HOOFDSTUK 10: ZENUWSTELSEL DEEL 1
ORGANISATIE VAN HET ZENUWSTELSEL
Alle dieren moeten kunnen reageren op inwendige en omgevingsfactoren
• Info verzamelen: signaal via sensorische neuronen
• Gegevens verwerken: communicatie/interpretatie via interneuronen (= schakelneuronen in
hersenen)
• Op gepaste manier reageren: signaal via motorische neuronen
Het zenuwstelsel
→ Verbindt sensorische receptoren en motorische effectoren (spieren/klieren)
→ Bestaat uit neuronen (= zenuwcellen) en ondersteunende cellen
o Schwann cellen, oligodendrocyte, microglial cellen, ependymale cellen, astrocyte
,Neuronen: geleiding van de zenuwimpulsen
Vertebraten: 3 types neuronen
• Sensorische neuronen (afferente neuronen)
o Dragen impulsen naar het centraal zenuwstelsel
• Motorische neuronen (efferente neuronen)
o Dragen impulsen van centraal zenuwstelsel naar effectoren (spieren/klieren)
• Interneuronen: schakelneuronen of associatieneuronen
o Voorzien in meer complexe reflexen en associatieve functies (leren en geheugen)
o Schakelneuron tussen sensorisch en motorisch neuron
(Neuro)gliacellen: structurele en functionele ondersteuning van de neuronen, vele types kleiner dan
neuronen maar veel talrijker
Basisstructuur neuronen
• Cellichaam: vergroot deel dat kern bevat
• Dendrieten: meerdere cytoplasmatische uitlopers die stimuli ontvangen
• Axon: enige lange extensie die impulsen geleidt; weg van het cellichaam (kan vertakken)
, Multipolair: meest voorkomend
Unipolair: alleen axon geen
dendrieten
Bipolair: cellichaam in midden, ene
kant uitlopers andere kant
sensorisch receptor
Pseudounipolair: gaat zich
opsplitsen in 2 kanten