1
ZELFSTUDIEOPDRACHT 3 IMMUNOLOGIE: HUMORALE IMMUUNRESPONSEN EN
EFFECTORMECHANISMEN – TOLERANTIE EN AUTO-
IMMUNITEIT
Hoofdstuk 7: Humorale immuun responsen
Humorale immuniteit w gemedieerd door antilichamen
-> Deel vh adaptieve immuunsysteem
-> Neutraliseert en elimineert extracellulaire microben en microbiële toxines
Vooral effectief tegen microben met capsule rijk aan polysachariden en lipiden
Naïeve B lymfocyten herkennen antigenen maar secreteren geen antilichamen
-> Ze differentiëren tot antilichaam secreterende plasma cellen
-> Herkennen proteïnen, polysachariden, lipiden, nucleïnezuren en kleine chemicaliën
7.1 Fases en types van de humorale immuun responsen
Naïeve B lymfocyten hebben 2 klassen van membraan-gebonden antilichamen
-> Functioneren als receptoren voor antigenen
1. Immunoglobine M (IgM)
2. Immunoglobine D (IgD)
-> De naïeve B cel w geactiveerd door binding vn antigenen aan membraan Igs en andere signalen
Activatie van B lymfocyten leidt tot proliferatie van antigen-specifieke cellen: Klonale expansie
En differentiatie in plasma cellen (effector cellen van humorale immuniteit)
-> De geproduceerde antilichamen hebben dezelfde specificiteit vd opp receptoren die de antigen herkenden
Wordt zo’n 4000 plasma cellen gevormd die 1012 antilichaam moleculen per dag produceren
Om de snel prolifererende microben te kunnen ‘bijhouden’
Heavy-chain isotype (of klasse) swichting: Sommige B cellen beginnen antilichamen van andere heavy-chain
isotypes te produceren
Deze zijn gespecialiseerd om op andere types microben te werken
Affiniteit maturatie: Herhaalde blootstelling aan een proteïne antigen leidt tot de productie van
antilichamen met verhoogde affiniteit voor het antigen
-> Leidt tot de productie van antilichamen met verbeterde capaciteit om te binden
en te neutraliseren
Er zijn T afhankelijke en T onafhankelijke antilichaam responsen
o T afhankelijke
-> Proteïnen antigenen w gepresenteerd door APCs aan T helper lymfocyten
-> T helper lymfocyten spelen belangrijke rol in B cel activatie
En induceren isotype switchting en affiniteit maturatie
-> Indien er geen T cel help aanwezig is lokken proteïne antigenen zwakke tot geen respons uit
o T onafhankelijke
-> Polysachariden, lipiden en andere nonproteïne antigenen stimuleren antilichaam productie uit
zonder T helper cellen
-> De geproduceerde antilichamen hebben weinig isotype swichting en affiniteit maturatie
DUS de meest gesofisticeerde en effectieve antilichaam respons w gegenereerd mbv T helper cellen
, 2
Verschillende deelverzamelingen van B cellen:
o Folliculaire B cellen
-> Leven en circuleren doorheen de follikels vd lymfoïde organen
-> Vormen het grootste deel vd T afhankelijke, klasse-switchende en hoge-affiniteit antilichaam
responsen op proteïne antigenen
-> Leidt tot lang-levende plasma cellen
o Marginale-zone B cellen
-> Zitten in de perifere regio van de milt witte pulp
-> Reageren op polysacharide antigenen in het bloed
o B-1 cellen
-> Reageren op nonproteïne antigenen in de mucosale weefsels en peritoneum
OPM. Marginale-zone B cellen en B-1 cellen hebben antigen receptoren met gelimiteerde diversiteit
en maken vooral IgM responsen
Primaire en secundaire responsen verschillen kwantitatief en kwalitatief
o Primaire respons
-> W veel minder antilichamen geproduceerd dan na herhaaldelijke blootstelling
o Secundaire respons
-> Herhaalde antigen blootstelling leidt tot een verhoging in het aantal en activiteit van T helper
lymfocyten
-> Proteïne antigenen hebben verhoogde heavy-chain isotype switching en affiniteit maturatie
7.2 Stimulatie van B lymfocyten door antigenen
Humorale immuun responsen w geïnitieerd wanneer antigen-specifieke B lymfocyten antigenen herkennen in
de milt, lymfeknoop en mucosaal lymfoid weefsel
1. Sommige antigenen w getransporteerd en geconcentreerd in B cel rijke follikels en marginale zones vd
perifere lymfoïde organen
-> In de lymfeknoop vangen macrofagen rond de subcapsulaire sinus antigenen en transporteren hen
naar de dichtstbijzijnde follikel
In de follikels w de gebonden antigenen gepresenteerd aan B cellen
2. B lymfocyten specifiek voor een antigen gebruiken hun immunoglobuline membraan gebonden
receptoren om het antigen direct te herkennen
-> Antigen moet niet verwerkt w
3. Antigen herkenning triggert signaal pathways die leiden tot B cel activatie
-> B cel activatie heeft nood aan bijkomende signalen
Veel van deze secundaire signalen w geproduceerd tijdens aangeboren immuun reacties
4. Geactiveerde B lymfocyten produceren antilichamen die het microbe of microbiële product kunnen
binden
