: Ongelijkheid en paradigma’s
1.1 Nationale en internationale ongelijkheid
Verhoudingen tussen mensen veranderen voortdurend. (door verschil en ongelijkheid)
Sociale ongelijkheid = Een situatie waarin verschillen tussen mensen in al dan niet aangeboren
kenmerken, consequenties hebben voor hun maatschappelijke positie en leiden tot een ongelijke
verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken, van waardering en behandeling.
Institutionalisering = Een proces waarbij een complex van waarden en min of meer geformaliseerde
regels vastgelegd worden in standaard gedragspatronen, die het gedrag van mensen en hun
onderlinge relaties reguleren.
- Kinderen uit lagere sociale klassen minder kans op onderwijs.
Kasten, standen en/of klassen kunnen onderscheiden worden.
Sociale ongelijkheid kan aanleiding geven tot conflicten
We accepteren dat een gedeelte vd wereld in armoede leeft; de ontwikkelingslanden → door deze
institutionalisering ontstaat sociale ongelijkheid.
Welke betekenis mensen geven aan verschillen → bepaalt door cultuur = Het geheel van
voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en normen die mensen als lid van een
groep of samenleving hebben verworven.
- Verschillen tussen mannen en vrouwen → hebben verschil in genen.
Sekseverschillen = Genetische factoren veroorzaakte verschillen.
Geslachtsverschillen = Sociaal gevormde verschillen.
3 vormen van sociale ongelijkheid:
1. Ongelijke verdeling van (politieke) macht.
Macht = Het vermogen om hulpbronnen in te zetten om bepaalde doelstellingen te bereiken en de
handelingsmogelijkheden van anderen te beperken of te vergroten.
- Iemand afhankelijk van een ander om iets te bereiken → afhankelijkheidsverhouding en
machtsverhouding tussen die personen.
- Machtsposities zijn afhankelijk met de afhankelijkheden van anderen.
2. Ongelijke verdeling van bezit.
- Bezit is beschikkingsmacht over goederen, land en levende have.
- Aantal mensen bezitten het goed en anderen worden ervan uitgesloten.
- Bezit: kennis, inkomen en vermogen ( = het bezit dat iemand heeft)
- Bezit is machtsverhouding en bezitsverhoudingen een speciaal soort machtsverhouding.
3. Ongelijke verdeling van status.
Status = De waardering en behandeling van personen op grond van hun maatschappelijke positie en
leefstijl. (aanzien)
- Bezittingen, op televisie komen, verzetshelden.
, - Door eigen prestaties meer prestige verdienen.
- Nauwe samenhang tussen prestigeverhoudingen, machtsverhoudingen en
bezitsverhoudingen.
Sociale ongelijkheid neemt toe (westerse democratische samenlevingen) → door opleidingsniveau.
Op mondiaal niveau zijn verhoudingen tussen staten aan verandering onderhevig → globalisering =
het proces van uitbreiding en intensivering van contacten en afhankelijkheden over zeer grote
afstanden en over landsgrenzen heen.
- Staten meer afhankelijk van elkaar.
- Schaalvergroting → economieën worden op elkaar afgestemd.
Bij een geopolitieke strijd tussen diverse landen berusten de botsende belangen op vele factoren:
- Economische belangen
- Demografische belangen
- Historische-politieke aspecten
- Oppervlakte van het land
- Politieke organisatie van een land
- Cultuur van land(en)
1.2 Het gedrag van nationale staten en theorieën en paradigma’s
Hieronder staan een aantal theorieën die het gedrag van nationale staten ten opzichte van andere
nationale staten verklaren:
- Realistische theorieën
- Marxistische theorieën
- Liberale theorieën
- Sociaal-constructivistische theorieën
- Politiek-psychologische theorieën
1. Realistische theorieën = beschrijven de relatie van het ene tot het andere land als een machtsstrijd.
- Elke staat kan van elkaar een concurrent zijn.
- Militair even sterk of meer macht hebben dan een ander land om te overleven.
- Voor zijn zelfbescherming → nooit vertrouwen op internationale organisaties en recht.
Veiligheidsdilemma = Staten moeten zichzelf bewapenen, omdat niemand te vertrouwen is.
- Statensysteem is een anarchie; hierdoor ontstaat wapenwedloop; wapens moeten voor
veiligheidsgevoel zorgen maar dat komt vaak niet uit.
- Conflicten ontstaan door ontbreken machtsevenwicht tussen staten.
Oplossingen om oorlog (tijdelijk) te voorkomen:
- Het versterken van eigen macht (bv. sterk leger)
- Het voeren van diplomatieke onderhandelingen.
- Het vormen van allianties (onderlinge samenwerking) zolang dat nut oplevert voor het land
zelf. (akkoorden met andere landen zodat je als land sterker staat)
Samenwerking = Een proces waarin individuen, groepen en/of staten relaties vormen om hun
handelen op elkaar af te stemmen voor een gemeenschappelijk doel.
