Beoordeling van een ritmestrook. Stappen kennen !!!
1. Beoordeel de P-toppen
➢ Normale P-top = sinusritme
➢ Abnormale P-top of geen P-top = escaperitme
• Atriaal
• AV-junctionaal
• Ventriculair
2. Is het basisritme regelmatig of onregelmatig? Bekijk de RR-intervallen
➢ Normaal = regelmatig = RR-intervallen zijn gelijk, een afwijking tot 10% is toegestaan
➢ Abnormaal = RR-intervallen variëren meer dan 10%
3. Hoe snel is de ventrikelfrequentie (RR-frequentie)?
➢ Normaal = 60 – 100 slagen/minuut
➢ Bradycardie = < 60/minuut
➢ Tachycardie = > 100/minuut
➢ Hoe snel is de atriumfrequentie (PP-frequentie) en is die regelmatig?
4. Is er sprake van een AV-geleiding of een VA-geleiding?
➢ Bij een AV-geleiding: is deze 1:1 = wordt iedere P-top gevolgd door een QRS-complex?
➢ Bij een VA-geleiding: is deze 1:1 = wordt ieder QRS-complex gevolgd door een P-top
5. Meet de breedte van het QRS-complex
➢ Normaal = 0,06 – 0,10 seconden
➢ Abnormaal = > 0,12 seconden = geleidingsstoornis in de ventrikels
6. Meet het PQ-interval
➢ Normaal = 0,12 – 0,20 seconden
➢ 0,20 seconden = AV block
➢ < 0,12 seconden = Wolff-Parkinson-White-syndroom (WPW)
7. Is er een abnormaal complex of abnormaal ritme aanwezig die het basisritme verstoort?
➢ Prematuur complex = ectopisch complex vuurt te vroeg af, waardoor er een complex
ontstaat die vroeger valt dan verwacht in de cyclus
➢ Escape-complex = ontstaat als de normale pacemaker er plotseling meer ophoudt, waardoor
er een pauze ontstaat, en waarna een ectopische focus kan vuren.
Nagaan wat de oorsprong is van de ectopische activiteit :
➢ Atriaal
➢ AV-junctionaal
➢ Ventriculair
Kijken naar de P-top en de breedte van het QRS-complex
8. Bekijk het ST-segment
➢ Normaal = op de basislijn
➢ Abnormaal = ST-segmentelevatie/ST-segmentoptrekking/Pardeegolf = acuut myocardinfarct
➢ Abnormaal = ST-segmentdepressie of negatieve T-top = ischemie
1
,Hartbewaking
Continue observatie met behup van gespecialiseerde bewakingsapparatuur aangesloten op
monitoringsystemen, deze geven een signaal bij gevaarlijke grensoverschrijdingen.
Monitorafleiding en elektrodenplaatsing
➢ Om van een monitor een hartritme te beoordelen, geeft afleiding II vrijwel altijd de beste
kwaliteit. Deze wordt dan ook het meest gebruikt.
➢ Afhankelijk van de bewakingsapparatuur is het mogelijk drie of vijf elektroden te bevestigen.
In geval van een 3-leads monitorkabel:
• De geaarde kabel plaats je in de buurt van de rechterclavicula
• De positieve elektrode thoracaal rechtsonder
• De negatieve elektrode thoracaal linksonder
In geval van 5 leads monitorkabel zijn de kleuren van de elektroden gestandaardiseerd en komen ze
overeen met die van het 12 afleidingen ECG
➢ De rode elektrode wordt rechts, hoog thoracaal geplaatst in de buurt van de schouder
➢ De gele elektrode wordt links, hoog thoracaal geplaatst in de buurt van de schouder
➢ De zwarte elektrode op de rechterheup
➢ De groene elektrode op de linkerheup
➢ De witte elektrode kan op een willekeurige plaats worden geplakt
Op de monitor kunnen zo de volgende afleidingen worden gekozen : I, II, III, AVR, AVL, AVF en een
afleiding overeenkomend met afleiding V1.
2
,Voor analyse van het hartritme moeten een aantal voorwaarden zijn voldaan, welke?
➢ De P-top (indien aanwezig) moet goed zichtbaar zijn.
➢ Men kiest voor de afleiding die het QRS-complex het grootst weergeeft en verkleint
vervolgens de hoogte (amplitude) van het complex. Hierdoor neemt de kans op storing af.
➢ De amplitude van het QRS-complex is afhankelijk van de afstand van de elektroden ten
opzichte van elkaar en ten opzichte van het hart.
➢ De P-toppen en de QRS-complexen worden zoveel mogelijk positief weergegeven. Een
positief weergegeven complex en P-top laten zich namelijk meestal gemakkelijk beoordelen.
Tegelijkertijd geven positief weergegeven QRS-complexen minder kans op foutmeldingen
van de monitor in het ‘tellen’ van de hartfrequentie.
➢ Bij voorkeur brengt men de elektroden niet aan in de buurt van wonden, insteekopeningen
van katheters en drains in verband met de kans op vochtlekkage. Ook is het belangrijk dat de
locatie van de elektrodenplaatsing niet bijdraagt aan een discomfortabele houding
(drukplekken, in de weg zittende draden, …) van de patiënt.
➢ De ECG-registratie moet zoveel mogelijk storingsvrij zijn. Dit bereikt men onder andere door
de elektroden op een kaal gedeelte van de huid te plakken. Verder moet de huid vetvrij en
droog zijn. De elektroden worden bij voorkeur niet op de extremiteiten aangebracht; vooral
bij wakkere patiënten is dit van belang.
Waarop letten bij het aansluiten van de pt op de bewakingsmonitor?
➢ De huid van de patiënt kan men van tevoren eventueel reinigen of ontvetten
➢ De elektroden aanbrengen en stevig aandrukken
➢ De kabels bevestigen; deze moeten vrij hangen, zodat er niet aan de elektroden wordt
getrokken. De meeste elektroden monden uit in een kabelblok waaraan zich een klem
bevindt die men aan de kleding van de patiënt of aan het bed kan bevestigen.
➢ Nu controleert men het ECG op goede zichtbaarheid van P-toppen, QRS-complexen en T-
toppen.
➢ Kies een afleiding en stel de grootte (amplitude) van de complexen in.
➢ Stel de alarmgrenzen in; dit kan afhankelijk van de apparatuur centraal, bedside of in een
combinatie van beide plaatsvinden. Indien de apparatuur is uitgerust met een
aritmiecomputer en/of ST-segmentbewaking, stelt men de gewenste alarmgrenzen en –
signalen in.
3
, Ritmebeoordeling
Hartfrequentie aflezen met behulp van 300-150-100-75- 60-50 regel.
Uitgaande van de geaccentueerde lijnen (afstand (mm = 0,20 sec.) kan men snel een indruk krijgen
van de frequentie.
➢ RR-afstand 1 groot hokje 300 slagen/minuut
➢ RR-afstand 2 grote hokjes 150 slagen/minuut
➢ RR-afstand 3 grote hokjes 100 slagen/minuut
➢ RR-afstand 4 grote hokjes 75 slagen/minuut
➢ RR-afstand 5 grote hokjes 60 slagen/minuut
➢ RR-afstand 6 grote hokjes 50 slagen/minuut
Aan de bovenrand van het ECG-papier zijn verticale streepjes aangebracht, die drie- seconden” –
intervallen aangeven.
Door twee van deze perioden van drie seconden te nemen, krijgen we een strook van 6 seconden.
4