ZELFSTUDIEOPDRACHT 3 IMMUNOLOGIE: HUMORALE IMMUUNRESPONSEN EN
EFFECTORMECHANISMEN – TOLERANTIE EN AUTO-
IMMUNITEIT
Hoofdstuk 7: Humorale immuun responsen
Humorale immuniteit w gemedieerd door antilichamen
-> Deel vh adaptieve immuunsysteem
-> Neutraliseert en elimineert extracellulaire microben en microbiële toxines
Vooral effectief tegen microben met capsule rijk aan polysachariden en lipiden
Naïeve B lymfocyten herkennen antigenen maar secreteren geen antilichamen
-> Ze differentiëren tot antilichaam secreterende plasma cellen
-> Herkennen proteïnen, polysachariden, lipiden, nucleïnezuren en kleine chemicaliën
7.1 Fases en types van de humorale immuun responsen
Naïeve B lymfocyten hebben 2 klassen van membraan-gebonden antilichamen
-> Functioneren als receptoren voor antigenen
1. Immunoglobine M (IgM)
2. Immunoglobine D (IgD)
-> De naïeve B cel w geactiveerd door binding vn antigenen aan membraan Igs en andere signalen
Activatie van B lymfocyten leidt tot proliferatie van antigen-specifieke cellen: Klonale expansie
En differentiatie in plasma cellen (effector cellen van humorale immuniteit)
-> De geproduceerde antilichamen hebben dezelfde specificiteit vd opp receptoren die de antigen herkenden
Wordt zo’n 4000 plasma cellen gevormd die 1012 antilichaam moleculen per dag produceren
Om de snel prolifererende microben te kunnen ‘bijhouden’
Heavy-chain isotype (of klasse) swichting: Sommige B cellen beginnen antilichamen van andere heavy-chain
isotypes te produceren
Deze zijn gespecialiseerd om op andere types microben te werken
Affiniteit maturatie: Herhaalde blootstelling aan een proteïne antigen leidt tot de productie van
antilichamen met verhoogde affiniteit voor het antigen
-> Leidt tot de productie van antilichamen met verbeterde capaciteit om te binden
en te neutraliseren
Er zijn T afhankelijke en T onafhankelijke antilichaam responsen
o T afhankelijke
-> Proteïnen antigenen w gepresenteerd door APCs aan T helper lymfocyten
-> T helper lymfocyten spelen belangrijke rol in B cel activatie
En induceren isotype switchting en affiniteit maturatie
-> Indien er geen T cel help aanwezig is lokken proteïne antigenen zwakke tot geen respons uit
o T onafhankelijke
-> Polysachariden, lipiden en andere nonproteïne antigenen stimuleren antilichaam productie uit
zonder T helper cellen
-> De geproduceerde antilichamen hebben weinig isotype swichting en affiniteit maturatie
DUS de meest gesofisticeerde en effectieve antilichaam respons w gegenereerd mbv T helper cellen
, 2
Verschillende deelverzamelingen van B cellen:
o Folliculaire B cellen
-> Leven en circuleren doorheen de follikels vd lymfoïde organen
-> Vormen het grootste deel vd T afhankelijke, klasse-switchende en hoge-affiniteit antilichaam
responsen op proteïne antigenen
-> Leidt tot lang-levende plasma cellen
o Marginale-zone B cellen
-> Zitten in de perifere regio van de milt witte pulp
-> Reageren op polysacharide antigenen in het bloed
o B-1 cellen
-> Reageren op nonproteïne antigenen in de mucosale weefsels en peritoneum
OPM. Marginale-zone B cellen en B-1 cellen hebben antigen receptoren met gelimiteerde diversiteit
en maken vooral IgM responsen
Primaire en secundaire responsen verschillen kwantitatief en kwalitatief
o Primaire respons
-> W veel minder antilichamen geproduceerd dan na herhaaldelijke blootstelling
o Secundaire respons
-> Herhaalde antigen blootstelling leidt tot een verhoging in het aantal en activiteit van T helper
lymfocyten
-> Proteïne antigenen hebben verhoogde heavy-chain isotype switching en affiniteit maturatie
7.2 Stimulatie van B lymfocyten door antigenen
Humorale immuun responsen w geïnitieerd wanneer antigen-specifieke B lymfocyten antigenen herkennen in
de milt, lymfeknoop en mucosaal lymfoid weefsel
1. Sommige antigenen w getransporteerd en geconcentreerd in B cel rijke follikels en marginale zones vd
perifere lymfoïde organen
-> In de lymfeknoop vangen macrofagen rond de subcapsulaire sinus antigenen en transporteren hen
naar de dichtstbijzijnde follikel
In de follikels w de gebonden antigenen gepresenteerd aan B cellen
2. B lymfocyten specifiek voor een antigen gebruiken hun immunoglobuline membraan gebonden
receptoren om het antigen direct te herkennen
-> Antigen moet niet verwerkt w
3. Antigen herkenning triggert signaal pathways die leiden tot B cel activatie
-> B cel activatie heeft nood aan bijkomende signalen
Veel van deze secundaire signalen w geproduceerd tijdens aangeboren immuun reacties
4. Geactiveerde B lymfocyten produceren antilichamen die het microbe of microbiële product kunnen
binden