Vorming van een positief ion (= kation):
Een neutraal atoom geeft een elektron af.
Elementen met een lage EN geven gemakkelijker een elektron af.
Metalen vormen altijd positieve ionen.
De energie die hiervoor nodig is noemt men de ionisatie-energie, het elektron
wordt weggetrokken en weg gehouden.
De eerste ionisatie-energie is altijd kleineer dan de tweede ionisatie-energie, … Dit
komt omdat de positieve kern steeds meer zijn aantrekkingskracht moet gaan
uitoefenen op minder elektronen, waardoor het moeilijker wordt om het volgende
elektron weg te halen.
Factoren voor de ionisatie-energie:
- Kernlading: hoe kleiner de kernlading (minder protonen (+) in de kern), hoe
kleiner de aantrekkingskracht, en hoe gemakkelijker het elektron
weggetrokken kan worden.
- Het hoofdkwantumgetal van het elektron dat moet worden afgegeven: hoe
groter het hoofdkwantumgetal, hoe kleiner de aantrekkingskracht (van de
kern) is op het elektron. Een elektron op de buitenste schil kan gemakkelijker
weg getrokken worden.
- De afscherming door mantelelektronen: hoe meer afscherming, hoe minder
het elektron door de kern wordt aangetrokken.
In het PSE stijgt de ionisatie-energie binnen de periode en daalt binnen de
groep.
Vorming van een negatief ion (= anion):
Een neutraal atoom neemt elektronen op.
Elementen met een hoge EN waarde nemen beter elektronen op.
Niet-metalen vormen altijd negatieve ionen.
De energie die vrijkomt of nodig is om elektronen op te nemen noemt men de
elektronenaffiniteit.
Vanaf het 2de elektron kost het energie om een elektron toe te voegen, omdat er een
negatief ion is gevormd bij het opnemen van het eerste elektron. Een negatief atoom
stoot een negatief elektron af, daarom is er elektronenaffiniteit nodig vanaf het 2de
elektron. De eerste elektronenaffiniteit is altijd negatief, daarna wordt het positief.
Hoe negatiever (groter) de elektronenaffiniteit, hoe gemakkelijker een atoom een
elektron opneemt.
Factoren voor de elektronenaffiniteit:
- Als de kernlading groot is, wordt het elektron gemakkelijker opgenomen. De
positieve kern trekt het negatieve elektron beter aan.
- Als het hoofdkwantumgetal klein is, zal het elektron gemakkelijker worden
opgenomen. Het extra elektron wordt dicht bij de kern geplaatst, waardoor het
beter wordt aangetrokken.