1. INLEIDING .............................................................................................................................. 3
2. BEHANDELING ..................................................................................................................... 10
3. DESKUNDIGENONDERZOEK ................................................................................................ 12
4. CLASSIFICATIESYSTEMEN .................................................................................................... 14
5. STRAFRECHT ........................................................................................................................ 18
6. TOEREKENINGSVATBAARHEID EN VRAGEN AAN DE GERECHTSPSYCHIATER .................... 23
7. PERSOONLIJKHEIDSTHEORIEËN EN -STOORNISSEN ........................................................... 32
7.1 Algemene opvattingen .................................................................................................................... 32
7.2 Psychodynamisch model ................................................................................................................. 38
7.3 Persoonlijkheidsstoornissen ............................................................................................................ 42
8. GEHEUGENWERKING .......................................................................................................... 54
8.1 Algemene opvattingen .................................................................................................................... 54
8.2 Zintuigen, werkgeheugen, korte en lage termijn geheugen ............................................................. 56
8.3 Amnesie .......................................................................................................................................... 59
9. SCHADEBEPALING IN NIET-STRAFRECHTELIJKE CONTEXT ................................................. 61
9.1 Simulatie, nagebootste stoornis, SSS ............................................................................................... 61
9.2 Hersentraumata .............................................................................................................................. 63
9.3 Percentages..................................................................................................................................... 65
10. AGRESSIE ......................................................................................................................... 66
10.1 Algemene aspecten ......................................................................................................................... 66
10.2 Extreme agressie, psychiatrische stoornis en het maatschappelijk conflict inzake straffen versus
interneren .................................................................................................................................................... 67
10.3 Agressie en psychiatrische stoornis ................................................................................................. 68
11. PSYCHOSEN ..................................................................................................................... 69
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Chris Dillen 1
,11.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 69
11.2 Schizofrenie .................................................................................................................................... 70
11.3 Waanstoornissen ............................................................................................................................ 71
11.4 Andere vormen van psychosen........................................................................................................ 72
12. VERSTANDELIJKE BEPERKING .......................................................................................... 73
12.1 Intelligentiequotiënt (IQ)................................................................................................................. 73
12.2 Verstandelijke beperking................................................................................................................. 73
13. IMPULSCONTROLE STOORNISSEN .................................................................................. 74
13.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 74
13.2 Pyromanie ....................................................................................................................................... 75
14. STALKING ......................................................................................................................... 76
14.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 76
14.2 Typologieën .................................................................................................................................... 77
15. VROUWEN EN STRAFRECHT............................................................................................ 79
15.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 79
15.2 Vrouwelijke seksuele delinquenten ................................................................................................. 79
