1 Fysiologie B: Nier (Bols)
H12: NIER
1. BELANGRIJKE ASPECTEN
Nefron = functionele eenheid van de nier
cortex: glomerulus,
prox. & dist.
tubulus en
kapsel van
Bauwman
medulla: lus v. Henle
en
collecting duct
Nierfuncties:
1) Filtratie = vocht van bloedbaan naar nierkapsel/urinecompartiment
(er zijn 3 compartimenten: bloedbaan, kapsel van Bauwman en interstitium)
Er worden ook dingen gefilterd die het lichaam niet kwijt wil!
OPL
↓
2) Reabsorbtie via secundair actief transport = heropname van vocht uit nierkapsel
terug naar de bloedbaan
3) Niet alles wat in de urine terug te vinden is, is ooit gefiltreerd geweest! Soms zijn
er ook dingen die de cellen van de afvoer ducti zelf produceren die dan in de urine
terecht komen = secretie
,2 Fysiologie B: Nier (Bols)
1) FILTRATIE
= Glomerulaire filtratie doorheen een semipermeabel membraan
niet doorlaatbaar voor eiwitten (uitz. Albumine) Dit resulteert in een zeer lage
eiwitconcentratie in de urine! Dus ook geen stoffen in urine die op dragereiwit
vastzitten!
De eiwitten die terug te vinden zijn in de urine zijn dan door de cellen van de afvoer
ducti geproduceerd maar dus niet via filtratie in de urine geraakt.
= Ruw proces
volledige bloedplas wordt 3 x per uur gefiltreerd (enkel eiwitten en stoffen
gebonden op eiwitten worden niet gefiltreerd)
2) REABSORBTIE
= veel fijner proces
enkel de bruikbare stoffen worden terug opgenomen vanuit de verzamelbuizen naar
de peritubulaire capillairen
3) SECRETIE
= heropname van stoffen uit peritubulaire capilairen naar afvoerbuizen
= stoffen gesecreteerd in tubulus epitheel die dan deel uitmaken van uiteindelijke urine
Hierdoor kan de conc. van een bepaalde stof in de uiteindelijke urine hoger zijn dan er
aanwezig was in het oorspronkelijke filtraat!
De uiteindelijke urine bevat geen grote hoeveelheden nuttige stoffen wel veel afvalstoffen.
De osmolariteit van de urine is dan ook groter dan die van plasma.
Ookal drinkt een dier niet toch zal deze afvalstoffen blijven uitscheiden via urine, maar dan
wel via sterk geconcentreerde urine!
, 3 Fysiologie B: Nier (Bols)
2. FUNCTIONELE MORFOLOGIE:
Herresorbtie is afhankelijk van de beschikbaarheid van water. De nefronen van de dieren zijn
dan ook aangepast op het klimaat waarin de dieren leven (droog/vochtrijk klimaat)
Hiervoor onderscheidt men 2 soorten nefronen:
- Corticale nefronen: glomerulus is in de cortex gelegen en heeft een korte lus van
Henle in de medulla
niet mogelijk om urine sterk te concentreren
- Juxta-medulaire nefronen: glomerulus ligt tegen de medulla en heeft een lange lus
van Henle in de medulla
kan urine zeer sterk concentreren
= veelal bij woestijndieren
Nefronen zijn aan de start gesloten en lopen met hun afvoer ducti uit in het nierbekken.
Het tubulair systeem omvat de proximale tubulus, de lus van Henle, de distale tubulus en de
afvoerbuis.
Ieder deel van de buis heeft ZIJN functie met de daarbij horende morfologie! Wat de
proximale tubulus kan en doet is anders dan wat de lus van Henle kan en doet etc.
Macala densa = deel van de distale tubulus dat tss de afferente en efferente arteriole loopt
met daarnaast de juxtaglomerulaire cellen die RENINE produceren (regelt bloeddruk)
(niet hetzelfde als rennine ! = enzyme dat melk doet stollen in maag van kalf)
Glomerulair filtraat = primaire urine, deze verandert nog sterk alvorens deze wordt
uitgescheiden!
Meeste dingen worden in proximale tubulus (70 % water) gereabsorbeerd. De fine tuning
gebeurt thv de distale tubuli en de afvoerducti.
Hormonale inwerking is vooral op de distale tubuli en afvoerbuizen van het nefron. Dit
aangezien er op de distale tubuli receptoren zijn voor deze hormonen en op de proximale
tubuli niet!
Eens de urine in de blaas zit, kan deze niet meer opgenomen worden enkel nog
uitgescheiden. De urine samenstelling staat dan vast. Het epitheel is dabn ook
ondoorlaatbaar voor water.
(Behalve bij Eq. komt er nog muscine bij = slijmerige substantie (functie niet gekend))
Aangezien er geen sfincter is tussen urethers en de blaas kan een blaasinfectie
opklimmen naar de nieren! Bij uitzetting van de blaas (volle blaas) worden de urethers
tegen de wanden van de blaas dichtgedrukt, dit voorkomt urineterugvloei.
