Ik de leraar
H2: Je handelen verantwoorden
Het professionele verstaan:
• Beschrijving van je eigen zelfbeeld
• Een subjectieve evaluatie van je eigen functioneren
• De belangrijkste motiverende factoren voor jouw
beroepsuitoefening
• Verwachtingen over je toekomstperspectief
Subjectieve onderwijstheorie: een persoonlijk geheel van kennis en
opvattingen over onderwijzen. Hoe moet ik het doen en waarom zo?
De kinderen en jij als full partners. Wees jezelf net als de kinderen
dat zijn. Sluit aan bij hun behoeften en toon interesse.
H3: naar een ander paradigma
Veel leraren en andere professionals zoeken de oorzaak vaak buiten
hen zelf (extern).
Attribueren: oorzaak toeschrijven
Mensen attribueren wanneer het resultaat van hun inspanning
onverwacht is, negatief is, grote consequenties voor hen heeft of
volkomen nieuw is. Dit heeft drie oorzaken (Bernard Weiner):
1. zie je de oorzaak als iets van jezelf (intern) of als iets dat buiten
jezelf ligt (extern)?
2. Zie je de oorzaak als iets dat er altijd is (stabiel) of als iets dat
kan veranderen (variabel)?
3. Zie je de oorzaak als iets waar jij invloed op kunt uitoefenen
(beheersbaar) of ligt het totaal buiten jouw macht (onbeheersbaar)?
Dwecks onderzoek wijst uit dat mensen twee diametraal
verschillende zelfbeelden kunnen hebben:
⁃ Persoonlijke eigenschappen zijn nagenoeg stabiel, vaststaand
en onveranderlijk (entiteittheorie / fixed-mind-theory) Vaak
resultaatgericht.
, ⁃ Persoonlijke kwaliteiten zijn plooibaar en kneedbaar
(groeitheorie/growth mind-theory) Vaak gericht op het leren.
Tips voor leraren om zelfbeeld te bevorderen:
• Spreek kinderen zoveel mogelijk aan vanuit de groeitheorie.
• Richt de feedback op het proces en complimenteer de
inspanning of de leerstrategie.
• Leer kinderen dat het leuk is een uitdaging aan te gaan en te
zoeken naar passende strategieën.
• Breng kinderen liefde voor het leren bij.
Vraag jezelf: wat kan ik doen om de situatie te verbeteren? Ipv: wat
is er mis met de ander?
H4 Van wie is het kind?
Het kind is van zichzelf, maar heeft anderen om zich heen nodig om
zich te ontwikkelen. In relatie met anderen.
Zelfsturing:
Het is belangrijk om als opvoeder ervoor te zorgen dat kinderen zich
kunnen redden in de samenleving. Het is gebaseerd op
zelfvertrouwen en zelfwaardering. Dit leer je kinderen in interactie
met elkaar.
Waarden en normen:
Het kenmerk van een waarde is dat je die kunt beïnvloeden , maar
dat je er niet over beschikt. Zoals: kinderen die gelukkig zijn.
Het kenmerk van een norm is dat je er wel over kunt beschikken
(iemand aankijken, pet af etc.), maar dat die niets van waarde
garandeert.
Over wat we belangrijk vinden, kunnen we niet beschikken en waar
we over beschikken is niet zo belangrijk. Waardeer waar het kan en
normeer waar het moet. Waarderen > normeren.
Hechten en loslaten:
De uitdaging is om vaste, ingesleten patronen om te bouwen naar
patronen, die beter passen bij zijn ontwikkelingsstaat.
Je hebt geen oordeel over het kind, maar daalt af naar zijn
belevingswereld. Je neemt zijn perspectief in. Je spant je in om het
kind te 'worden' en aan te voelen. Vanaf dat punt is er
verbondenheid. Vanaf dat punt kan je be te r inschatten of je de
leerling losser kan laten of nog even dicht bij de invloedssfeer moet
houden.
