Indeling plantenrijk.
Wieren (algen)
- De wieren vormen een hoofdgroep met een eenvoudige bouw
- Onderscheiden zich doordat zij geen echt wortels, bladeren en stengels hebben.
- Maken eigen voedsel.
- Geven veel zuurstof tot wel de helft van de atmosfeer.
- Eencellige en meercellige wieren.
- Bekende zeewieren zijn het bruine blaaswier en de groene zeesla.
- Bekende zoetwaterwier is het kranswier.
- Flap: verzamelnaam voor draadvormige wieren.
Korstmossen:
- Korstmossen bestaat uit een alg en een schimmellaag.
- Deze kan je vinden op een boom, oude stoeptegels, gebouwen en grafstenen.
- Meeste hebben een grijsgroene kleur.
- Korstvormige, bladvormige en struikvormige soorten.
- Een alg geeft voedingstoffen aan een schimmel, die dit zelf niet kan doen.
- Direct afhankelijk van regenwater. Gevoelig voor vervuilde stoffen in het regenwater.
- Struikvormige mossen zijn het meest gevoelig voor luchtvervuiling.
Mossen:
- Mossen zijn landplanten, hebben wel een vochtige omgeving nodig.
- Mossen hebben geen transportsysteem van vaatbundels.
- Mossen hebben geen wortels maar haartjes.
- Mossen nemen water op via dunne, eenvoudige bladeren.
- Kussentjes: vele mossen bij elkaar.
- Voorplanting doen zij met sporendragers of sporenkapsels. (voorjaar, droog weer)
- Sporen bestaan uit erfelijk materiaal met een omhulsel eromheen.
Paardenstaarten:
- Paardenstaarten hebben wortels, stengels en bladeren (wasachtige laag tegen uitdroging)
- Stengels en bladeren bevatten vaatbundels waarmee water en voedingsstoffen worden
getransporteerd.
- Houtachtige materiaal dat de stevigheid behoud.
- Bekende paardenstaart is de heermoes
Varens:
- Varens groeien uit een wortelstok en hebben meestal grote veernerfige bladeren.
- Planten zich voort uit sporen
- Sporendrager bevinden zich aan de onderkant van het blad.
Zaadplanten:
- Zaadplanten hebben een uitgebreid wortelstelsel en vaatbundels die water en voedingstoffen
vervoeren.
- Groep van de vaatplanten.
- Leven in het droogland
- Voortplanting met zaden.
- Coniferen (naaktzadigen)
- Hebben geen bloemen en vruchten.
- Zaden liggen open en bloot op de schubben van de kegels.
- Hebben een extra vliesje waardoor de wind ze beter kan verspreiden.
- Bloemplanten (bedektzadigen)
- Loofbomen, struiken en kruidachtige planten.
- Bij kruidachtige sterven de stengels na elk groeiseizoen af.
- Voortplanting met bestuiving.
,De bouw van zaadplanten:
Wat heeft een plant nodig om te groeien:
- De toppen van stengels en wortels zorgen voor de groei van een plant.
- Knoppen kunnen uitgroeien tot zijtakken van een plant.
- Stengel heeft gespecialiseerde cellen, deze zorgen voor de dikte
- Belangrijke kiemings-, groeifactoren zijn licht, koolstofdioxide, zuurstof, water, voedingszouten
en warmte.
De bouw en functie van bladeren:
- De belangrijkste functie is aanmaken van voedsel, door middel van fotosynthese.
- Via hoofd- en zijnerven komt het benodigde water binnen.
- Breed en plat vorm blad.
De bouw van de cel:
- Celkern: hierbinnen is het erfelijk materiaal, de chromosomen.
- Celplasma: bevat water en eiwitten
- Celmembraan: zorgt voor het transport naar en van de cel.
- Celwand: extra begrenzing.
- Vacuole: een blaasje geval met water en ingelaste stoffen als zouten, reservestoffen,
kleurstoffen en afvalstoffen.
- Bladgroenkorrels: fotosynthese, kleurstoffen en zetmeelkorrels.
De bouw en functie van de wortels:
- 2 belangrijke functies stevigheid en nemen water en voedingszouten op uit de bodem.
- Voedingsstoffen worden opgenomen in het kleinste deel van de wortel.
- Hoofdwortel, zijwortel, wortelharen, worteltop.
- 1 bijfunctie reserve voedsel opslaan.
De bouw en functie van de stengels:
- belangrijkste functie: transport van water en voedingstoffen.
- Bijfuncties: draagt de bladeren, stevigheid, fotosynthese.
- Stengels beschikken over vaatbundels. Deze zorgen voor het transport.
- Vaatbundels bestaan uit bruinachtige cellen die met elkaar verbonden staan.
- 2 soorten vaatbundels:
- Bastvaten: voeren suikers vanuit de bladeren naar de rest dichtst bij de buitenkant.
- Houtvaten: meer aan de binnenkant. Voert water en zouten van de wortel omhoog.
- Cambium: maakt nieuwe cellen aan.
, Bomen:
- de stam: extra stevige en houtachtige stengel.
- Jaarringen: de nieuwe boomcellen die je in een afgezaagde boom ziet.
- De schors: een laag over de boomstam heen als bescherming tegen uitdroging, aanvallen van
dieren en schimmels.
- Belangrijke boomtypes:
- Loofbomen: enkelvoudige en samengesteld blad.
- Naaldbomen: small, harde bladeren in de vorm van naalden.
Solo. Spar heeft naalden die individueel aan de tak zitten.
Duo. Den heeft naalden die in paren aan de tak zitten.
legio. Lariks heeft naalden die in groepjes aan de tak zitten.
Bescherming:
Mechanische: groei vormen als stekels, doorns of brandharen.
Chemische: deze geven giftige stoffen af.
Indirecte afweren: aantrekkelijk maken voor de vijand.
Voortplanting van bloemplanten.
Geslachtelijk en ongeslachtelijk voortplanting:
- ongeslachtelijke voortplanting komen de nakomelingen van de eigen plant. Deze hebben de
zelfde genen als de vorige.
- Bij geslachtelijk vind er een versmelting plaats van mannelijk stuifmeel en vrouwelijk.
Bollen:
- bolrokken: gespecialiseerde bladeren die reserve voedsel op slaan onder de grond.
- Eindknop: in het voorjaar groeit deze uit tot een bloem.
- Bolvliezen: beschermen van de bol.
Knollen:
- stengelknollen vermengd vuldig zich door met elkaar te koppelen.
De bouw en functie van bloemen:
- stamper: is het vrouwelijke geslachtsdeel.
- Zaadbeginsels: plek waar de geslachtscellen vandaan komen.
- Vruchtbeginsel: beschermende vrucht om het zaad.
- Meeldraden: mannelijke geslachtsdeel.
- Helmknoppen: produceren de stuifmeel korrels.
- Kelkbladeren: beschermen de bloem in de knop.
- Kroonbladeren: felgekleurd of onopvallend.
- Bloemdek: ls de kelkbladeren en kroonbladeren de zelfde kleur hebben.
- Lipbloemige: als een insect op deze bloem gaat zitten dan komt er stuifmeel op het dier en
verspreid het zich verder.
- Tweeslachtige bloem: stamper en meeldraden in 1 bloem.
- katjes/ eenslachtige bloem: je ziet hier duidelijke verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke
bloemen.
- Tweehuizig: er zijn zelf is plantensoorten die mannelijke en vrouwelijke bloemen op aparte
planten groeien.
- Eenhuizig: hier groeien bloemen op 1 plant.