1. Genetic
= menselijke erfelijkheidsleer
toename van kennis en inzicht leidt tot:
Nieuwe toepassingsmogelijkheden (vb. prenatale tests, DNA-onderzoeken)
Nieuwe behandelingsvormen
Nieuwe perspectieven
Nieuwe (ethische) vragen (wil ik abortus of niet?)
Zygote= bevruchte eicel
vorming van de erfelijke code (in de kern van elke cel)
door herhaaldelijke deling vna de zygote ontstaan dochtercellen
Differentiatie tot weefseesse en organen= dochtercellen zijn in het begin gelijk maar na een aantal delingen
krijgen ze een specifeke vorm en functie (=celdeling)
cellen van hetzelfde type (vb. spiercel) verenigen zich om weefsels te vormen die organen vormen)
situering in de cel: elke cel bevat een
Cesmembraa = vliesje dat geheel samen houdt en zorgt voor uitwisseling tussen het inwendige van
m de cel en omgeving
bestaat uit een dubbele laag vetmoleculen/fosfolipiden met grote klomen eiwiten
waartin ionenkanalen ziten
Stoffen gaan binnen en buiten via de ionenkanalen
Vaak aan de buitenkant een complex geheel van suikermoleculen
Cytopsasema/ = complexe, geleiachtige vloeistof waar alle stofwisselingsprocessen zich afspelen
cesseap
Het bevat:
1. diversee mosecusen die van groot besang zijn voor sevenseverrichtingen in de ces
Celsap bevat:
- Grootste deel water (80%)
- Organische bestanddelen
(eiwiten/proteïnen, suikers/koolhydraten, veten/lipiden)
- Anorganische stoffen of minteralen
natrium, chloor, magnesium, kalium, calcium, ijzer
- Stoffen die in kleine concentraties voorkomen maar van vitaal belang zijn
voor de goede werking van het organisme
2. organessen (hebben ieder een functie in de ceswerking)
- Endopsasematisech reticusum: holten en kanalen die zorgen voor transport van
chemische stoffen
- Microtubuss: kleine buisjes die een soort skelet vormen voor de cel zodat ze
haar specifeke vorm kan behouden
- Gosgi-apparaat: ene deel van het endoplasmatisch reticulum waar de
verpakking van de producten plaatsvindt die door de cel worden gemaakt
- Vacuosen: soort blaasje die diverse secretieproducten kunnen bevaten
- Lyseoseomen: zakjes met enzymen die instaan voor de afraak van diverse
stoffen
- Mitochondriën: de energicentralen van de cel
- Riboseomen: decoderen van erfelijke informatie
- Centriosen: zorgen mee voor de celdeling
1
, Nucseuse/kern = bevat het erfelijk materiaal
Het kernplasma: vloeistof
Kernmembraam: omsluit het kernplasma
Kernporiën: ziten in het kernmembraam en zijn belangrijk voor de erfelijke
info die langs openingen activiteiten in de cel regelen
Chromatine= bevaten erfelijk materiaal
Kernlichaampje/nucleus= geef erfelijke info door vanuit de kern naar het cytoplasma
Chromosomen= diffuse chromatine verandert in duidelijke patronen
Grootsete cessen in het menseesijk organiseme: eicellen
Kseinsete cessen in het menseesijke organiseme: wite bloedcellen
Chromoseomen= draadjes die dichtbaar worden in de cel vanaf de cel zich gaat delen
46 in chromosomen in elke cel (2 groepjes van 23)
44 autosomen (lichaamsbepalende chromosomen vb. haarkleur) en 2 geslachtschromosomen (X
en Y meisje: XX, jongen: XY)
Omvorming tot chromoseomen: beeld verandert volledig als de cel zich voorbereid om te delen
chromatinedraadjes worden dikker om dikker waarna ze apart zichtbaar worden
homosoge chromoseomen: paar niet identieke chromosomen maar bevaten eenzelfde soort informatie
vb. vader geef eigenschap mee voor bruin haar, moeder voor blond haar
Gesesachtsechromoseomen= bepalen in hun combinatie het geslacht van het individu
vrouw bevat twee X-chromosomen
man heef een groot X en een kleiner Y-chromosoom
chromoseomenkaart/karyogram= overzicht van geordende chromosomen van een individu
rangschikking volgens de groote van de chromosomen
andere rangschikkingen volgens:
- psaatse van de centromeer (snijpunt tussen 2 chromatinedraden)
metacentrisch chromosomen: snijpunt ligt centraal
submetacentrische chromosomen: wanneer snijpunt hoger ligt (P – korte arm en Q arm – lange
arm)
acrocentrische chromosomen: snijpunt ligt helemaal bovenaan
- bandpatronen (onderverdeling in de armen van het chromosoom)
Heterochromatine: bevaten erfelijk materiaal die niet echt gebruikt worden en geen invloed hebben op
de eigenschappen van het individu
Euchromatine: bevaten coderende info
Syndroom van Down: 3 keer chromosoom 21 (ipv 2)
Chromoseomenformuse/karytype= conventionele leter- en cijfercombinatie om iemands
chromosomensamenstelling weer te geven
eerst aantal chromosomen, nadien geslachtschromosomen en eventuele afwijkingen
vb. 46, XX (genetisch normaal), 45, XO (turnersyndroom)