1.1 Nationale en internationale ongelijkheid
Verhoudingen tussen mensen veranderen voortdurend. (door verschil en ongelijkheid)
Sociale ongelijkheid = Een situatie waarin verschillen tussen mensen in al dan niet aangeboren
kenmerken, consequenties hebben voor hun maatschappelijke positie en leiden tot een ongelijke
verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken, van waardering en behandeling.
Institutionalisering = Een proces waarbij een complex van waarden en min of meer geformaliseerde
regels vastgelegd worden in standaard gedragspatronen, die het gedrag van mensen en hun
onderlinge relaties reguleren.
- Kinderen uit lagere sociale klassen minder kans op onderwijs.
Kasten, standen en/of klassen kunnen onderscheiden worden.
Sociale ongelijkheid kan aanleiding geven tot conflicten
We accepteren dat een gedeelte vd wereld in armoede leeft; de ontwikkelingslanden → door deze
institutionalisering ontstaat sociale ongelijkheid.
Welke betekenis mensen geven aan verschillen → bepaalt door cultuur = Het geheel van
voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en normen die mensen als lid van een
groep of samenleving hebben verworven.
- Verschillen tussen mannen en vrouwen → hebben verschil in genen.
Sekseverschillen = Genetische factoren veroorzaakte verschillen.
Geslachtsverschillen = Sociaal gevormde verschillen.
3 vormen van sociale ongelijkheid:
1. Ongelijke verdeling van (politieke) macht.
Macht = Het vermogen om hulpbronnen in te zetten om bepaalde doelstellingen te bereiken en de
handelingsmogelijkheden van anderen te beperken of te vergroten.
- Iemand afhankelijk van een ander om iets te bereiken → afhankelijkheidsverhouding en
machtsverhouding tussen die personen.
- Machtsposities zijn afhankelijk met de afhankelijkheden van anderen.
2. Ongelijke verdeling van bezit.
- Bezit is beschikkingsmacht over goederen, land en levende have.
- Aantal mensen bezitten het goed en anderen worden ervan uitgesloten.
- Bezit: kennis, inkomen en vermogen ( = het bezit dat iemand heeft)
- Bezit is machtsverhouding en bezitsverhoudingen een speciaal soort machtsverhouding.
3. Ongelijke verdeling van status.
Status = De waardering en behandeling van personen op grond van hun maatschappelijke positie en
leefstijl. (aanzien)
- Bezittingen, op televisie komen, verzetshelden.
, - Door eigen prestaties meer prestige verdienen.
- Nauwe samenhang tussen prestigeverhoudingen, machtsverhoudingen en
bezitsverhoudingen.
Sociale ongelijkheid neemt toe (westerse democratische samenlevingen) → door opleidingsniveau.
Op mondiaal niveau zijn verhoudingen tussen staten aan verandering onderhevig → globalisering =
het proces van uitbreiding en intensivering van contacten en afhankelijkheden over zeer grote
afstanden en over landsgrenzen heen.
- Staten meer afhankelijk van elkaar.
- Schaalvergroting → economieën worden op elkaar afgestemd.
Bij een geopolitieke strijd tussen diverse landen berusten de botsende belangen op vele factoren:
- Economische belangen
- Demografische belangen
- Historische-politieke aspecten
- Oppervlakte van het land
- Politieke organisatie van een land
- Cultuur van land(en)
1.2 Het gedrag van nationale staten en theorieën en paradigma’s
Hieronder staan een aantal theorieën die het gedrag van nationale staten ten opzichte van andere
nationale staten verklaren:
- Realistische theorieën
- Marxistische theorieën
- Liberale theorieën
- Sociaal-constructivistische theorieën
- Politiek-psychologische theorieën
1. Realistische theorieën = beschrijven de relatie van het ene tot het andere land als een machtsstrijd.
- Elke staat kan van elkaar een concurrent zijn.
- Militair even sterk of meer macht hebben dan een ander land om te overleven.
- Voor zijn zelfbescherming → nooit vertrouwen op internationale organisaties en recht.
Veiligheidsdilemma = Staten moeten zichzelf bewapenen, omdat niemand te vertrouwen is.
- Statensysteem is een anarchie; hierdoor ontstaat wapenwedloop; wapens moeten voor
veiligheidsgevoel zorgen maar dat komt vaak niet uit.
- Conflicten ontstaan door ontbreken machtsevenwicht tussen staten.
Oplossingen om oorlog (tijdelijk) te voorkomen:
- Het versterken van eigen macht (bv. sterk leger)
- Het voeren van diplomatieke onderhandelingen.
- Het vormen van allianties (onderlinge samenwerking) zolang dat nut oplevert voor het land
zelf. (akkoorden met andere landen zodat je als land sterker staat)
Samenwerking = Een proces waarin individuen, groepen en/of staten relaties vormen om hun
handelen op elkaar af te stemmen voor een gemeenschappelijk doel.