H12: NIER
1. BELANGRIJKE ASPECTEN
Nefron = functionele eenheid van de nier
cortex: glomerulus,
prox. & dist.
tubulus en
kapsel van
Bauwman
medulla: lus v. Henle
en
collecting duct
Nierfuncties:
1) Filtratie = vocht van bloedbaan naar nierkapsel/urinecompartiment
(er zijn 3 compartimenten: bloedbaan, kapsel van Bauwman en interstitium)
Er worden ook dingen gefilterd die het lichaam niet kwijt wil!
OPL
↓
2) Reabsorbtie via secundair actief transport = heropname van vocht uit nierkapsel
terug naar de bloedbaan
3) Niet alles wat in de urine terug te vinden is, is ooit gefiltreerd geweest! Soms zijn
er ook dingen die de cellen van de afvoer ducti zelf produceren die dan in de urine
terecht komen = secretie
,2 Fysiologie B: Nier (Bols)
1) FILTRATIE
= Glomerulaire filtratie doorheen een semipermeabel membraan
niet doorlaatbaar voor eiwitten (uitz. Albumine) Dit resulteert in een zeer lage
eiwitconcentratie in de urine! Dus ook geen stoffen in urine die op dragereiwit
vastzitten!
De eiwitten die terug te vinden zijn in de urine zijn dan door de cellen van de afvoer
ducti geproduceerd maar dus niet via filtratie in de urine geraakt.
= Ruw proces
volledige bloedplas wordt 3 x per uur gefiltreerd (enkel eiwitten en stoffen
gebonden op eiwitten worden niet gefiltreerd)
2) REABSORBTIE
= veel fijner proces
enkel de bruikbare stoffen worden terug opgenomen vanuit de verzamelbuizen naar
de peritubulaire capillairen
3) SECRETIE
= heropname van stoffen uit peritubulaire capilairen naar afvoerbuizen
= stoffen gesecreteerd in tubulus epitheel die dan deel uitmaken van uiteindelijke urine
Hierdoor kan de conc. van een bepaalde stof in de uiteindelijke urine hoger zijn dan er
aanwezig was in het oorspronkelijke filtraat!
De uiteindelijke urine bevat geen grote hoeveelheden nuttige stoffen wel veel afvalstoffen.
De osmolariteit van de urine is dan ook groter dan die van plasma.
Ookal drinkt een dier niet toch zal deze afvalstoffen blijven uitscheiden via urine, maar dan
wel via sterk geconcentreerde urine!
, 3 Fysiologie B: Nier (Bols)
2. FUNCTIONELE MORFOLOGIE:
Herresorbtie is afhankelijk van de beschikbaarheid van water. De nefronen van de dieren zijn
dan ook aangepast op het klimaat waarin de dieren leven (droog/vochtrijk klimaat)
Hiervoor onderscheidt men 2 soorten nefronen:
- Corticale nefronen: glomerulus is in de cortex gelegen en heeft een korte lus van
Henle in de medulla
niet mogelijk om urine sterk te concentreren
- Juxta-medulaire nefronen: glomerulus ligt tegen de medulla en heeft een lange lus
van Henle in de medulla
kan urine zeer sterk concentreren
= veelal bij woestijndieren
Nefronen zijn aan de start gesloten en lopen met hun afvoer ducti uit in het nierbekken.
Het tubulair systeem omvat de proximale tubulus, de lus van Henle, de distale tubulus en de
afvoerbuis.
Ieder deel van de buis heeft ZIJN functie met de daarbij horende morfologie! Wat de
proximale tubulus kan en doet is anders dan wat de lus van Henle kan en doet etc.
Macala densa = deel van de distale tubulus dat tss de afferente en efferente arteriole loopt
met daarnaast de juxtaglomerulaire cellen die RENINE produceren (regelt bloeddruk)
(niet hetzelfde als rennine ! = enzyme dat melk doet stollen in maag van kalf)
Glomerulair filtraat = primaire urine, deze verandert nog sterk alvorens deze wordt
uitgescheiden!
Meeste dingen worden in proximale tubulus (70 % water) gereabsorbeerd. De fine tuning
gebeurt thv de distale tubuli en de afvoerducti.
Hormonale inwerking is vooral op de distale tubuli en afvoerbuizen van het nefron. Dit
aangezien er op de distale tubuli receptoren zijn voor deze hormonen en op de proximale
tubuli niet!
Eens de urine in de blaas zit, kan deze niet meer opgenomen worden enkel nog
uitgescheiden. De urine samenstelling staat dan vast. Het epitheel is dabn ook
ondoorlaatbaar voor water.
(Behalve bij Eq. komt er nog muscine bij = slijmerige substantie (functie niet gekend))
Aangezien er geen sfincter is tussen urethers en de blaas kan een blaasinfectie
opklimmen naar de nieren! Bij uitzetting van de blaas (volle blaas) worden de urethers
tegen de wanden van de blaas dichtgedrukt, dit voorkomt urineterugvloei.