Psychologie
Inleiding
Psychologie bestaat uit verschillende stromingen en scholen. Er is dus geen eenheidstheorie.
Hoofdstuk1: psychologie als wetenschap
kenmerken van wetenschap
1. Domein
Onderwerp
2. Hypothesen en theorieën
Hypothesen: veronderstellingen, niet bewezen
Theorieën: onderzocht en bewezen
3. Reductie
Wetenschappelijke vereenvoudiging van de werkelijkheid.
We moeten beperken tot deelsystemen want de totaliteit ontglipt ons.
Vb. ‘what is it like tob e a bat?’ we kunnen nooit weten hoe het presies voelt om een
vleermuis te zijn. Dit geldt ook voor subjectieve menselijke ervaringen.
4. Intersubjectieve overeenstemming
Inter= tussen
Subject= onderwep
Er is een overeenstemming tussen onderwerpen dus delen van een groep.
Vb. wereldgodsdiensten, mensen die geloven dat de aarde rond de zon draait,..
5. Formulering
Elke wetenschap heeft een eigen vakjargon.
6. Vooruitgang
- Paradigma’s veranderen doorheen de tijd.
Paradigma’s: opvattingen over hoe er moet omgegaan worden met bepaalde zaken. Wat
belangrijk is,..
Vb. mensen die ziek zijn moeten worden genezen
- Cyclische vooruitgang:
Concreet waargenomen feiten formuleren van hypothesen toetsen door
onderzoek integreren in een theorie nieuwe waarnemingen, onderzoeksvragen,..
7. Kritisch
Intersubjectiviteit: verschillende onderzoekers die dezelfde mening delen .
Elke wetenschap wordt gecontroleerd op objectiviteit. Komt voor op een wetenschappelijk
forum: beslissen of iets objectief genoeg is
8. Mensbeeld en filosofisch gedachtengoed
Mens en wereldbeeld
- Organisch mensbeeld: mens als samenstelling van elementen die elkaar beinvloeden.
Geen lineair verband tussen oorzaak gevolg. Vb. gestaltpsychologie, systeemdenken.
- Mechanisch mensbeeld: mens als machine. Afzonderlijke onderdelen met bepaalde
eigenschappen. Geheel is soms van de delen.
Oorzaak-gevolg vb. behaviorisme
- Personalistisch mensbeeld: mensen zijn uniek, gevenzelf zin aan hun bestaan.
1
, Indeling van wetenschap: Dilthey
1. WIJSBEGEERTE
filosofie
2. FORMELE WETENSCHAPPEN
logica, wiskunde
3. ERVARINGSWETENSCHAPPEN
- Nomothetisch
algemeen geldende regels
vb. fysica: e=mc²
- Ideografisch
unieke en specifieke
vb. literatuurwetenschap: romans van Coetzee
4. NATUURWETENSCHAPPEN
erklären/ verklaren
vb. chemie, aardrijkskunde,..
Nomothetisch
5. PSYCHOLOGIE
6. GEESTESWETENSCHAPPEN
verstehen/ begrijpen
vb. geschiedenis, literatuur,..
Ideografisch
Methoden
Spelregels om tot betrouwbare wetenschappelijke kennis te komen.
Niet-psychometrische methoden
kwalitatief: geen cijfers
1. Observatie
Gedrag in groep observeren
Vb. participerende observatie deelnemen aan proces wat geobserveerd wordt
2. Introspectie
Innerlijke waarneming gedachten en gevoelens
Kritisch zijn met jezelf
Mentaliseren: emotioneel begrijpen.
3. Interview
Kan gestructureerd maar ook op verloop van de inhoud gebaseerd zijn.
Valkuilen: suggestieve vragen en projectie
2
, 4. Anamnese
Ontwikkelingsgeschiedenis: de oorzaken van het probleem door de persoon zelf verteld.
- Familiale anamnese: thuissituatie
- Schoolse ontwikkeling
- Gebeurtenissen, trauma’s,..
- Sociale ontwikkeling: vrienden
- Hechting
- Emotionele ontwikkeling
5. Gevalstudie of casestudie
Bundeling van alle info over een persoon, gezin ,..
(niet hetzelfde als een anamnese: anamnese is 1luik van een gevalstudie)
Nadeel: kan niet veralgemeend worden want gaat enkel over 1 individu, gezin, instelling,..
6. Projectieve technieken
Manier om mensen over zichzelf te doen vertellen
Vb. kindertekeningen geven de gedachten van een kind weer
- Projectietests: testen waarbij zo abstract mogelijke beelden worden gebruikt
a) rorschachtest:
symmetrische inktvlekken wat zie je er in?
Volgens rorschach werden menselijke gedragingen en gedachten sterk beinvloed door het
onderbewuste. Deze invloeden zouden tot uiting komen in de antwoorden.
Onbetrouwbaar
b) House-tree-person-test
Mensen moeten een huis boom en mens tekenen en daarbij een verhaal vertellen.
c) Thematic aperception test
Test waarbij je een foto krijgt en moet vertellen wat er voor, tijdens en na de foto gebeurde.
