1. De student kan belangrijke kenmerken benoemen van moedertaalverwerving en
tweede- en vreemde-taalontwikkeling, bij zowel jonge als oudere kinderen.
Engels in het basisonderwijs:
1969 Het is belangrijk om elk kind binnen de Europese Unie vanaf 10 jaar ten minste 1
vreemde taal leert.
1981 Het is in Nederland in vastgelegd dat vanaf 10 jaar kinderen ten minste 1 vreemde taal
wordt aangeleerd.
1986 Verplicht om Engels in elke basisschool in Nederland te geven vanaf groep 7 en 8.
2006 Kerndoelen voor Engels in primair onderwijs.
2011 Engels werd echt een speerpunt en er werd vanaf toen gezegd dat Engels ook deel zal
moeten uitmaken van de CITO. Dit is echter nog niet zo.
1000 basisscholen die Engels verzorgen vanaf de kleuters, 14 basisscholen in Nederland met
tweetalig onderwijs.
Een leerkracht basisonderwijs:
Is bekend met de kerndoelen voor het vak Engels.
Beheerst het vak Engels zelf op B2 niveau van het ERK (als voorwaarde om kinderen
niveau A1 te kunnen bijbrengen)
Heeft zicht op het proces van taal verwerven/taal leren.
Taal verwerven/taal leren: ‘verwerven’ versus ‘leren’
Verwerven = Het verloopt spontaan, je hoeft er geen moeite voor te doen.
Leren = Het verloopt intentioneel en gebeurt niet spontaan of automatisch je moet er
moeite voor doen.
Moedertaalverwerving
Vind plaats tussen 0-7 jaar
Functionele hersengebieden die de basis vormen voor het gebruik van taal:
o Begrijpen van taal
Klankherkenning
Woordgeheugen (woordherkenning en woordvorming)
Zinsbegrip
o Produceren van de taal
Klankproductie
Woordvorming
Zinsvorming
Klankherkenning (eerste functionele hersengebied):
Klankgeheugen vanaf de geboorte: het proces voor de geboorte speelt hierbij een rol.
Je hoort de stem van bijv. je moeder
Klankproductie (tweede functionele hersengebied):
Het spreken volgt de motorische ontwikkeling van lippen, tong en gehemelte. Dit heet
het generiek. Het bewegen is nodig voor productie.
Tot 6 maanden brabbelen alle baby’s op dezelfde manier (bababa, mamama)