Pre analystische variabelen
Labo onderzoeken worden aangevraagd om een diagnose te stellen van een ziekte, om het verloop
op te volgen, om een ziekte op te sporen bij schijnbaar gezonde pten.
Ziekte is niet de enige oorzaak van abnormale laboresultaten. Er zijn afwijkingen die wijzen op een
“normale” fysiologische verandering, die bij iedereen voorkomt in bepaalde omstandigheden. De
waarden komen hierdoor buiten de referentiewaarden te liggen maar wijzen niet op een pathologie
(bv: glucosespiegel zal gestegen zijn na een maaltijd)
De afwijkingen die een rol spelen zonder naar de pathologie te verwijzen noemt men de pre
analytische variabelen, deze kunnen het gevolg zijn van verschillende mechanismen:
Fysiologische veranderingen
Nuchter of niet nuchter
Gehospitaliseerd of ambulant
Na beweging of na rust
Liggend of zittend
Veranderingen tijdens de staalafname
Manier van staalafname
Oorsprong van het staal
Analysetechniek
Bewaring
Storende elementen tijdens het onderzoek
Geneesmiddelen
Tabak
Alcohol
1
, Fysiologische veranderingen
Niet representatieve referentiewaarden
Het is belangrijk te bedenken dat referentiewaarden opgemaakt zijn voor een bepaalde populatie.
Referentiewaarden dienen dus endemisch te zijn aan de groep waartoe de patiënt(e) behoort. Een
individu dat niet tot deze populatie behoort kan andere normaalwaarden hebben. Verschillen in
geslacht, leeftijd, ras vragen dan ook overeenkomstige referentiewaarden.
Dieet
Effect van voedselinname
Het is duidelijk dat substanties die geabsorbeerd worden uit voedsel na een maaltijd in hogere
concentratie in het bloed aanwezig zijn dan bij nuchtere personen. Andere substanties, die gebruikt
worden bij het metabolisme (fosfaat), of veranderen tengevolge van het metabolisme (kalium),
zullen dalen.
Glucose komt binnen de twee uur na de maaltijd terug tot de basale waarde. Triglyceriden kunnen
verhoogd blijven tot acht uur na inname van een vetrijke maaltijd. Al deze complexe veranderingen
maken het evalueren van de resultaten moeilijk, en het is dan ook beter alle bloedafnames nuchter
te doen.
Effect van langdurig vasten
Bij langdurig vasten (> 24 uur) zullen er veranderingen optreden. Men ziet een stijging van het
bilirubine, een daling van eiwitten, vetten, kalium en magnesium. Ook de verschillende hormonen
veranderen (stijgen of dalen). Cholesterol kan stijgen of dalen bij vasten.
Ritmische veranderingen
Gedurende de dag
Diurnale veranderingen staan meestal onder invloed van de hypothalamus - hypofyse. Ze zijn het
meest opvallend bij endocrinologische testen (zowat alle hormonen vertonen veranderingen
gedurende de dag). Bovendien worden hormonen meestal in “spikes” afgescheiden, zodat zeer snelle
veranderingen kunnen optreden. De andere substanties (niet hormonen) vertonen weinig variatie in
de loop van de dag. Van zure fosfatasen (hoger in de namiddag) en van ijzer (hoger ’s morgens) is
geweten dat ze veranderingen ondergaan.
Menstruele cyclus
Geslachtshormonen volgen de menstruele cyclus (of omgekeerd). Maar ook andere producten
kunnen wijzigingen ondergaan in de loop van de maand: cholesterol is tot 20% lager in de luteale
fase, bijniersteroïden en catecholamines zijn hoger na de ovulatie. Prolactine en
parathyroïdhormoon zijn het hoogst op het ogenblik van de eisprong.
Jaarlijkse schommelingen
Vitamine D en caroteen zijn afhankelijk van de hoeveelheid zonlicht, maar ook andere producten
kunnen schommelingen ondergaan tijdens het jaar. Mogelijk het gevolg van veranderende
voedingsgewoonten in de loop van het jaar, maar er is ongetwijfeld ook een endogene regulatie van
een aantal substanties. Men weet dat oxalaat stijgt in het voorjaar en de voorzomer. TSH stijgt meer
na toediening van TRH in de zomer.
Deze wijzigingen tijdens het jaar zijn meestal zeer beperkt, en vaak kleiner dan de variaties
gedurende de dag.
