Samenvatting Biologie Hoofdstuk 16 Sport
16.2 Spieren
Skeletspieren zijn opgebouwd uit bundels spiervezels, bestaande uit samensmelting van
honderden spiercellen. Elke bundel spiervezels is omgeven door bindweefsel, waarin
bloedvaten liggen. Op hun beurt bevatten de spiervezels langgerekte eiwitfilamenten
myofibrillen. Skeletspieren hebben dwarsgestreept spierweefsel door de lichte banden (I-
banden) en de donkere banden (A-banden). In het midden van elke I-band bevindt zich een
membraan, de Z-lijn. Tussen twee Z-lijnen heet het een sacromeer.
De impulsoverdracht op spiervezels gebeurt via een neuromusculaire synaps. Een
motorische eenheid: een groep spiervezels die op de impulsen van één axon reageren.
Na een impuls schuiven de Z-lijnen naar elkaar toe en neemt de lengte van de sacromeren af.
Dit komt door het motoreiwit myosine, die voor beweging kan zorgen. Door ATP en
ca2+ionen kan myosine aan het actinefilament trekken.
Om uit te rekken en dus de sacromeer te verlengen is de antagonist nodig.
Voor sprinten gebruikt met de snelle spiervezels. Snelle spiervezels splitsen de
myosinekoppen heel snel ATP. Deze vezels verbreken en ontstaan per tijdseenheid meer
verbindingen tussen de actinefilamenten en de myosinekoppen dan in de langzame
spiervezels.
Voor duurlopen gebruik je de langzame spiervezels. Duurlopers hebben ook lange
achillespezen, dit maakt het lopen efficiënter. Ook zijn hun spieren beter bestand tegen
afvalstoffen.
Door krachttraining kun je het spiervolume van de snelle spiervezels vergroten. Zo neemt de
spierkracht van de snelle spiervezels toe. Door duurtraining neemt het aantal vloedvaten
rondom de spiervezels toe. De aanvoer van zuurstof, glucose en afvoer van afvalstoffen
verloopt hierdoor beter, dit is goed voor een duurloper.
Het spierweefsel van het hart heet hartspierweefsel, bestaande uit dwarsgestreepte
spiervezels. Gapjunctions zorgen voor de gecoördineerde samentrekking van het hart. Elke
spiervezel heeft één celkern. Onder invloed van het autonoom zenuwstelsel.
Holle organen bestaan uit gladde spier met glad spierweefsel, bestaande uit enkelvoudige
spiercellen die niet met elkaar vergroeid zijn. Geen dwarsgestreept patroon. Na een impuls
trekt de cel aan alle kanten samen. Onder invloed het autonoom zenuwstelsel.
16.2 Spieren
Skeletspieren zijn opgebouwd uit bundels spiervezels, bestaande uit samensmelting van
honderden spiercellen. Elke bundel spiervezels is omgeven door bindweefsel, waarin
bloedvaten liggen. Op hun beurt bevatten de spiervezels langgerekte eiwitfilamenten
myofibrillen. Skeletspieren hebben dwarsgestreept spierweefsel door de lichte banden (I-
banden) en de donkere banden (A-banden). In het midden van elke I-band bevindt zich een
membraan, de Z-lijn. Tussen twee Z-lijnen heet het een sacromeer.
De impulsoverdracht op spiervezels gebeurt via een neuromusculaire synaps. Een
motorische eenheid: een groep spiervezels die op de impulsen van één axon reageren.
Na een impuls schuiven de Z-lijnen naar elkaar toe en neemt de lengte van de sacromeren af.
Dit komt door het motoreiwit myosine, die voor beweging kan zorgen. Door ATP en
ca2+ionen kan myosine aan het actinefilament trekken.
Om uit te rekken en dus de sacromeer te verlengen is de antagonist nodig.
Voor sprinten gebruikt met de snelle spiervezels. Snelle spiervezels splitsen de
myosinekoppen heel snel ATP. Deze vezels verbreken en ontstaan per tijdseenheid meer
verbindingen tussen de actinefilamenten en de myosinekoppen dan in de langzame
spiervezels.
Voor duurlopen gebruik je de langzame spiervezels. Duurlopers hebben ook lange
achillespezen, dit maakt het lopen efficiënter. Ook zijn hun spieren beter bestand tegen
afvalstoffen.
Door krachttraining kun je het spiervolume van de snelle spiervezels vergroten. Zo neemt de
spierkracht van de snelle spiervezels toe. Door duurtraining neemt het aantal vloedvaten
rondom de spiervezels toe. De aanvoer van zuurstof, glucose en afvoer van afvalstoffen
verloopt hierdoor beter, dit is goed voor een duurloper.
Het spierweefsel van het hart heet hartspierweefsel, bestaande uit dwarsgestreepte
spiervezels. Gapjunctions zorgen voor de gecoördineerde samentrekking van het hart. Elke
spiervezel heeft één celkern. Onder invloed van het autonoom zenuwstelsel.
Holle organen bestaan uit gladde spier met glad spierweefsel, bestaande uit enkelvoudige
spiercellen die niet met elkaar vergroeid zijn. Geen dwarsgestreept patroon. Na een impuls
trekt de cel aan alle kanten samen. Onder invloed het autonoom zenuwstelsel.