16. RECIDIVE EN RISICOTAXATIE ........................................................................................... 81
16.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 81
16.2 Risicotaxatie instrumenten.............................................................................................................. 82
17. SEKSUELE VOORKEURSSTOORNISSEN ............................................................................ 85
17.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 85
17.2 Soorten seksuele voorkeursstoornissen .......................................................................................... 87
17.3 Pedofilie en efebofilie ..................................................................................................................... 88
17.4 Verkrachters en typologie ............................................................................................................... 90
17.5 Behandeling van seksuele delinquenten in België ............................................................................ 91
18. BEROEPSGEHEIM ............................................................................................................ 94
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Chris Dillen 2
, 1. Inleiding
Forensische psychiatrie:
- Het begrip ‘forensisch’:
o Afkomstig van het Forum Romanum
o Forum Romanum = centrale marktplein bij de Romeinen
o Daar vonden meerdere gebeurtenissen plaats
§ Bv.: de markt, senaat die wetteksten bespreekt, terechtstellingen van
mensen die misdrijven hadden gepleegd,…
§ Alles was open en publiek voor iedereen
- Het is dus een openbaar gebeuren
o Iedereen kan een zitting in de rechtbank volgen
o Psychiatrie is meestal niet openbaar waardoor het als psychiater wel eens
confronterend kan zijn om jouw verhaal te doen in een rechtbank
o Daarom is het belangrijk om in een ‘voor leken verstaanbare’ taal te praten
- Raakvlak tussen 2 verschillende disciplines:
o Geneeskunde
§ Alliantie: samenwerkingsverband aangaan met de patiënt om een
oplossing te vinden voor het probleem
§ Hulpvraag: er wordt hulp gevraagd voor de betrokkene
o Gerecht
§ Oppositioneel: altijd sprake van 2 partijen die iets anders nastreven
§ Beoordeling: rechter kan vragen voor bijkomende info
• Die info moet dienen om een deel van het juridisch probleem
beter/correcter op te lossen
• Technische mening van een expert
- Deze 2 disciplines zijn heel verschillend en liggen enorm uit elkaar
o Dit maakt het voor een forensisch psychiater moeilijk om zich aan te passen
en om beide domeinen toch te integreren
- Opgelet: niet hetzelfde als een gerechtspsychiater
o Die houdt zich enkel bezig met het strafrecht terwijl een forensisch psychiater
zich bezighoudt met een ruimer domein
- Geneeskunde binnen het recht
o Forensische artsen werken:
§ In opdracht van het recht
§ Ten behoeve van een juridische vraagstelling
o Het gerechtelijk systeem vraag een onderzoek of behandeling
§ Niet de patiënten!
§ Hierdoor zullen sommige patiënten niet geneigd zijn om mee te
werken
§ Patiënten zullen altijd een bepaald doel voor ogen hebben
• De te onderzoeken partij heeft, afhankelijk van zijn standpunt,
iets te winnen of te verliezen
• Je moet als deskundige dus kritisch staan tegenover de info die
patiënten meedelen
• Er worden ook altijd psychologische testen afgenomen
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Chris Dillen 3
, o Deze zijn altijd een stuk objectiever dan het verhaal van
de patiënt
• In alle rechtstelsels worden medische dossiers gebruikt met
daarin verslagen die werden opgemaakt door behandelaars
o Die verslagen komen meestal uit een periode VOOR de
juridische discussie
o Dat zorgt ervoor dat ze bruikbaarder zijn en meer
objectieve info bevatten
Rechtelijke organisatie:
- Bij het Hof van Cassatie, Raad van State en Grondwettelijk Hof kunnen geen
forensisch psychiaters aangesteld worden
- De klassieke opdrachten:
o Correctionele rechtbanken: plegen van misdrijven
o Hof van Assisen: misdaden waar je boven de 10 jaar straf voor kan krijgen
§ Dit bestaat niet maar wordt gemaakt voor een bepaalde zaak
o Hoofdvraagstelling: toerekeningsvatbaarheid van de betrokkene bepalen
- Politierechtbank:
o Burgerlijke afhandelingen:
§ Vragen inzake schadebepalingen
• Daar wordt de grootte van de opgelopen schade bepaald en
welke partij die schade moet bepalen
§ Als het gaat om psychiatrische schade, dan moet een psychiater-
deskundige deze schade vaststellen
o Correctionele afhandelingen:
§ Vragen inzake rijgeschiktheid
§ Psychiater moet vaststellen of iemand een medische of psychiatrische
aandoening heeft die maakt dat hij/zij geen rijbewijs mag hebben
§ Om een rijbewijs te hebben, moet iemand medisch in staat zijn een
voertuig te besturen
- Jeugdrechtbank
o Hier gaat het altijd om minderjarigen
o Strafrechtelijk luik:
§ MOF (= misdrijf omschreven feiten) dossiers
§ Vragen inzake opvoedingsmogelijkheden en uithandengeving
§ Uithandengeving: jeugdrechter vraagt zich af of bepaalde
minderjarigen tussen 16- en 18-jarige leeftijd nog moeten beschouwd
worden als jongeren en niet eerder als volwassenen
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Chris Dillen 4