Hoofdstuk 26: het aggregatieve aanbod
Hoofdstuk 25: twee
veronderstellingen
Alle nominale
input- en
outputprijzen vast
Aggregatief aanbod
(AA) past zich
automatisch aan de
aggregatieve vraag
(AV) aan (AA-curve
was horizontaal)
Deze veronderstellingen zijn
realistisch op korte termijn
Op langere termijn zijn
vaste nominale prijzen niet realistisch
In dit hoofdstuk bestuderen we of en hoe het AA schommelingen in de AV kan volgen
Dat hangt af van de prijsvorming op de goederenmarkt en via het productieproces ook
van de markt voor productiefactoren
In dit hoofdstuk focussen we op de productiefactor arbeid
Figuur 26.1: illustreert samenhang tussen conjunctuurcyclus en evoluties op arbeidsmarkt
1. Specifieke kenmerken van de arbeidsmarkt
Arbeidsmarkt:
Vraag naar arbeid: door ondernemingen die arbeid gebruiken als productiefactor
in het productieproces
Aanbod van arbeid: individuen bieden hun arbeid aan en krijgen hiervoor een
loon
Arbeidsmarkt beantwoordt echter niet aan perfecte mededinging
Waarom is het evenwichtsloon niet altijd market clearing (vraag naar arbeid = aanbod van
arbeid)?
Minstens drie redenen:
Geen situatie met veel los van elkaar staande economische agenten die de lonen
als gegeven beschouwen: werkgevers- en werknemersorganisaties
Imperfecte informatie bij werkgevers en werknemers
Loonrigiditeit (loon past zich niet ogenblikkelijk aan bij veranderende
marktomstandigheden)
1.1 Rol vakbonden en werkgeversorganisaties (de sociale partners)
Loon: resultaat van onderhandelingen tussen ‘sociale partners’
Erkende vakbonden (ACV, ABVV, ACLVB)
Erkende werkgeversorganisaties (VBO, Unizo, VOKA,...)
, Sociale partners onderhandelen elke twee jaar over
Centraal Akkoord (IPA: Interprofessioneel akkoord)
Hoeveel kunnen nominale lonen stijgen tijdens de volgende twee jaar?
Binnen kader van Wet van 26 juli 1996
Daarna volgen loonafspraken op sectorniveau
Paritaire comités
Collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO) – bevestigd met KB
1.2 Imperfecte informatie
Theorie van de efficiëntielonen = Werkgevers betalen soms meer dan nodig om
productiviteit te verhogen
vb. Ford Motor Company in 1914: betaalde arbeiders $5 per dag terwijl het
gemiddelde dagloon arbeiders slechts tussen $2 en $3 lag
i.p.v. productiviteit → loon wordt het: loon → productiviteit
leidt tot verbetering arbeidsinzet, die moeilijk te controleren is
bij ontslag is verlies groter
leidt tot minder verloop en minder zoekkosten voor ondernemingen
ook bij werknemers is er imperfecte informatie: zoekkosten (mbt functie inhoud en
openstaande vacatures)
1.3 Loonrigiditeit
Lonen passen zich niet gemakkelijk (neerwaarts) aan: neerwaartse nominale loonrigiditeit
Bv. Fig. 26.1: veel lonen blijven onveranderd, of stijgen meer frequent dan ze dalen
Bv. Fig. 26.2: tijdens recessie gebruiken ondernemingen in grote mate andere
mogelijkheden dan de lonen, om zich aan te passen (vb. minder tijdelijke werknemers,
niet-loonkosten, etc.)
2. Evenwicht op de arbeidsmarkt met vakbonden en prijszetters
Het finale doel van dit hoofdstuk is om het AA in kaart te brengen als functie van het
prijsniveau:
Q= AA =g(P)
Hoofdstuk 25: twee
veronderstellingen
Alle nominale
input- en
outputprijzen vast
Aggregatief aanbod
(AA) past zich
automatisch aan de
aggregatieve vraag
(AV) aan (AA-curve
was horizontaal)
Deze veronderstellingen zijn
realistisch op korte termijn
Op langere termijn zijn
vaste nominale prijzen niet realistisch
In dit hoofdstuk bestuderen we of en hoe het AA schommelingen in de AV kan volgen
Dat hangt af van de prijsvorming op de goederenmarkt en via het productieproces ook
van de markt voor productiefactoren
In dit hoofdstuk focussen we op de productiefactor arbeid
Figuur 26.1: illustreert samenhang tussen conjunctuurcyclus en evoluties op arbeidsmarkt
1. Specifieke kenmerken van de arbeidsmarkt
Arbeidsmarkt:
Vraag naar arbeid: door ondernemingen die arbeid gebruiken als productiefactor
in het productieproces
Aanbod van arbeid: individuen bieden hun arbeid aan en krijgen hiervoor een
loon
Arbeidsmarkt beantwoordt echter niet aan perfecte mededinging
Waarom is het evenwichtsloon niet altijd market clearing (vraag naar arbeid = aanbod van
arbeid)?
Minstens drie redenen:
Geen situatie met veel los van elkaar staande economische agenten die de lonen
als gegeven beschouwen: werkgevers- en werknemersorganisaties
Imperfecte informatie bij werkgevers en werknemers
Loonrigiditeit (loon past zich niet ogenblikkelijk aan bij veranderende
marktomstandigheden)
1.1 Rol vakbonden en werkgeversorganisaties (de sociale partners)
Loon: resultaat van onderhandelingen tussen ‘sociale partners’
Erkende vakbonden (ACV, ABVV, ACLVB)
Erkende werkgeversorganisaties (VBO, Unizo, VOKA,...)
, Sociale partners onderhandelen elke twee jaar over
Centraal Akkoord (IPA: Interprofessioneel akkoord)
Hoeveel kunnen nominale lonen stijgen tijdens de volgende twee jaar?
Binnen kader van Wet van 26 juli 1996
Daarna volgen loonafspraken op sectorniveau
Paritaire comités
Collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO) – bevestigd met KB
1.2 Imperfecte informatie
Theorie van de efficiëntielonen = Werkgevers betalen soms meer dan nodig om
productiviteit te verhogen
vb. Ford Motor Company in 1914: betaalde arbeiders $5 per dag terwijl het
gemiddelde dagloon arbeiders slechts tussen $2 en $3 lag
i.p.v. productiviteit → loon wordt het: loon → productiviteit
leidt tot verbetering arbeidsinzet, die moeilijk te controleren is
bij ontslag is verlies groter
leidt tot minder verloop en minder zoekkosten voor ondernemingen
ook bij werknemers is er imperfecte informatie: zoekkosten (mbt functie inhoud en
openstaande vacatures)
1.3 Loonrigiditeit
Lonen passen zich niet gemakkelijk (neerwaarts) aan: neerwaartse nominale loonrigiditeit
Bv. Fig. 26.1: veel lonen blijven onveranderd, of stijgen meer frequent dan ze dalen
Bv. Fig. 26.2: tijdens recessie gebruiken ondernemingen in grote mate andere
mogelijkheden dan de lonen, om zich aan te passen (vb. minder tijdelijke werknemers,
niet-loonkosten, etc.)
2. Evenwicht op de arbeidsmarkt met vakbonden en prijszetters
Het finale doel van dit hoofdstuk is om het AA in kaart te brengen als functie van het
prijsniveau:
Q= AA =g(P)