Volwassenen
d) Children aperception test
Zelfde test maar met kinderen
e) Grafologie/ handschriftkunde
Aan de hand van het handschrift persoonlijkheidskenmerken toeschrijven.
Niet betrouwbaar. Geen interbeoordelaarsbetrouwbaarheid= elke grafoloog heeft een
andere verklaring voor hetzelfde handschrift.
Psychometrische methoden
Kwantitatief: met cijfers, meetbaar
1. Experiment
- Populatie: totaal
- Steekproef: onderzocht deel van het totaal
- At random: willekeurig
- Representatief: van toepassing voor de hele populatie
3
, - Controlegroep en experimentele groep:
Vb. je doet een experiment om de reactie snelheid te meten onder invloed van alcohol.
De alcohol inname= manipuleerbaar dus de manipulatie
Reactiesnelheid= niet gemanipuleerd
Experimentele groep Controle groep
Manipulatie (wel alcohol) Geen manipulatie (geen alcohol)
Bal proberen vangen met condities. Bal proberen vangen zonder de condities.
Condities: Doel: effect van de onafhankelijke
1) 1pintje veranderlijke nagaan.
2) 3pintjes
3) 5pintjes
4) Placebo
- Variabelen
= grootheid, te meten, kan verschillende waarden hebben
Vb. temperatuur, lengte, leeftijd, haarkleur,..
Bij een experiment word er altijd 1 variabele gemanipuleerd.
Onafhankelijke variabele Afhankelijke variabele
Waarde kan variëren, manipuleren Vergelijkingsmateriaal voor de onafh.
Variabele. Wordt niet gemanipuleerd.
Verband zoeken tussen de onafh. En afh.
Variabele.
Vb. alcohol Vb. rijgedrag
Fictieve test resultaten Hulpvaardigheid
- Dubbel blind
De proefpersonen en de onderzoekers mogen niet weten wie de controlegroep is en wie
de experimentele groep is. Zo worden de resultaten niet beïnvloed door verwachtingen
etc.
Groepen moeten gerandomiseerd zijn: bij toeval verdeeld
- Isolerende variatie: Zo min mogelijk invloeden die niet gecontroleerd zijn in het
onderzoek.
2. Correlationeel onderzoek
Verband tussen 2 variabelen
Geen manipulatie
Positieve- correlatie Negatieve-correlatie Nul/nonsens-correlatie
Hoog-hoog Hoog-laag Geen verband
Laag-laag Laag-hoog
Cijfer 0 ≤1 Cijfer -1≤0
4
Inleiding
Psychologie bestaat uit verschillende stromingen en scholen. Er is dus geen eenheidstheorie.
Hoofdstuk1: psychologie als wetenschap
kenmerken van wetenschap
1. Domein
Onderwerp
2. Hypothesen en theorieën
Hypothesen: veronderstellingen, niet bewezen
Theorieën: onderzocht en bewezen
3. Reductie
Wetenschappelijke vereenvoudiging van de werkelijkheid.
We moeten beperken tot deelsystemen want de totaliteit ontglipt ons.
Vb. ‘what is it like tob e a bat?’ we kunnen nooit weten hoe het presies voelt om een
vleermuis te zijn. Dit geldt ook voor subjectieve menselijke ervaringen.
4. Intersubjectieve overeenstemming
Inter= tussen
Subject= onderwep
Er is een overeenstemming tussen onderwerpen dus delen van een groep.
Vb. wereldgodsdiensten, mensen die geloven dat de aarde rond de zon draait,..
5. Formulering
Elke wetenschap heeft een eigen vakjargon.
6. Vooruitgang
- Paradigma’s veranderen doorheen de tijd.
Paradigma’s: opvattingen over hoe er moet omgegaan worden met bepaalde zaken. Wat
belangrijk is,..
Vb. mensen die ziek zijn moeten worden genezen
- Cyclische vooruitgang:
Concreet waargenomen feiten formuleren van hypothesen toetsen door
onderzoek integreren in een theorie nieuwe waarnemingen, onderzoeksvragen,..
7. Kritisch
Intersubjectiviteit: verschillende onderzoekers die dezelfde mening delen .
Elke wetenschap wordt gecontroleerd op objectiviteit. Komt voor op een wetenschappelijk
forum: beslissen of iets objectief genoeg is
8. Mensbeeld en filosofisch gedachtengoed
Mens en wereldbeeld
- Organisch mensbeeld: mens als samenstelling van elementen die elkaar beinvloeden.
Geen lineair verband tussen oorzaak gevolg. Vb. gestaltpsychologie, systeemdenken.
- Mechanisch mensbeeld: mens als machine. Afzonderlijke onderdelen met bepaalde
eigenschappen. Geheel is soms van de delen.
Oorzaak-gevolg vb. behaviorisme
- Personalistisch mensbeeld: mensen zijn uniek, gevenzelf zin aan hun bestaan.
