Wat is leren?
Leren gebeurt in verschillende contexten
Gedurende hele ontwikkeling
= vorm van gedragsverandering
Schools leren Buitenschools leren
Doelgericht Spontaan
Eindtermen Leerdoelen afwezig
Formeel Informeel
Leidt tot diploma Buiten de klasmuren
Intentioneel Incidenteel
Intentioneel leren Incidenteel leren Operant leren
= je leert het express = Je leert het perongeluk = gedrag wordt uitgelokt door
consequenties van gedrag
Franse woordjes leren Werkplekleren Straffen en belonen
Stromingen van visies op leren
(Zie mindmaps.)
Kenmerken leren
1) Leren heeft te maken met mentale en interne processen
Niet direct waarneembaar
2) Leeractiviteiten
= Activiteit van de lerende zelf
Niet elke gedragsverandering is gevolg van leeractiviteit (Vb: puberaal gedrag)
3) Leerinhoud
- Declaratieve kennis: kennis van feiten, regels, wetten, principes...
- Procedurele kennis: handelingen en vaardigheden
4) Binnen context, leeromgeving of situatie
5) Resultaat = duurzame gedragsveranderingen
Leerresultaat
Vb: spreken -> communiceren
6) Leren & onderwijzen = verbonden (maar ook zonder elkaar)
,Definitie leren
= mentaal proces waarbij als gevolg van leeractiviteiten een relatief stabiele gedragsverandering tot
stand komt
Niet alle gedragsveranderingen zijn leren
Vb: onder invloed tijdelijke/ toevallige gedragsveranderingen
Rijping Leren
= interne factoren => gedragsverandering = externe factoren => gedragsverandering
Wisselwerking tussen de 2: elementaire gedragsveranderingen (Bv: leren lopen) door rijping
en stimulerende omgeving
Bv: wolfskinderen = kunnen lopen maar enkel op handen en voeten door ontbreken van menselijk
contact.
Rijping: lopen
Leren: rechtop lopen
Leersoorten
1) Cognitief leren
= memoriseren, verwerven en automatiseren van kennis
Declaratieve kennis
Vb: tafels wiskunde
2) Sociaal- of dynamisch-affectief leren
= vorming van interesses, gevoelens, houdingen en attitudes
! in persoonlijkheidsontwikkeling
Vb: geboeid door probleem, triest bij oorlogsbeelden, interesse en verder opzoeking doen
ATTITUDE
= innerlijke ingesteldheid
Vaak geleerd in niet- schoolse situaties
In loop van ontwikkeling
,3 componenten van attitude 3 factoren bij vorming of verandering attitude
1. Cognitieve component 1) Situatie
= kennis hebben van… = wijze waarop in contact
Vb: kennis van ongezond eten Vb: zelf in chiro? => positief naar kijken
2. Affectieve component 2) Identificatie
= gevoelens die opgewekt worden = houding overnemen met wie we ons graag
Vb: beter voelen door gezond eten identificeren
3. Gedrags- of handelingscomponent Vb: idool => zelfde politieke standpunt nemen
= persoonlijk handelen tov waarden 3) Informatie
Bv: beslissen geen fastfood meer = zien hoe bekend je met info bent
Vb: veel weten over natuur => milieuvriendelijk
Wijzigen attitude
Modelleren
3) Psychomotorisch leren
= automatiseren tot menselijke motoriek
Vb: technisch schrijven, zwemmen…
Begint met cognitief gecontroleerde uitvoering
Basisprincipes
Goed beeld weergeven
Demonstreren
Analyseren van fouten en corrigeren
Langdurig oefenen
Kan ook cognitief zijn
Bij veel technische vaardigheden is een bewuste, cognitieve component aanwezig
Bv: boetseren van figuren in klei
, Hoe komt leren tot stand?
= 4 manieren om iets te leren
1) Klassieke conditionering
= leren om 1 gebeurtenis met een andere te associëren
Vb: eerst vond je wiskunde leuk, maar dan nieuwe leerkracht met een schelle stem wat je een
onaangenaam gevoel geeft. Deze negatieve gevoelens bij de stem werden na enige tijd geassocieerd
met wiskunde.
