1.1 DESTEP
De marktomgeving bestaat uit alle factoren die invloed hebben op de afzet- en
omzet-mogelijkheden van een bedrijf. We onderscheiden drie niveaus van
marktomgeving:
1. Microniveau
2. Mesoniveau
3. Macroniveau
De macro-omgeving van een bedrijf bestaat uit factoren en ontwikkelingen in de
maatschappij die van invloed kunnen zijn op de afzetmogelijkheden en de keuze van
de doelgroepen.
We kunnen de macro-omgeving als volgt onderverdelen:
- Demografische omgeving
- Economische omgeving
- Sociaal-culturele omgeving
- Technologische omgeving
- Ecologische omgeving
- Politieke omgeving
Economische ontwikkelingen leiden niet meteen tot nieuwe behoeften of
doelgroepen. Ze bepalen echter de randvoorwaarden voor het koopgedrag van
consumenten, bedrijven en overheid. In tijden met een trendmatige economische
groei (2,5% per jaar) kunnen consumenten steeds meer goederen en diensten kopen
en kunnen zij dus in meer behoeften voorzien. Een redelijke economische groei is
dus van levensbelang voor bedrijven omdat hun afzet daarvan afhankelijk is. Het
vormt dus een randvoorwaarde.
Voor bedrijven is het dus van groot belang om de macro-economische
ontwikkelingen op de voet te volgen. Regeren is vooruitzien. Het is dus erg belangrijk
voor ze om verwachtingen met betrekking tot macro-economische factoren, zoals de
economische groei, de werkloosheid, etc. te kunnen inschatten.
2) Macro-economie: aanbod, conjunctuur en inflatie
2.1 Bruto binnenlands product en economische groei
Als er flinke economische groei plaatsvindt, neemt de koopkracht van veel
consumenten normaal gesproken toe. Meer inzicht in de macro-economie is dus van
belang bij het maken van bestedingsbeslissingen. Daarbij zijn ook macro-
economische verwachtingen van groot belang.
De macro-economie bestudeert de economische samenhangen in een heel land.
Men bestudeert geaggregeerde (= opgetelde) economische grootheden, zoals de
totale consumptie, de totale besparingen, de totale investeringen, de totale export en
de goederenmarkt. Verder wordt onder andere de totale werkgelegenheid en de
daarmee samenhangende werkloosheid bestudeerd, de arbeidsmarkt. Tot slot is de
vermogensmarkt van belang: het aanbod van en de vraag naar geld.
, Er bestaat een wisselwerking tussen economische groei en de bestedingen: een
lagere economische groei leidt tot een lagere groei van het inkomen. Het
omgekeerde geldt echter ook: lagere bestedingen leiden tot een lagere economische
groei.
Reële bruto binnenlands product (BBP): de totale productie van goederen en
diensten van een land.
De optelsom van de productie van bedrijven en van de overheid.
Product = inkomen – de waarde van de productie is precies gelijk aan het
inkomen als beloning van de productiefactoren.
Reële bruto product = reële bruto inkomen
Economische groei: de groei van het reële BBP.
Recessie: wanneer de economische groei minstens twee kwartalen achter elkaar
negatief is.
Nominale BBP: het BBP in geldeenheden (euro’s, dollars, etc.)
Het BBP wordt bepaald door de aanbod- en vraagkant van de economie.
2.2 Aanbodzijde van de goederenmarkt
De aanbodkant van de economie bepaalt de productiecapaciteit, oftewel de
maximale productie die kan worden bereikt, dus het maximaal te bereiken reële BBP.
Goederen en diensten worden geproduceerd met een combinatie van de
productiefactoren arbeid, kapitaal, natuur en ondernemerschap.
De personen of instellingen die de productiefactoren leveren, worden daarvoor
betaald.
Beloningen
Arbeid > loon
Kapitaal > intrest en huur
Natuur > pacht
Ondernemerschap > winst
De aanbodkant geeft de voorwaarden weer om tot een redelijke economische groei
te kunnen komen. Een van die voorwaarden is dat de productiecapaciteit stijgt in de
loop van de tijd. De productiecapaciteit en de groei daarvan wordt op zijn beurt
bepaald door de kwantiteit en de kwaliteit van de productiefactoren.
2.3 Vraagzijde van de goederenmarkt
De vraagkant van de economie handelt over de bestedingen van consumenten (C),
bedrijven (I), de overheid (O), de export (E) en de import (M).
C = consumptie van gezinnen
I = investeringen van bedrijven (kapitaalgoederen, machines en bedrijfsruimtes)
O = overheidsbestedingen (overheidsconsumptie en -investeringen)
E = export van goederen en diensten
M = import van goederen en diensten