1
, Indeling van wetenschap: Dilthey
1. WIJSBEGEERTE
filosofie
2. FORMELE WETENSCHAPPEN
logica, wiskunde
3. ERVARINGSWETENSCHAPPEN
- Nomothetisch
algemeen geldende regels
vb. fysica: e=mc²
- Ideografisch
unieke en specifieke
vb. literatuurwetenschap: romans van Coetzee
4. NATUURWETENSCHAPPEN
erklären/ verklaren
vb. chemie, aardrijkskunde,..
Nomothetisch
5. PSYCHOLOGIE
6. GEESTESWETENSCHAPPEN
verstehen/ begrijpen
vb. geschiedenis, literatuur,..
Ideografisch
Methoden
Spelregels om tot betrouwbare wetenschappelijke kennis te komen.
Niet-psychometrische methoden
kwalitatief: geen cijfers
1. Observatie
Gedrag in groep observeren
Vb. participerende observatie deelnemen aan proces wat geobserveerd wordt
2. Introspectie
Innerlijke waarneming gedachten en gevoelens
Kritisch zijn met jezelf
Mentaliseren: emotioneel begrijpen.
3. Interview
Kan gestructureerd maar ook op verloop van de inhoud gebaseerd zijn.
Valkuilen: suggestieve vragen en projectie
2
, 4. Anamnese
Ontwikkelingsgeschiedenis: de oorzaken van het probleem door de persoon zelf verteld.
- Familiale anamnese: thuissituatie
- Schoolse ontwikkeling
- Gebeurtenissen, trauma’s,..
- Sociale ontwikkeling: vrienden
- Hechting
- Emotionele ontwikkeling
5. Gevalstudie of casestudie
Bundeling van alle info over een persoon, gezin ,..
(niet hetzelfde als een anamnese: anamnese is 1luik van een gevalstudie)
Nadeel: kan niet veralgemeend worden want gaat enkel over 1 individu, gezin, instelling,..
6. Projectieve technieken
Manier om mensen over zichzelf te doen vertellen
Vb. kindertekeningen geven de gedachten van een kind weer
- Projectietests: testen waarbij zo abstract mogelijke beelden worden gebruikt
a) rorschachtest:
symmetrische inktvlekken wat zie je er in?
Volgens rorschach werden menselijke gedragingen en gedachten sterk beinvloed door het
onderbewuste. Deze invloeden zouden tot uiting komen in de antwoorden.
Onbetrouwbaar
b) House-tree-person-test
Mensen moeten een huis boom en mens tekenen en daarbij een verhaal vertellen.
c) Thematic aperception test
Test waarbij je een foto krijgt en moet vertellen wat er voor, tijdens en na de foto gebeurde.
Volwassenen
d) Children aperception test
Zelfde test maar met kinderen
e) Grafologie/ handschriftkunde
Aan de hand van het handschrift persoonlijkheidskenmerken toeschrijven.
Niet betrouwbaar. Geen interbeoordelaarsbetrouwbaarheid= elke grafoloog heeft een
andere verklaring voor hetzelfde handschrift.
Psychometrische methoden
Kwantitatief: met cijfers, meetbaar
1. Experiment
- Populatie: totaal
- Steekproef: onderzocht deel van het totaal
- At random: willekeurig
- Representatief: van toepassing voor de hele populatie
3
, - Controlegroep en experimentele groep:
Vb. je doet een experiment om de reactie snelheid te meten onder invloed van alcohol.
De alcohol inname= manipuleerbaar dus de manipulatie
Reactiesnelheid= niet gemanipuleerd
Experimentele groep Controle groep
Manipulatie (wel alcohol) Geen manipulatie (geen alcohol)
Bal proberen vangen met condities. Bal proberen vangen zonder de condities.
Condities: Doel: effect van de onafhankelijke
1) 1pintje veranderlijke nagaan.
2) 3pintjes
3) 5pintjes
4) Placebo
- Variabelen
= grootheid, te meten, kan verschillende waarden hebben
Vb. temperatuur, lengte, leeftijd, haarkleur,..
Bij een experiment word er altijd 1 variabele gemanipuleerd.
Onafhankelijke variabele Afhankelijke variabele
Waarde kan variëren, manipuleren Vergelijkingsmateriaal voor de onafh.
Variabele. Wordt niet gemanipuleerd.
Verband zoeken tussen de onafh. En afh.
Variabele.
Vb. alcohol Vb. rijgedrag
Fictieve test resultaten Hulpvaardigheid
- Dubbel blind
De proefpersonen en de onderzoekers mogen niet weten wie de controlegroep is en wie
de experimentele groep is. Zo worden de resultaten niet beïnvloed door verwachtingen
etc.
Groepen moeten gerandomiseerd zijn: bij toeval verdeeld
- Isolerende variatie: Zo min mogelijk invloeden die niet gecontroleerd zijn in het
onderzoek.
2. Correlationeel onderzoek
Verband tussen 2 variabelen
Geen manipulatie
Positieve- correlatie Negatieve-correlatie Nul/nonsens-correlatie
Hoog-hoog Hoog-laag Geen verband
Laag-laag Laag-hoog
Cijfer 0 ≤1 Cijfer -1≤0
4