samenvatting sociale psychologie.
Hoofdstuk 1 : kennismaking met de sociale psychologie
1.1 studieobject van de sociale psychologie
1.1.1 gebiedsomschrijving
de sociale psychologie is een wetenschappelijke studie. Wetenschappelijke beweringen
dienen het resultaat te zijn van zorgvuldig methodisch onderzoek.
- Begrijpende methode : is kwalitatief van aard. Maakt dus geen gebruik van
cijfermateriaal en beperkt zich dus tot verbale beschrijvingen van het soort
samenhangen die naar voren treden. Hierbij wordt vaak gebruik gemaakt
van gevalsstudies.
Valkuil = subjectiviteit.
- Correlationele methode: hierbij worden bij een groep individuen
verschillende soorten gegevens verzameld, en vervolgens gaat men er
statistische bewerkingen op doorvoeren om te zien of er bepaalde
correlaties naar voren komen.
Correlatie = drukt uit hoe de veranderingen in de ene variabele
samenhangen met veranderingen in de ander.
- Experimentele methode: maakt het mogelijk om te onderzoeken of een
bepaalde variabele invloed heeft op een andere.
Afhankelijke variabele ( AV ) = de eigenschap of gebeurtenis waarvan we
willen weten waardoor ze beïnvloed wordt.
Onafhankelijke variabele ( OV ) = de eigenschap of gebeurtenis waarvan
we vermoeden dat ze invloed heeft op de afhankelijke variabele.
Moet in een gecontroleerde situatie gebeuren om storende variabelen uit
te schakelen of te neutraliseren.
Volgens Allport houdt sociale psychologie zich naast het zichtbare gedrag, ook bezig
met wat mensen denken en voelen. ->> A-B-C model.
- A = affectieve component ( gevoelens )
- B = manifeste gedrag ( behaviour )
- C = cognitieve aspecten ( waarneming, geheugen en denken )
Hoofdstuk 2 : groepsnormen
2.1 hoe normen ontstaan
->> verschilt van groep tot groep, evenals de concrete inhoud waar ze betrekking op
hebben.
- top-down = normen worden bedisseld door kleine groep en vervolgens
opgelegd aan de hele groep
, - bottom-up = normen die resultaat zijn van een langzaam rijpende consensus
binnen de groep.
2.1.1 van bovenaf opgelegde normen ( top-down )
-> vooral in een verticaal gestructureerde groep, met een duidelijke hiërarchie waarin
een beperkt aantal leden heel veel macht bezitten. Denk aan autoritair geleide
politieke of religieuze organisatie.
2.1.2 normen die spontaan ontstaan ( bottom-up )
Resultaat van overleg en rationele besluitvorming. Discussie en eventuele stemming
om zo tot een duidelijke richtlijn te komen. Bv. Goed functionerend parlementair
systeem. Veel normen ontstaan in een spontane en vaak onbewuste manier.
Normen als product van sociale vergelijking
Sociale normering = het geruisloos ontstaan van een gezamenlijke norm. Lees
experiment Sherif.
Sociale vergelijkingstheorie ( Festinger ) = wanneer mensen in een ambigue situatie
terechtkomen, waar men geen enkel objectief criterium hebben om hun oordeel te
toetsen, dan richten ze zich tot elkaar om via sociale vergelijking tot een evaluatie te
komen.
2.2 impact van een groepsnorm op het individu
Druk kan verschillende gradaties of vormen aannemen. In wat volgt, onderscheiden
we in 3 niveaus :
- Conformeren
- Inwilligen
- Gehoorzamen
2.2.1 automatische sociale invloed
Kameleoneffect = een concrete vorm van imitatiegedrag in sociale contacten.
2.2.2. niveau 1 : conformeren aan een groepsnorm
Conformisme = de neiging om de eigen opinies, attitudes of gedragingen aan te
passen aan wat met als norm ervaart binnen de groep.
- Informationele beïnvloeding = wanneer de omstaanders informatie lijken te
bezitten die men zelf mist, gaat de persoon zich veilig voelen om zich
hierop te oriënteren.
- Normatieve beïnvloeding = groepsoordeel wordt als dwingende norm
ervaren waar men zich, op straffe van uitsluiting, maar best bij aansluit.