DNA= erfelijk materiaal in elke celkern waaruit chromosomen bestaat
Gen= stukje DNA dat codeert voor een eiwit (ontwikkeling van een kenmerk)
2
,Cesdesing= constante delingsactiviteit in ons lichaam
1. mitose/gewone ieldeling (komt meest voor)
vermenigvuldigingsdeling (1 moedercel naar 2 dochtercellen)
ontwikkeling van embryo en afgestorven cellen vervangen door nieuwe
2. meiose/reduitedeling: 2 opeenvolgende delingen (1 moedercel naar 4 dochtercellen)
halvering erfelijk materiaal
vorming van voortplantingscellen
recombinatie= chromosomenparen wisselen stukken met elkaar uit
3. cmitose/direite deling: insnoering van de cel zonder evenwichtige DNA-verdeling
bij ééncellige organismen en kankercellen
komt zelden voor
Klcssieke overervingspctronen
= Mendesiaansee of monogene overerving: genetische aandoening als gevolg van defect (mutatie) in 1 gen
wetten van Mendes: eenvoudige wetmatigheden (werking van afzonderlijke genen)
Gen= stukje DNA dat codeert voor een eiwit (ontwikkeling van een kenmerk)
meestal dubbel aanwezig: men vindt er telkens een op ieder van de twee homologe chromosomen (1
van de moeder en 1 van de vader) vb. bloedgroep, haarkleur
Locuse= plaats waar een gen ligt
Asses= elk van de alternatieve vormen die een gen op een bepaalde locus (plaats) kan aannemen
Multiple allelie= er zijn meerdere varianten van bepaalde alelen
Allelenpaar= twee overeekomstige allelen die iemand bezit
Menseesijke genoom= geheel van alle genen in de chromosomen van een mens
terug te vinden in de kern van elke cel
Genotype= genetische bagage, innerlijk (onzichtbaar)
Fenotype= uitzicht van een individu, uiterlijk (zichtbaar) vb. mucoviscose
Homozygoot= 2 identieke allelen voor een bepaald kenmerk
Heterozygoot= 2 verschillende allelen voor een bepaald kenmerk
Hemizygoot= wanneer het allel op het X-chromosoom geen enkele tegenspeler heef (bij XY, mannen)
leidt tot verschillen bij jongens en meisjes
x-gebonden eigenschappen moet bij vrouwen 2 keer aanwezig zijn, bij mannen maar 1 keer
mannen (XY) vertonen eerder X-gebonden recessieve afwijkingen dan vrouwen (XX)
vb. rood-groen kleurenblindheid
vrouwen (XX) compenseren met tweede X-chromosoom
asymptomatische/symptoomloze draagster
vrouwen vertonen makkerlijker X-gebonden dominante overerving
komt zowel bij mannen als vrouwen tot uiting
Dominantie= de ecpressie van het allel overheerst deze van het andere allel
komt tot uiting in zowel homozygote, heterozygote als hemizygote toestand (komt altijd tot uiting)
Receseseiviteit= de expressie van het allel is ondergeschikt aan deze van het andere allel
komt tot uiting bij homozygote of hemizygote toestand
genetische overdracht van ouders naar kinderen
belangrijk om te weten:
- is het een autosomale of X-gebonden eigenschap?
- eigenschap dominant of recessief?
- homo- of heterozygoot aanwezig?
schema fenotype ouders naar fenotype kinderen
3
, technieken die bruikbaar zijn om zich een conreet beeld te vormen betreffende de eigenschappen die
men bij toekomstige kinderen van een bepaald koppel kan verwachten
1. setamboomonderzoek: stamboom wordt opgemaakt om te bekijken of er een erfelijke ziekte in de
familie zit (stamboom kunnen lezen en begrijpen)
vierkant (man), cirkel (vrouw), ingekleurd (ziek), half ingekleurd (drager)
2. rooseter van Punnett
dominant kenmerk (hoofdleter vb. L van losse oorlelletjes)
recessief kenmerk (kleine leter vb. l van vaste oorlelletjes)
homozygoot: LL of ll
heterozygoot: Ll
autosomaal: iedereen heef evenveel kans op ziekte
X-gebonden: man heef meer kans op ziekte (door dat hij maar 1 X-chromosoom heef)
Fenotype: fenotype ouders naar fenotype kinderen (men moet genotype onderzoeken)
genotype voorspelt fenotype (kijk cursus)
Geslacht:
X Y
X XX XY
X XX XY
½ kans op meisje/jongen
1 oefening op examen (8 punten)
oorlelletjes: moeder homozygoot recessief (vaste oorlel), vader heterozygoot (losse oorlel)
L s
s Ll ll
s Ll ll
½ kans op vaste oorlelletjes (50% heef vaste Ll, 50% heef ll, ½ los, ½ vast)
brede neusgaten: vader is heterozygoot, moeder is homozygoot dominant
B b
B BB Bb
B BB Bb
100% kans op brede neusgaten
1. klcssieke/mendeliccnse/monogene overervingspctronen:
1. overdracht van autoseomaas receseseieve kenmerken (vb. mucovisecosee)
gemiddeld ¼
jongens en meisjes hebben evenveel kans
gemiddeld 2/3 zijn drager
soms zijn de ouders bloedverwanten
normale gen (N), ziekmakend gen (z) (vb. mucoviscidose)
allebei heterozygoot (Nz)
N z
N NN Nz
z Nz zz
1/4 kans op mucoviscose
genotype: ¼ NN (homo), 2/4 Nz (hetero), ¼ zz (homo)
4