Hoogrisico verloskunde: MIC
MIC medisch
1. Diabetes en zwangerschap
1.1. Inleiding
De hoeveelheid energie in je lichaam= energie intake - energie output
Transport: transport van moleculen over celmembranen en tussen lichaamsdelen
Mechanische arbeid: de werking van je skeletspieren, pompen van het hart
Chemische arbeid: groei, onderhoud en opslaan van informatie DNA
Stofwisseling/ metabolisme = alle chemische reacties in het lichaam, 3 functies:
1. Energie uit nutriënten halen
2. Energie voor arbeid gebruiken
3. Energie opslaan voor later gebruik
Metabolisme = katabolisme en anabolisme.
Katabolisme = opbouw van kleine moleculen naar grote gehelen = fasted state
Anabolisme = afbraak van grote moleculen naar kleinere = fed state
Overzicht stofwisseling:
Vetten, koolhydraten en eiwitten in elkaar kunnen omgezet worden en elkaar kunnen
beïnvloeden
Vetten worden opgeslagen in vetvoorraden = energiebron
Koolhydraten via glucose opgeslagen in glycogeen of gebruikt voor E
Glucose = strikt geregeld=> hersenen hebben deze nodig=> te laag hersenen
gebruiken ketolichamen
Glucosehomeostase= glucosegehalte op peil gehouden
Hoge glucose => glycogenese (omzetten glucose => glycogeen) + uitscheiding urine
Glycogeenvoorraad vol=> lipogenese (omzetten glucose => vetten)
Lage glucose=> glycogenolyse (afbraak glycogeen => glucose)
=> glycogeen op => omzetten vetten=> vetzuren + glycerol
=>omzetten glycerol => glucose door lever (gluconeogenese)
=> Vetzuren afgebroken =>ATP => overmatige vetafbraak=> ketonen (= zuur=>
verzuring/acidose)
Hormoonhuishouding
Insuline en glucagon: verhouding regelt suikergehalte
Pancreas: β-cellen (insuline) & α-cellen (glucagon)
Fasted state: glucagon zorgt voor stijging suiker door glycogenolyse
Fed state: insuline zorgt voor glycogenese en lipogenese
, Insuline
Plasma glucose >100 microgram/dl => stijging van het insulinegehalte & aminozuren in het
plasma.
=> Bij stress: actief insuline geremd=> brein en spieren meer suiker krijgen
=> ‘feed forward’=> voeding naar maag=> Messenger hormonen sturen signalen naar
pancreas => insuline stijgt voor suikergehalte stijgt=> vermijdt zeer hoge glucosepieken.
=> 4 mechanismen hoe insuline het glucosegehalte doet dalen:
1) Toename transport van glucose naar intracellulair (thv vetcellen & skeletspiercellen)
2) Stimulatie van het gebruik: glycolyse van glucose, glycogenese en lipogenese +
remmen glucogenese en lipolyse.
3) Stimuleert gebruik aminozuren=> eiwitsynthese gestimuleerd=> eiwitafbraak
tegengehouden.
4) Stimuleert vetsynthese + stimuleert lipogenese
Glucagon
Geprikkeld wanneer plasma glucose < 100microgram/dl. (fatsed state)
=> glycogenolyse en gluconeogenese.
Invloed op aminozuren: aminozuren=> secretie insuline stimuleren (Daling van glucose)
=> aminozuren stimuleren secretie van glucagon (hypoglycaemie vermijden)
1.2. Suiker en zwangerschap
Veranderingen door placenta:
1) Transport glucose door placenta
2 richtingen: moeder=>kind & kind=> moeder
Glucose & aminozuren (& ketonen) via gefaciliteerde diffusie (met drager eiwit) door
placenta
Insuline en glucagon passeren placenta niet
Transport via GLUT-transporter, volgens concentratie (foetus hoge glucose=> minder glucose
naar foetus=> placenta = metabool orgaan en gebruikt veel glucose
Hoge maternale glucose=> stijging foetale glucose door diffusie=> meer: foetale
insulineproductie, opslag glucose in foetale cellen & vetopslag= foetale hyperinsulinemie =>
macrosomie
Lage maternale glucose=> Foetus te weinig glucose= foetale hyperinsulinemie=> IUGR
2) Insulineresistentie
Plaecenta => hormonen die anti-insuline werking hebben (glucagon, cortisol & humaan
placentair lactogeen => zwangere heeft lagere glycemie=> moeder maakt meer insuline
aan=> hyperinsulinemie
Hyperinsulinemie=> wanneer nuchter heel lage glycemie=> sneller uithongering (vasten
beter niet doen)
Foetus ontrekt ook insuline=> lagere glycemie
Veranderingen bij moeder:
Hoger basaalmetabolisme moeder (stofwisseling in rust)
=>Meer energie nodig om lichaamstemperatuur te behouden
Gewichtstoename & meer vetopslag
, Stijging van triglyceriden en cholesterol.