2
, Inspanning en stress
Houding
Men kan de rechtstaande houding moeilijk een “inspanning” noemen, maar het effect op
laboratoriumresultaten is niettemin belangrijk. Bij rechtstaande houding stijgt de hydrostatische druk
in de onderste ledematen, er is minder terugkeer van extravasale vloeistoffen naar de bloedvaten en
men ziet dan ook een relatieve hemoconcentratie van 5-10%. Eiwitten blijven in de bloedvaten, en
men ziet een verhoging van de eiwitten en eiwitgebonden substanties (geneesmiddelen, calcium,
ijzer, steroïden, schildklierhormonen vetten). Vermindering van het intravasculair volume
veroorzaakt veranderingen van de hormonen die instaan voor de volumeregeling.
Bij inspanning komen een aantal bestanddelen uit de spieren extracellulair terecht. Bij zware langer
durende inspanning komt men tot anaerobe glycolyse met productie van lactaat. Urinezuur stijgt
(verminderde renale uitscheiding). Spierenzymes zijn gestegen (CK, LDH, AST (SGOT)). Frequente
hevige inspanning doet de hormonenspiegel veranderen: vrouwelijke marathonlopers hebben een
gedaalde productie van gonadotrofines (geslachtshormonen ↓) en gaan soms over tot een fase van
amenorroe.
Acute ziekte
Bij acute stress ten gevolge van een ziekte is er steeds een duidelijke stijging van de
“stressafhankelijke” hormonen zoals glucocorticoïden, catecholamines en ACTH. Andere hormonen
dalen: gonadotrofines, aldosterone, TSH, T3, LDL-cholesterol zakt tot 40%. Bovendien is er een
stijging van de “acute fase” eiwitten zoals CRP, haptoglobine en fibrinogeen. Er zijn (zeer) uitgebreide
lijsten bekend met het effect van ziekten op laboratoriumwaarden.
Mentale stress
Bij sommige psychiatrische pathologieën bestaan er allerhande hormonale afwijkingen
(waarschijnlijk ten gevolge van de veranderde concentraties aan neurotransmittors in de hersenen).
Ontwenningsverschijnselen (na alcohol of drug abusis) gaan gepaard met veranderingen in de
laboratoriumresultaten. Bij patiënten die opgenomen worden voor coronarografie liggen de HDL-
cholesterol waarden significant lager ten gevolge van stress.
Zwangerschap
Vergroting van het extracellulair volume veroorzaakt een daling van eiwitten, eiwitgebonden
bestanddelen en cellen. Ook renine en aldosterone dalen. Schildkliertesten zijn soms moeilijk te
interpreteren door stimulatie van de schildklier door HCG en TBG. Sommige substanties worden door
de placenta aangemaakt, en komen in de moederlijke circulatie: alkalische fosfatasen en CK-BB.
Geneesmiddelen
De effecten van geneesmiddelen op laboratoriumtesten zijn beschreven en lijsten met interferenties
zijn gepubliceerd. Bij het interpreteren van ongewone uitslagen is het zeker aangewezen de
medicatie van de patiënt na te kijken. Voorbeeld: Tricyclische antidepressiva worden geabsorbeerd
in de rubber van vacuümtubes of in de gel die gebruikt wordt voor de scheiding van serum en cellen.
Roken
Roken heeft een effect op verschillende laboratoriumtesten dit door actie van nicotine: glucose en
catecholamines stijgen. Groeihormoon kan tot 10 maal stijgen na het roken van een sigaret.
Eveneens stijgt de concentratie carboxyhemoglobine.
3
, Veranderingen tijdens de staalafname
De oorsprong van het staal
Bloed afgenomen in een arterie, vene of capillair heeft een verschillende samenstelling. Bij goede
doorbloeding lijkt capillair bloed veel op arterieel bloed, bij slechte doorbloeding op veneus bloed. Bij
zijn passage door de capillairen geeft bloed voedingsproducten af aan de weefsels (glucose, zuurstof)
en neemt afvalproducten op (lactaat, ammoniak, CO2).
Bij slechte doorbloeding wordt meer glucose en zuurstof onttrokken, meer lactaat en ammoniak
toegevoegd. Over het algemeen is veneus bloed echter vergelijkbaar met arterieel bloed voor de
meeste substanties.
