Samenvatting videocollege’s onderzoeksontwerp
Bedrijfskunde jaar 2 – RUG
Videocollege H1
Toegepast bedrijfskundig onderzoek
Probleem -managementvraag: een organsatiespecifiek vraagstuk
Doel - praktisch: uitkomsten genereren dmv onderzoek die bijdragen aan de oplossing voor de
organisatie, maar die alleen geldig zijn in de context van deze organisatie
Toepassing - direct: uitkomsten zijn direct toepasbaar in diezelfde praktische context
Fundamenteel bedrijfskundig onderzoek
Probleem - research gap: een kennisprobleem in literatuur
Doel - intellectueel/acadmisch: dmv onderzoek wetmatigheden vinden over hoe organisaties
opereren en hiermee bijdrage leveren aan het vakgebied
Toepassing - indirect: uitkomsten dragen vaak indirect bij aan toepassingen in de prakijk
(soms wel direct)
Soorten onderzoek
Rapportage onderzoek
Descriptief onderzoek
Verklarend onderzoek
Voorspellend onderzoek
Ontwerpend onderzoek
1. Rapportage onderzoek blijft het dichtst bij verzamelde en gepresenteerde feiten. Vaak worden
in rapportage onderzoek bestaande onderzoek/databases gebruikt. Daaruit belangrijkste
informatie presenteren om onderzoeksvraag te beantwoorden. Onderzoeker hoeft de cijfers
verder niet te interpreteren.
2. Descriptief onderzoek gaat om beschrijvende kennis. Aanleiding zijn vaak onderzoeksvragen
die beginnen met wat, wie, wanneer, waar & hoe. Gaat verder qua gevoltrekkingen in
vergelijking met rapportage onderzoek. Gedurende het onderzoek worden gevolgtrekkingen
gedaan aan de hand van logica en interpretaties. Cijfers spreken niet voorzich (zoals in
rapportage onderzoek). Je krijgt echter geen verklaringen boven tafel voor hetgeen dat
beschreven is.
3. Verklarend onderzoek gaat het om waarom & hoe onderzoeksvragen. In vergelijking met
andere 2 moet je meer moeite doen om feiten tot verklarende conclusie te komen. Theorie
gebruiken om tot hypothesen te komen **en verklaringen toetsen. Andere manier om veel data
te verzamelen en patronen te herkennen.
4. Voorspellend onderzoek is beetje zelfde als verklarend onderzoek. Grootste sprong van feiten
worden naar conclusies gemaakt. Rol van gebruik van theorie is het grootst. En hoge mate van
gevolgtrekking.
5. Ontwerpend onderzoek (ook wel normatief of prescriptief) heeft als doel om oplossing te
ontwikkelen voor context specifiek probleem. Overtreffende trap van verklarend en
voorspellend onderzoek. Bouwt sterk voort op theorie en daarnaast speelt werking na
voorgestelde onderwerp in de praktijk een rol. Gewenste effect? Wordt het probleem opgelost?
Werkt het ontwerp ook bij vergelijkbaar probleem in een andere context?
,Hoe bereik je het onderzoekdoel?
Door middel van onderzoek dat zowel:
1. systematisch is;
2. gecontrolleerd is;
3. empirisch is;
4. en kritisch is;
Bedrijfskundig onderzoek valt onder de sociale wetenschappen.
Belangrijkste perspectieven/filosofieën voor bedrijfskundig onderzoek
Positivisme (meest gebruikte)
Interpretivisme
Realisme
Wat is de aard van de werkelijkheid? (ontologie)
1. Positivsme: er bestaat een externe werkelijkheid die objectief en onafhankelijk waar te nemen
is.
2. Interpretivisme: realiteit is sociaal geconstrueerd en subjectief waarneembaar.
3. Realisme: er bestaat een objectieve werkelijkheid, onafhankelijk van menselijke waarnemen
en gedrag (op macro-niveau), maar interpretatie is wel gevoelig voor subjectiviteit (op micro-
niveau)
Wat is acceptabele kennis? (epistemologie)
1. P: alleen feiten, hetgeen onafhankelijk geobserveerd kan worden kan leiden tot kennis.
Fenomenen moeten worden versimpeld en gereduceerd voor gevolgtrekkingen.
2. I: subjectieve interpretaties van mensen over fenomenen, de betekenis hiervan en de details
van de situatie waarin dit gebeurt.
3. R: onderzoek op basis van feiten; hetgeen onafhankelijk geobserveerd kan worden. Maar ook
onderzoek naar hoe mensen betekenis geven aan hun directe omgeving in een bepaalde
context.
Wat is de rol van waardes? (axiologie)
1. P: onderzoek is geheel waardevrij. De onderzoeker is onafhankelijk en objectief.
2. I: de onderzoeker brengt zijn of haar waardes in het onderozke. Dus subjectief, niet-
onafhankelijk.
3. R: de onderzoeker brengt zijn of haar in het onderzoek. Dus subjectief, niet-ofhankelijk.
Positivisme:
Operationalisatie en data: voorkeur voor kwanitatief onderzoek. 1 manier van meten.
Verschillende onderzoekers zouden tot dezelfde observatie moeten komen (onderzoekers
moeten objectief en onafhankelijk zijn)
Doel en generalisatie: Statistische generalisatie. Voldoende bewijs, representatieve
steekproeven om uitspraken te doen over bepaald fenomeen in een bepaalde populatie.
(Steekproefgroottes > 100)
Interpretivisme:
Operationalisatie en data: Kwanitatief-kwalitatief. Meerdere manieren en bronnen om te
meten. Elke onderzoeker kan tot een andere meting komen (dit wordt geaccepteerd).
Doel en generalisatie: Kwantiteit =/ kwaliteit. Goede uitvoering en gedetaileerde beschrijving
= diepte ingegaan. Werkt niet met grote steekproef. Generaliseerbaarheid minder relevant.
, Inductief onderzoek
Obervaties vormen de basis
Data → theorie
Bouwen van nieuwe theorieën en daarmee de basis voor nieuwe conceptuele modellen
Deductief onderzoek
Beginnen met theorie en inzichten uit de literatuur → conceptueel model bouwen & hypthoses
toetsen
Theorie → data
Theorie (adhv conceptuele modellen en hypotheses) toetsen
Reflectieve redenatie
Obeservaties worden gebruikt om toetsbare conclusies te genereren
Data ↔ theorie
Combinatie van exploreren (inductie) en toetsen (deductie)
Combinatie van bouwen en toeysen; theorie uitbreiden waar nodig
Videocollege 2
Bedrijfskunde jaar 2 – RUG
Videocollege H1
Toegepast bedrijfskundig onderzoek
Probleem -managementvraag: een organsatiespecifiek vraagstuk
Doel - praktisch: uitkomsten genereren dmv onderzoek die bijdragen aan de oplossing voor de
organisatie, maar die alleen geldig zijn in de context van deze organisatie
Toepassing - direct: uitkomsten zijn direct toepasbaar in diezelfde praktische context
Fundamenteel bedrijfskundig onderzoek
Probleem - research gap: een kennisprobleem in literatuur
Doel - intellectueel/acadmisch: dmv onderzoek wetmatigheden vinden over hoe organisaties
opereren en hiermee bijdrage leveren aan het vakgebied
Toepassing - indirect: uitkomsten dragen vaak indirect bij aan toepassingen in de prakijk
(soms wel direct)
Soorten onderzoek
Rapportage onderzoek
Descriptief onderzoek
Verklarend onderzoek
Voorspellend onderzoek
Ontwerpend onderzoek
1. Rapportage onderzoek blijft het dichtst bij verzamelde en gepresenteerde feiten. Vaak worden
in rapportage onderzoek bestaande onderzoek/databases gebruikt. Daaruit belangrijkste
informatie presenteren om onderzoeksvraag te beantwoorden. Onderzoeker hoeft de cijfers
verder niet te interpreteren.
2. Descriptief onderzoek gaat om beschrijvende kennis. Aanleiding zijn vaak onderzoeksvragen
die beginnen met wat, wie, wanneer, waar & hoe. Gaat verder qua gevoltrekkingen in
vergelijking met rapportage onderzoek. Gedurende het onderzoek worden gevolgtrekkingen
gedaan aan de hand van logica en interpretaties. Cijfers spreken niet voorzich (zoals in
rapportage onderzoek). Je krijgt echter geen verklaringen boven tafel voor hetgeen dat
beschreven is.
3. Verklarend onderzoek gaat het om waarom & hoe onderzoeksvragen. In vergelijking met
andere 2 moet je meer moeite doen om feiten tot verklarende conclusie te komen. Theorie
gebruiken om tot hypothesen te komen **en verklaringen toetsen. Andere manier om veel data
te verzamelen en patronen te herkennen.
4. Voorspellend onderzoek is beetje zelfde als verklarend onderzoek. Grootste sprong van feiten
worden naar conclusies gemaakt. Rol van gebruik van theorie is het grootst. En hoge mate van
gevolgtrekking.
5. Ontwerpend onderzoek (ook wel normatief of prescriptief) heeft als doel om oplossing te
ontwikkelen voor context specifiek probleem. Overtreffende trap van verklarend en
voorspellend onderzoek. Bouwt sterk voort op theorie en daarnaast speelt werking na
voorgestelde onderwerp in de praktijk een rol. Gewenste effect? Wordt het probleem opgelost?
Werkt het ontwerp ook bij vergelijkbaar probleem in een andere context?
,Hoe bereik je het onderzoekdoel?
Door middel van onderzoek dat zowel:
1. systematisch is;
2. gecontrolleerd is;
3. empirisch is;
4. en kritisch is;
Bedrijfskundig onderzoek valt onder de sociale wetenschappen.
Belangrijkste perspectieven/filosofieën voor bedrijfskundig onderzoek
Positivisme (meest gebruikte)
Interpretivisme
Realisme
Wat is de aard van de werkelijkheid? (ontologie)
1. Positivsme: er bestaat een externe werkelijkheid die objectief en onafhankelijk waar te nemen
is.
2. Interpretivisme: realiteit is sociaal geconstrueerd en subjectief waarneembaar.
3. Realisme: er bestaat een objectieve werkelijkheid, onafhankelijk van menselijke waarnemen
en gedrag (op macro-niveau), maar interpretatie is wel gevoelig voor subjectiviteit (op micro-
niveau)
Wat is acceptabele kennis? (epistemologie)
1. P: alleen feiten, hetgeen onafhankelijk geobserveerd kan worden kan leiden tot kennis.
Fenomenen moeten worden versimpeld en gereduceerd voor gevolgtrekkingen.
2. I: subjectieve interpretaties van mensen over fenomenen, de betekenis hiervan en de details
van de situatie waarin dit gebeurt.
3. R: onderzoek op basis van feiten; hetgeen onafhankelijk geobserveerd kan worden. Maar ook
onderzoek naar hoe mensen betekenis geven aan hun directe omgeving in een bepaalde
context.
Wat is de rol van waardes? (axiologie)
1. P: onderzoek is geheel waardevrij. De onderzoeker is onafhankelijk en objectief.
2. I: de onderzoeker brengt zijn of haar waardes in het onderozke. Dus subjectief, niet-
onafhankelijk.
3. R: de onderzoeker brengt zijn of haar in het onderzoek. Dus subjectief, niet-ofhankelijk.
Positivisme:
Operationalisatie en data: voorkeur voor kwanitatief onderzoek. 1 manier van meten.
Verschillende onderzoekers zouden tot dezelfde observatie moeten komen (onderzoekers
moeten objectief en onafhankelijk zijn)
Doel en generalisatie: Statistische generalisatie. Voldoende bewijs, representatieve
steekproeven om uitspraken te doen over bepaald fenomeen in een bepaalde populatie.
(Steekproefgroottes > 100)
Interpretivisme:
Operationalisatie en data: Kwanitatief-kwalitatief. Meerdere manieren en bronnen om te
meten. Elke onderzoeker kan tot een andere meting komen (dit wordt geaccepteerd).
Doel en generalisatie: Kwantiteit =/ kwaliteit. Goede uitvoering en gedetaileerde beschrijving
= diepte ingegaan. Werkt niet met grote steekproef. Generaliseerbaarheid minder relevant.
, Inductief onderzoek
Obervaties vormen de basis
Data → theorie
Bouwen van nieuwe theorieën en daarmee de basis voor nieuwe conceptuele modellen
Deductief onderzoek
Beginnen met theorie en inzichten uit de literatuur → conceptueel model bouwen & hypthoses
toetsen
Theorie → data
Theorie (adhv conceptuele modellen en hypotheses) toetsen
Reflectieve redenatie
Obeservaties worden gebruikt om toetsbare conclusies te genereren
Data ↔ theorie
Combinatie van exploreren (inductie) en toetsen (deductie)
Combinatie van bouwen en toeysen; theorie uitbreiden waar nodig
Videocollege 2