Normale zwangerschap: insulineresistentie en glucose intolerantie=> lagere nuchtere
glucose
1.3. Stoornissen mbt glucose tijdens de zwangerschap
Gestoorde glucosetolerantie (impaired glucose tolerance)
Zwangerschapsdiabetes (gestational diabetes)
Diabetes type 1 & 2
Diabetes mellitus: diabetes m.b.t. suiker
Diabetes insipidus: diabetes m.b.t. urineproductie
Basisdefinitie diabetes: abnormaal gestegen plasma glucose concentratie tgv inadequate
insuline secretie of een abnormale doelcelrespons, of beide.
1.4. Zwangerschapsdiabetes
= koolhydraat intolerantie met variabele ernst, vastgesteld tijdens zwangerschap
Kliniek van zwangerschapsdiabetes: asymptomatische aandoening=> wordt vastgesteld
door systematische screening.
Mogelijke aanwijzingen: macrosomie en polyhydramnios
Risicofactoren:
Zwangerschapsdiabetes in een vorige zwangerschap
Vorig kind > 4500 gram
Obesitas
Zwanger op latere leeftijd
Etnische verschillen: meer bij Aziaten, mediterrane afkomst en Afrikaanse of
Caraïbische afkomst
Complicaties:
Zelfde als bij diabetes=> minder ernstig en frequent
Niet meer congenitale afwijkingen
=> glycemie veroorzaakt dit in eerste trimester=> zwangerschapsdiabetes ontstaat bij 2 de
of 3de trimester
Meer risico op diabetes type 2
Hoe hoger glycemie=> meer complicaties
Het beleid
=> dieet met vetbeperking, rijk aan vezels en langzaam absorbeerbare koolhydraten
=> geen caloriebeperking=> meer risico op ketose
=>veel beweging (5xweek, 30min)
=> niet voldoende effect: insuline
Hercontrole:6-12w pp en jaarlijks controle bloedsuikergehalte
50% heeft na 10j diabetes type 2=> risico halveert door gezonde levensstijl
Specifieke aandachtspunten: controle bloeddruk (verhoogd risico hypertensie complicaties)
en echografische controle foetale groei, inleiding voor einde week 41, sectio bij kind >
4kg500.
Na bevalling => verdwijnen de anti-insuline hormonen => snel herstel
MIC medisch
1. Diabetes en zwangerschap
1.1. Inleiding
De hoeveelheid energie in je lichaam= energie intake - energie output
Transport: transport van moleculen over celmembranen en tussen lichaamsdelen
Mechanische arbeid: de werking van je skeletspieren, pompen van het hart
Chemische arbeid: groei, onderhoud en opslaan van informatie DNA
Stofwisseling/ metabolisme = alle chemische reacties in het lichaam, 3 functies:
1. Energie uit nutriënten halen
2. Energie voor arbeid gebruiken
3. Energie opslaan voor later gebruik
Metabolisme = katabolisme en anabolisme.
Katabolisme = opbouw van kleine moleculen naar grote gehelen = fasted state
Anabolisme = afbraak van grote moleculen naar kleinere = fed state
Overzicht stofwisseling:
Vetten, koolhydraten en eiwitten in elkaar kunnen omgezet worden en elkaar kunnen
beïnvloeden
Vetten worden opgeslagen in vetvoorraden = energiebron
Koolhydraten via glucose opgeslagen in glycogeen of gebruikt voor E
Glucose = strikt geregeld=> hersenen hebben deze nodig=> te laag hersenen
gebruiken ketolichamen
Glucosehomeostase= glucosegehalte op peil gehouden
Hoge glucose => glycogenese (omzetten glucose => glycogeen) + uitscheiding urine
Glycogeenvoorraad vol=> lipogenese (omzetten glucose => vetten)
Lage glucose=> glycogenolyse (afbraak glycogeen => glucose)
=> glycogeen op => omzetten vetten=> vetzuren + glycerol
=>omzetten glycerol => glucose door lever (gluconeogenese)
=> Vetzuren afgebroken =>ATP => overmatige vetafbraak=> ketonen (= zuur=>
verzuring/acidose)
Hormoonhuishouding
Insuline en glucagon: verhouding regelt suikergehalte
Pancreas: β-cellen (insuline) & α-cellen (glucagon)
Fasted state: glucagon zorgt voor stijging suiker door glycogenolyse
Fed state: insuline zorgt voor glycogenese en lipogenese
, Insuline
Plasma glucose >100 microgram/dl => stijging van het insulinegehalte & aminozuren in het
plasma.