Lees : experiment solomon ash
Inwerkende factoren
- Kenmerken van de groep :
Grootte van de groep
Hoofdstuk 1 : kennismaking met de sociale psychologie
1.1 studieobject van de sociale psychologie
1.1.1 gebiedsomschrijving
de sociale psychologie is een wetenschappelijke studie. Wetenschappelijke beweringen
dienen het resultaat te zijn van zorgvuldig methodisch onderzoek.
- Begrijpende methode : is kwalitatief van aard. Maakt dus geen gebruik van
cijfermateriaal en beperkt zich dus tot verbale beschrijvingen van het soort
samenhangen die naar voren treden. Hierbij wordt vaak gebruik gemaakt
van gevalsstudies.
Valkuil = subjectiviteit.
- Correlationele methode: hierbij worden bij een groep individuen
verschillende soorten gegevens verzameld, en vervolgens gaat men er
statistische bewerkingen op doorvoeren om te zien of er bepaalde
correlaties naar voren komen.
Correlatie = drukt uit hoe de veranderingen in de ene variabele
samenhangen met veranderingen in de ander.
- Experimentele methode: maakt het mogelijk om te onderzoeken of een
bepaalde variabele invloed heeft op een andere.
Afhankelijke variabele ( AV ) = de eigenschap of gebeurtenis waarvan we
willen weten waardoor ze beïnvloed wordt.
Onafhankelijke variabele ( OV ) = de eigenschap of gebeurtenis waarvan
we vermoeden dat ze invloed heeft op de afhankelijke variabele.
Moet in een gecontroleerde situatie gebeuren om storende variabelen uit
te schakelen of te neutraliseren.
Volgens Allport houdt sociale psychologie zich naast het zichtbare gedrag, ook bezig
met wat mensen denken en voelen. ->> A-B-C model.
- A = affectieve component ( gevoelens )
- B = manifeste gedrag ( behaviour )
- C = cognitieve aspecten ( waarneming, geheugen en denken )
Hoofdstuk 2 : groepsnormen
2.1 hoe normen ontstaan
->> verschilt van groep tot groep, evenals de concrete inhoud waar ze betrekking op
hebben.
- top-down = normen worden bedisseld door kleine groep en vervolgens
opgelegd aan de hele groep
, - bottom-up = normen die resultaat zijn van een langzaam rijpende consensus
binnen de groep.
2.1.1 van bovenaf opgelegde normen ( top-down )
-> vooral in een verticaal gestructureerde groep, met een duidelijke hiërarchie waarin
een beperkt aantal leden heel veel macht bezitten. Denk aan autoritair geleide
politieke of religieuze organisatie.
2.1.2 normen die spontaan ontstaan ( bottom-up )
Resultaat van overleg en rationele besluitvorming. Discussie en eventuele stemming
om zo tot een duidelijke richtlijn te komen. Bv. Goed functionerend parlementair
systeem. Veel normen ontstaan in een spontane en vaak onbewuste manier.
Normen als product van sociale vergelijking
Sociale normering = het geruisloos ontstaan van een gezamenlijke norm. Lees
experiment Sherif.
Sociale vergelijkingstheorie ( Festinger ) = wanneer mensen in een ambigue situatie
terechtkomen, waar men geen enkel objectief criterium hebben om hun oordeel te
toetsen, dan richten ze zich tot elkaar om via sociale vergelijking tot een evaluatie te
komen.
2.2 impact van een groepsnorm op het individu
Druk kan verschillende gradaties of vormen aannemen. In wat volgt, onderscheiden
we in 3 niveaus :
- Conformeren
- Inwilligen
- Gehoorzamen
2.2.1 automatische sociale invloed
Kameleoneffect = een concrete vorm van imitatiegedrag in sociale contacten.
2.2.2. niveau 1 : conformeren aan een groepsnorm
Conformisme = de neiging om de eigen opinies, attitudes of gedragingen aan te
passen aan wat met als norm ervaart binnen de groep.
- Informationele beïnvloeding = wanneer de omstaanders informatie lijken te
bezitten die men zelf mist, gaat de persoon zich veilig voelen om zich
hierop te oriënteren.
- Normatieve beïnvloeding = groepsoordeel wordt als dwingende norm
ervaren waar men zich, op straffe van uitsluiting, maar best bij aansluit.
Lees : experiment solomon ash
Inwerkende factoren
- Kenmerken van de groep :
Grootte van de groep