1. Wat wordt verstaan onder het behoefteprincipe?
a) Hoog risico patiënten hebben het meest baat bij een intensievere behandeling
b) Alleen de factoren die samenhangen met vermindering van recidive zouden
tijdens de behandeling moeten worden aangepakt
c) Interventies zouden moeten worden afgestemd op de kwaliteit van de dader.
2. Welke voorspeller valt niet onder The Big Four criminogenic needs
a) Geschiedenis van antisociaal gedrag
b) Antisociaal persoonlijkheidsstoornis
c) Drugsgebruik
3. Welke stelling over de AUC is juist?
a) Het is een prospectieve maat
b) Het wordt niet beïnvloed door base rate
c) Het geeft de kans aan dat een willekeurige recidivist een lagere score krijgt dan
een willekeurige niet-recidivist
4. StatRec is een instrument van de:
a) 2e generatie
b) 3e generatie
c) 4e generatie
5. Waarop is een gestructureerd klinisch oordeel gebaseerd?
a) Klinisch oordeel
b) Combinatie van een klinisch oordeel en actuarieel instrument
c) Een actuarieel instrument
6. De SAPROF is een instrument van de:
a) 2e generatie
b) 3e generatie
c) 4e generatie
7. Wat is niet waar met betrekking tot statistische factoren
a) Ze zijn niet behandelbaar
b) Het geeft een beeld van het basisrisico
c) Zijn veranderbaar over tijd
8. Waar valt dronkenschap en negatieve stemming onder?
a) Statistische factoren
b) Stabiele, dynamische risicofactoren
c) Acute, dynamische risicofactoren
, 9. Wat wordt verstaan onder een convergente aanpak?
a) Een combinatie van een actuarieel instrument en een gestructureerd klinisch
oordeel
b) Een combinatie van een actuarieel instrument en een dynamisch instrument
c) Een combinatie van gestructureerd klinisch oordeel en casemanagement
10. Welke stijl heeft geen associatie met antisociaal gedrag?
a) Autoritaire ouderschapsstijl
b) Permissieve/toegeeflijke ouderschapsstijl
c) Autoratieve/ gezaghebbende ouderschapsstijl
11. Wat is geen gevolg van opgroeien zonder de aanwezigheid van (een van) beide
biologische ouders)
a) Agressief/ vijandig gedrag
b) Verminderde cognitieve en sociale vaardigheden om met situaties om te gaan
c) Beperkte mogelijkheid om te leren omgaan met leeftijdsgenoten en te praten over
problemen
12. Wat is een voorspeller van latere delinquentie met betrekking tot opvoedkundig milieu
a) Slechte kwaliteit in de dagopvang
b) Blootstelling aan lange uren in de dagopvang in de kindertijd
c) Minder sensitieve moeder-kind interacties
13. Waar zorgen cognitieve vaardigheden als beschermende factor voor?
a) Verhoogde zelfbeheersing of sociale informatieverwerking
b) Het goed om kunnen gaan met situaties en het begrijpen van anderen
c) En lage waarschijnlijkheid van geweld
14. Wat valt niet onder extra-familiale beschermende factoren?
a) Goede banden met ten minste 1 ouder
b) School
c) Leeftijdsgenoten
15. Uit welke subschalen bestaat de Savry?
A) Historisch risico, contextueel risico, individueel risico en beschermende factoren
B) Veerkracht, motivatie, relatie, extern
C) Geweld, opzettelijkheid en risico