Effect van knelband
Het gebruik van een knelband bij een bloedafname veroorzaakt hemoconcentratie met stijging van
lactaat en ammoniak.
Intraveneuze vloeistoffen
Bloed afgenomen aan dezelfde zijde als een perifeer infuus is meestal vermengd met de toegediende
vloeistof en mag NIET gebruikt worden.
Bloed afnemen voor hematologische onderzoeken via een intraveneuze katheter is aanvaardbaar
enkel bij het plaatsen van de katheter en wanneer de eerste bloedtube vernietigd wordt.
Wanneer geneesmiddelen worden toegediend via de katheter worden deze niet verwijderd in het
bloedstaal ondanks dat men de eerste bloedtube vernietigt. Adhesie zorgt ervoor dat restanten van
deze middelen aan de katheter blijven kleven. bijvoorbeeld: stollingstesten zijn waardeloos omwille
van heparinesporen die achterblijven in het lumen van de katheter.
Hemolyse
Hemolyse kan een gevolg zijn van turbulenties bij bloedafname. Bij hemolyse worden intracellulaire
bestanddelen vrijgemaakt (LDH, kalium, magnesium, fosfaat). Het vrijgekomen hemoglobine
interfereert bij kleurmetingen.
Bewaarmiddelen en antistollingsmiddelen
Bewaarmiddelen en antistollingsmiddelen kunnen de oorzaak zijn van allerhande problemen:
bepaalde substanties moeten worden afgenomen op een bepaald bewaarmiddel, anderen mogen
niet op die manier worden afgenomen.
Verkeerde identificatie
Verkeerde identificatie van de patiënt is de belangrijkste foutenbron bij laboratoriumonderzoeken.
De kans op fouten kan verminderd worden door alle bloedtubes ‘bedsite’ te identificeren en de
identiteit van de patiënt te controleren voor de bloedafname.
4
, Veranderingen na de bloedafname
“Pocket syndroom”
De benaming komt van de praktijk dat sommige gezondheidsmedewerkers (verpleegkundigen en
dokters) die bloed afnemen, de bloedtubes in hun zakken stoppen, ermee rondlopen, het staal
vergeten en het staal te laat weer opmerken. Bij langdurige bewaring op kamertemperatuur ziet men
een stijging van ammoniak, lactaat en een daling van catecholamines. Glucose wordt verbruikt (3-5%
/ uur). Nadat glucose volledig verbruikt is lekken de intracellulaire bestanddelen naar buiten (LDH,
AST (SGOT), kalium, magnesium) en stijgt fosfaat (omzetting ATP naar ADP). Bij bewaring in de
koelkast wordt glycolyse geïnhibeerd, maar verbruik van ATP veroorzaakt een snelle stijging van
kalium, fosfor, LDH, AST, magnesium.
Conditionering en transport van het staal
Bloed, en andere lichaamsvochten, zijn niet stabiel. Sommige substanties worden snel afgebroken,
van andere neemt de concentratie toe na de afname. De beste methode om scheeftrekkingen te
voorkomen is het lichaamsvocht zo snel mogelijk laten analyseren. Voor sommige parameters zijn
daarenboven bijzondere maatregelen vereist, bv. het staal onmiddellijk in ijswater plaatsen en op die
manier naar het laboratorium brengen (bv. ammoniak).
Veranderingen bij patiënten met bloedziekten
o Verhoogd aantal thrombocyten
Bij het stollen van bloed komt kalium vrij uit de bloedplaatjes.
o Verhoogd aantal leukocyten
Witte bloedcellen zijn metabool veel actiever dan RBC, verbruiken meer glucose en bij zeer hoge
leukocytosis daalt de glucosespiegel binnen het uur. Bij hoge lymfocytosis veroorzaakt heparine
cellysis met stijging van kalium.
Chemische interferenties
Behalve hun fysiologisch effect kunnen bepaalde geneesmiddelen ook interfereren in de chemische
reactie gebruikt bij de bepaling van de bloedbestanddelen: bij de bepaling van creatinine krijgt men
een verhoogde waarde voor ketonen (afbraakproduct van het lipidenmetabolisme bij diabetes of bij
gebruik van Cefalosporines (antibiotica – Cefacidal / Cefazoline)
Nieuwe bepalingsmethoden hebben deze interferenties sterk doen dalen.
5