=> Bij stress: actief insuline geremd=> brein en spieren meer suiker krijgen
=> ‘feed forward’=> voeding naar maag=> Messenger hormonen sturen signalen naar
pancreas => insuline stijgt voor suikergehalte stijgt=> vermijdt zeer hoge glucosepieken.
=> 4 mechanismen hoe insuline het glucosegehalte doet dalen:
1) Toename transport van glucose naar intracellulair (thv vetcellen & skeletspiercellen)
2) Stimulatie van het gebruik: glycolyse van glucose, glycogenese en lipogenese +
remmen glucogenese en lipolyse.
3) Stimuleert gebruik aminozuren=> eiwitsynthese gestimuleerd=> eiwitafbraak
tegengehouden.
4) Stimuleert vetsynthese + stimuleert lipogenese
Glucagon
Geprikkeld wanneer plasma glucose < 100microgram/dl. (fatsed state)
=> glycogenolyse en gluconeogenese.
Invloed op aminozuren: aminozuren=> secretie insuline stimuleren (Daling van glucose)
=> aminozuren stimuleren secretie van glucagon (hypoglycaemie vermijden)
1.2. Suiker en zwangerschap
Veranderingen door placenta:
1) Transport glucose door placenta
2 richtingen: moeder=>kind & kind=> moeder
Glucose & aminozuren (& ketonen) via gefaciliteerde diffusie (met drager eiwit) door
placenta
Insuline en glucagon passeren placenta niet
Transport via GLUT-transporter, volgens concentratie (foetus hoge glucose=> minder glucose
naar foetus=> placenta = metabool orgaan en gebruikt veel glucose
Hoge maternale glucose=> stijging foetale glucose door diffusie=> meer: foetale
insulineproductie, opslag glucose in foetale cellen & vetopslag= foetale hyperinsulinemie =>
macrosomie
Lage maternale glucose=> Foetus te weinig glucose= foetale hyperinsulinemie=> IUGR
2) Insulineresistentie
Plaecenta => hormonen die anti-insuline werking hebben (glucagon, cortisol & humaan
placentair lactogeen => zwangere heeft lagere glycemie=> moeder maakt meer insuline
aan=> hyperinsulinemie
Hyperinsulinemie=> wanneer nuchter heel lage glycemie=> sneller uithongering (vasten
beter niet doen)
Foetus ontrekt ook insuline=> lagere glycemie
Veranderingen bij moeder:
Hoger basaalmetabolisme moeder (stofwisseling in rust)
=>Meer energie nodig om lichaamstemperatuur te behouden
Gewichtstoename & meer vetopslag
, Stijging van triglyceriden en cholesterol.
Normale zwangerschap: insulineresistentie en glucose intolerantie=> lagere nuchtere
glucose
1.3. Stoornissen mbt glucose tijdens de zwangerschap
Gestoorde glucosetolerantie (impaired glucose tolerance)
Zwangerschapsdiabetes (gestational diabetes)
Diabetes type 1 & 2
Diabetes mellitus: diabetes m.b.t. suiker
Diabetes insipidus: diabetes m.b.t. urineproductie
Basisdefinitie diabetes: abnormaal gestegen plasma glucose concentratie tgv inadequate
insuline secretie of een abnormale doelcelrespons, of beide.
1.4. Zwangerschapsdiabetes
= koolhydraat intolerantie met variabele ernst, vastgesteld tijdens zwangerschap
Kliniek van zwangerschapsdiabetes: asymptomatische aandoening=> wordt vastgesteld
door systematische screening.
Mogelijke aanwijzingen: macrosomie en polyhydramnios
Risicofactoren:
Zwangerschapsdiabetes in een vorige zwangerschap
Vorig kind > 4500 gram
Obesitas
Zwanger op latere leeftijd
Etnische verschillen: meer bij Aziaten, mediterrane afkomst en Afrikaanse of
Caraïbische afkomst
Complicaties:
Zelfde als bij diabetes=> minder ernstig en frequent
Niet meer congenitale afwijkingen
=> glycemie veroorzaakt dit in eerste trimester=> zwangerschapsdiabetes ontstaat bij 2 de
of 3de trimester
Meer risico op diabetes type 2
Hoe hoger glycemie=> meer complicaties
Het beleid
=> dieet met vetbeperking, rijk aan vezels en langzaam absorbeerbare koolhydraten
=> geen caloriebeperking=> meer risico op ketose
=>veel beweging (5xweek, 30min)
=> niet voldoende effect: insuline
Hercontrole:6-12w pp en jaarlijks controle bloedsuikergehalte
50% heeft na 10j diabetes type 2=> risico halveert door gezonde levensstijl
Specifieke aandachtspunten: controle bloeddruk (verhoogd risico hypertensie complicaties)
en echografische controle foetale groei, inleiding voor einde week 41, sectio bij kind >
4kg500.
Na bevalling => verdwijnen de anti-insuline hormonen => snel herstel