Metabolisme
Module 1 : Biomoleculen
Water (H2O) is het meest voorkomende biomolecule in het menselijk lichaam.
- 70% van de lichaamsmassa
- Ioniseert met H+ of OH- (zuurbase eigenschappen)
=> AMFIPATISCH
- Hoge warmtecapaciteit
=> stabiele lichaamstemperatuur
- Hydrofiele moleculen: sterke interacties
=> oplossing in water
- Hydrofobe moleculen: zwakke interacties
=> vetdruppels en membranen
1.1 Koolhydraten
Suikers liggen niet gecodeerd in genoom => WEL enzymen die suikers aanmaken
Bouwstenen Monosachariden
Bindingen Glycosidebinding
Belang Voeding, metabolisme, biomedische toepassingen
¨ Stereochemie
Koolhydraat = OH op C-atoom
D-glucose = OH aan de rechterkant op C5
Chiraal C-atoom = C met 4 verschillende groepen gebonden
-> hemiacetaalbinding (ring) creëert chiraal centrum
Alpha-anomeer = OH a/d onderkant
Beta-anomeer = OH a/d bovenkant
1
, 1.1.1 Disacchariden
¨ Sucrose (suiker)
= glucose + fructose => 𝛼 (1->2)
- Sucroseverbruik: caries, obesitas, diabetes
¨ Lactose (melksuiker)
= glucose + galactose => 𝛽 (1->4)
- Belangrijkste suiker in moedermelk, koemelk
¨ Maltose
= glucose + glucose => 𝛼 (1->4)
- Tussenproduct in spijsvertering van zetmeel
- Bierproductie (mouten)
1.1.2 Oligosacchariden
= klein aantal (3-9) monosaccharide-eenheden gekoppeld
¨ Glycoproteinen
= oligomeren (suikerbomen) + eiwitten
o O-gebonden of N-gebonden
o Belang voor structuur van membranen
o Wordt herkent door afweersysteem (als lichaamseigen of lichaamsvreemd)
1.1.3 Polysacchariden
2 soorten:
- Structuurgevende (chitine, cellulose, hyaluronzuur, heparine)
- Energieoplsag (zetmeel, glycogeen, dextranen)
1.1.3.1 Structuurgevende moleculen
Stevigheid -> H-brug tussen 0-atoom en OH-groep
¨ Chitine (dieren)
= GlcNac + GlcNac 𝛽 (1->4)
o Exoskelet (insecten)
o Pantser (schaaldieren)
¨ Cellulose (planten)
= glucose + glucose 𝛽 (1->4)
o Celwanden
o Houtvezels
2
Module 1 : Biomoleculen
Water (H2O) is het meest voorkomende biomolecule in het menselijk lichaam.
- 70% van de lichaamsmassa
- Ioniseert met H+ of OH- (zuurbase eigenschappen)
=> AMFIPATISCH
- Hoge warmtecapaciteit
=> stabiele lichaamstemperatuur
- Hydrofiele moleculen: sterke interacties
=> oplossing in water
- Hydrofobe moleculen: zwakke interacties
=> vetdruppels en membranen
1.1 Koolhydraten
Suikers liggen niet gecodeerd in genoom => WEL enzymen die suikers aanmaken
Bouwstenen Monosachariden
Bindingen Glycosidebinding
Belang Voeding, metabolisme, biomedische toepassingen
¨ Stereochemie
Koolhydraat = OH op C-atoom
D-glucose = OH aan de rechterkant op C5
Chiraal C-atoom = C met 4 verschillende groepen gebonden
-> hemiacetaalbinding (ring) creëert chiraal centrum
Alpha-anomeer = OH a/d onderkant
Beta-anomeer = OH a/d bovenkant
1
, 1.1.1 Disacchariden
¨ Sucrose (suiker)
= glucose + fructose => 𝛼 (1->2)
- Sucroseverbruik: caries, obesitas, diabetes
¨ Lactose (melksuiker)
= glucose + galactose => 𝛽 (1->4)
- Belangrijkste suiker in moedermelk, koemelk
¨ Maltose
= glucose + glucose => 𝛼 (1->4)
- Tussenproduct in spijsvertering van zetmeel
- Bierproductie (mouten)
1.1.2 Oligosacchariden
= klein aantal (3-9) monosaccharide-eenheden gekoppeld
¨ Glycoproteinen
= oligomeren (suikerbomen) + eiwitten
o O-gebonden of N-gebonden
o Belang voor structuur van membranen
o Wordt herkent door afweersysteem (als lichaamseigen of lichaamsvreemd)
1.1.3 Polysacchariden
2 soorten:
- Structuurgevende (chitine, cellulose, hyaluronzuur, heparine)
- Energieoplsag (zetmeel, glycogeen, dextranen)
1.1.3.1 Structuurgevende moleculen
Stevigheid -> H-brug tussen 0-atoom en OH-groep
¨ Chitine (dieren)
= GlcNac + GlcNac 𝛽 (1->4)
o Exoskelet (insecten)
o Pantser (schaaldieren)
¨ Cellulose (planten)
= glucose + glucose 𝛽 (1->4)
o Celwanden
o Houtvezels
2