Twee typen gehechtheidsrelaties:
H2: Je handelen verantwoorden
Het professionele verstaan:
• Beschrijving van je eigen zelfbeeld
• Een subjectieve evaluatie van je eigen functioneren
• De belangrijkste motiverende factoren voor jouw
beroepsuitoefening
• Verwachtingen over je toekomstperspectief
Subjectieve onderwijstheorie: een persoonlijk geheel van kennis en
opvattingen over onderwijzen. Hoe moet ik het doen en waarom zo?
De kinderen en jij als full partners. Wees jezelf net als de kinderen
dat zijn. Sluit aan bij hun behoeften en toon interesse.
H3: naar een ander paradigma
Veel leraren en andere professionals zoeken de oorzaak vaak buiten
hen zelf (extern).
Attribueren: oorzaak toeschrijven
Mensen attribueren wanneer het resultaat van hun inspanning
onverwacht is, negatief is, grote consequenties voor hen heeft of
volkomen nieuw is. Dit heeft drie oorzaken (Bernard Weiner):
1. zie je de oorzaak als iets van jezelf (intern) of als iets dat buiten
jezelf ligt (extern)?
2. Zie je de oorzaak als iets dat er altijd is (stabiel) of als iets dat
kan veranderen (variabel)?
3. Zie je de oorzaak als iets waar jij invloed op kunt uitoefenen
(beheersbaar) of ligt het totaal buiten jouw macht (onbeheersbaar)?
Dwecks onderzoek wijst uit dat mensen twee diametraal
verschillende zelfbeelden kunnen hebben:
⁃ Persoonlijke eigenschappen zijn nagenoeg stabiel, vaststaand
en onveranderlijk (entiteittheorie / fixed-mind-theory) Vaak
resultaatgericht.
, ⁃ Persoonlijke kwaliteiten zijn plooibaar en kneedbaar
(groeitheorie/growth mind-theory) Vaak gericht op het leren.
Tips voor leraren om zelfbeeld te bevorderen:
• Spreek kinderen zoveel mogelijk aan vanuit de groeitheorie.
• Richt de feedback op het proces en complimenteer de
inspanning of de leerstrategie.
• Leer kinderen dat het leuk is een uitdaging aan te gaan en te
zoeken naar passende strategieën.
• Breng kinderen liefde voor het leren bij.
Vraag jezelf: wat kan ik doen om de situatie te verbeteren? Ipv: wat
is er mis met de ander?
H4 Van wie is het kind?
Het kind is van zichzelf, maar heeft anderen om zich heen nodig om
zich te ontwikkelen. In relatie met anderen.
Zelfsturing:
Het is belangrijk om als opvoeder ervoor te zorgen dat kinderen zich
kunnen redden in de samenleving. Het is gebaseerd op
zelfvertrouwen en zelfwaardering. Dit leer je kinderen in interactie
met elkaar.
Waarden en normen:
Het kenmerk van een waarde is dat je die kunt beïnvloeden , maar
dat je er niet over beschikt. Zoals: kinderen die gelukkig zijn.
Het kenmerk van een norm is dat je er wel over kunt beschikken
(iemand aankijken, pet af etc.), maar dat die niets van waarde
garandeert.
Over wat we belangrijk vinden, kunnen we niet beschikken en waar
we over beschikken is niet zo belangrijk. Waardeer waar het kan en
normeer waar het moet. Waarderen > normeren.
Hechten en loslaten:
De uitdaging is om vaste, ingesleten patronen om te bouwen naar
patronen, die beter passen bij zijn ontwikkelingsstaat.
Je hebt geen oordeel over het kind, maar daalt af naar zijn
belevingswereld. Je neemt zijn perspectief in. Je spant je in om het
kind te 'worden' en aan te voelen. Vanaf dat punt is er
verbondenheid. Vanaf dat punt kan je be te r inschatten of je de
leerling losser kan laten of nog even dicht bij de invloedssfeer moet
houden.
Twee typen gehechtheidsrelaties: