Deel 1: het recht en zijn bronnen ............................................................................................................ 3
1. Het begrip recht .............................................................................................................................. 3
1.1. Recht is geheel van bindende regels ....................................................................................... 3
1.2. Recht moet samenleving ordenen en in stand houden .......................................................... 3
1.3. Recht vereist gezag .................................................................................................................. 3
1.3.1. Uitvaardigen van het recht .............................................................................................. 3
1.3.2. Naleven van het recht ..................................................................................................... 4
2. Indeling van het recht...................................................................................................................... 5
2.1. Algemeen................................................................................................................................. 5
2.2. Publiekrecht............................................................................................................................. 5
2.3. Privaatrecht ............................................................................................................................. 5
2.4. Gemengde rechtstakken ......................................................................................................... 6
2.5. Internationaal recht................................................................................................................. 6
2.6. Andere indelingen ................................................................................................................... 6
3. Bronnen van het recht..................................................................................................................... 8
3.1. Algemeen................................................................................................................................. 8
3.2. De wet ..................................................................................................................................... 8
3.2.1. Materiële en formele wetten, normenhiërarchie ........................................................... 8
3.2.2. Grondwet......................................................................................................................... 8
3.2.3. Internationale normen .................................................................................................... 9
3.2.4. Federale wet .................................................................................................................. 10
3.2.5. Decreet .......................................................................................................................... 12
3.2.6. ordonnantie ................................................................................................................... 12
3.2.7. Samenwerkingsakkoorden en gezamenlijke decreten.................................................. 12
3.2.8. Wetskrachtig koninklijk besluit ..................................................................................... 12
3.2.9. Koninklijke besluiten en besluiten van de gemeenschaps- en gewestregeringen. ....... 12
3.2.10. Ministeriële besluiten en de besluiten van staatssecretarissen ................................... 13
3.2.11. Normen uitgevaardigd door gedecentraliseerde besturen .......................................... 13
3.3. Algemene rechtsbeginselen .................................................................................................. 13
3.3.1. algemeen ....................................................................................................................... 13
3.3.2. niet-retroactiviteitsbeginsel .......................................................................................... 13
3.4. Rechtspraak ........................................................................................................................... 13
3.4.1. Interpretatie .................................................................................................................. 13
3.4.2. Aanpassing van de regel aan gewijzigde omstandigheden ........................................... 14
1
, 3.4.3. Invulling van algemene begrippen ................................................................................ 14
3.4.4. Schepping nieuwe rechtsfiguren ................................................................................... 14
3.5. gewoonte............................................................................................................................... 14
3.6. pseudowetgeving .................................................................................................................. 14
3.7. Paralegale normen ................................................................................................................ 15
3.8. Rechtsleer .............................................................................................................................. 15
3.9. Billijkheid ............................................................................................................................... 15
4. burgerlijk recht .............................................................................................................................. 16
4.1. Disciplines van het burgerlijk recht ....................................................................................... 16
4.2. Basisbegrippen van familierecht ........................................................................................... 16
4.2.1. Personenrecht ............................................................................................................... 16
4.3. Basisbegrippen van het vermogensrecht .............................................................................. 16
4.3.1. Zakelijke rechten ........................................................................................................... 16
4.3.2. verbintenissenrecht....................................................................................................... 17
4.3.3. overeenkomsten............................................................................................................ 19
4.3.4. Aansprakelijkheidsrecht ................................................................................................ 21
2
, Inleiding tot het recht
Deel 1: het recht en zijn bronnen
1. Het begrip recht
Recht is een verzameling van regels die gelden voor een bepaalde samenleving en op een bepaald
ogenblik. Elementen die de kern van het recht omschrijven:
- Recht is een geheel van bindende regels
- Het gaat om verbods-, bevels- of verlofbepalingen
- Recht moet de samenleving in stand houden (de rechtsnorm is de voorwaarde van het
maatschappelijke leven. Regelt zowel de relatie tussen burger en overheid als tussen burgers
onderling)
- Recht vereist gezag
1.1. Recht is geheel van bindende regels
Recht is een geheel van regels waaraan iedereen zich dient te houden. Dit geheel kan worden
onderverdeeld in verschillende soorten.
- Gebods-, verbods- en verlofbepalingen, deze leggen een bepaald gedrag op, verbieden een
bepaalde daad of laten aan rechtssubjecten toe een bepaalde handeling te stellen zonder dat
zij daar evenwel toe verplicht zijn (vb. schenkingen).
- Regels toepasbaar na keuze en wilsaanvullende regels. Met dit soort regels wordt benadrukt
dat het recht geen rigide systeem is dat alleen voorschrijft wat moet of niet mag. Vaak zijn
regels van toepassing nadat een individu tussen verschillende vormen van mogelijk gedrag
een keuze heeft gemaakt (regels toepasbaar na keuze), of hebben zij slechts uitwerking
indien partijen geen eigen regeling hebben voorzien (wilsaanvullende regels).
- Technische regels, dit zijn vaak regels, formaliteiten, termijnen die omwille van de
rechtszekerheid werden ingevoerd, zodat het niet eerbiedigen ervan meestal onherstelbare
gevolgen heeft.
1.2. Recht moet samenleving ordenen en in stand houden
Het recht is niet los te denken van een bepaalde sociale en politieke filosofie noch van de
economische belangen.
Het recht bekrachtigt niet alleen bestaande toestanden, maar schept ook nieuwe toestanden vb.
milieuwetgeving.
1.3. Recht vereist gezag
Het recht wordt door de overheid opgelegd en wordt door haar afgedwongen. De binding tussen
recht en gezag is dubbel en verwijst enerzijds naar het uitvaardigen van het recht en anderzijds naar
het doen naleven van de rechtsregels.
1.3.1. Uitvaardigen van het recht
Het recht wordt uitgevaardigd door de regelgevende organen van de samenleven. Ze ontlenen hun
legitimiteit aan het feit dat zij steunen op de wil van de meerderheid van de bevolking.
3