1) Stimulus
Een leerkracht met schelle stem
2) Respons (reactie op stimulus)
Negatieve gevoelens
KWIJLREFLEX BIJ HONDEN
Bedenker: Pavlov
Kwijlreflex bij honden onderzoeken adhv belsignaal
Stimulus = voedsel
Respons = kwijlen
Associatie = belsignaal met voedsel
= leerproces door associatie
Leerprincipe klassieke conditionering
= treedt een respons op als reactie op een bepaalde nieuwe stimulus
1. VOOR de conditionering
Belsignaal (NS) -> neutrale respons
Voedsel (OS) -> speekselafscheiding (OR)
2. TIJDENS de conditionering (begin leren)
Belsignaal (NS)
voedsel (OS) -> speekselafscheiding (OR)
3. NA de conditionering
Belsignaal (CS) -> speekselafscheiding (CR)
OS = onvoorwaardelijke/ ongeconditioneerde stimulus
OR = onvoorwaardelijke/ ongeconditioneerde respons
NS= neutrale stimulus (lokt geen reactie uit)
Leerfase
CS = geconditioneerde stimulus (lokt CR uit) (wordt geassocieerd met iets)
= CS gekoppeld wordt aan OS
CR = geconditioneerde respons (wordt geassocieerd met iets)
Leren gebeurt in verschillende contexten
Gedurende hele ontwikkeling
= vorm van gedragsverandering
Schools leren Buitenschools leren
Doelgericht Spontaan
Eindtermen Leerdoelen afwezig
Formeel Informeel
Leidt tot diploma Buiten de klasmuren
Intentioneel Incidenteel
Intentioneel leren Incidenteel leren Operant leren
= je leert het express = Je leert het perongeluk = gedrag wordt uitgelokt door
consequenties van gedrag
Franse woordjes leren Werkplekleren Straffen en belonen
Stromingen van visies op leren
(Zie mindmaps.)
Kenmerken leren
1) Leren heeft te maken met mentale en interne processen
Niet direct waarneembaar
2) Leeractiviteiten
= Activiteit van de lerende zelf
Niet elke gedragsverandering is gevolg van leeractiviteit (Vb: puberaal gedrag)
3) Leerinhoud
- Declaratieve kennis: kennis van feiten, regels, wetten, principes...
- Procedurele kennis: handelingen en vaardigheden
4) Binnen context, leeromgeving of situatie
5) Resultaat = duurzame gedragsveranderingen
Leerresultaat
Vb: spreken -> communiceren
6) Leren & onderwijzen = verbonden (maar ook zonder elkaar)
,Definitie leren
= mentaal proces waarbij als gevolg van leeractiviteiten een relatief stabiele gedragsverandering tot
stand komt
Niet alle gedragsveranderingen zijn leren
Vb: onder invloed tijdelijke/ toevallige gedragsveranderingen
Rijping Leren
= interne factoren => gedragsverandering = externe factoren => gedragsverandering
Wisselwerking tussen de 2: elementaire gedragsveranderingen (Bv: leren lopen) door rijping
en stimulerende omgeving
Bv: wolfskinderen = kunnen lopen maar enkel op handen en voeten door ontbreken van menselijk
contact.
Rijping: lopen
Leren: rechtop lopen
Leersoorten
1) Cognitief leren
= memoriseren, verwerven en automatiseren van kennis
Declaratieve kennis
Vb: tafels wiskunde
2) Sociaal- of dynamisch-affectief leren
= vorming van interesses, gevoelens, houdingen en attitudes
! in persoonlijkheidsontwikkeling
Vb: geboeid door probleem, triest bij oorlogsbeelden, interesse en verder opzoeking doen
ATTITUDE
= innerlijke ingesteldheid
Vaak geleerd in niet- schoolse situaties
In loop van ontwikkeling
,3 componenten van attitude 3 factoren bij vorming of verandering attitude
1. Cognitieve component 1) Situatie
= kennis hebben van… = wijze waarop in contact
Vb: kennis van ongezond eten Vb: zelf in chiro? => positief naar kijken
2. Affectieve component 2) Identificatie
= gevoelens die opgewekt worden = houding overnemen met wie we ons graag
Vb: beter voelen door gezond eten identificeren
3. Gedrags- of handelingscomponent Vb: idool => zelfde politieke standpunt nemen
= persoonlijk handelen tov waarden 3) Informatie
Bv: beslissen geen fastfood meer = zien hoe bekend je met info bent
Vb: veel weten over natuur => milieuvriendelijk
Wijzigen attitude
Modelleren
3) Psychomotorisch leren
= automatiseren tot menselijke motoriek
Vb: technisch schrijven, zwemmen…
Begint met cognitief gecontroleerde uitvoering
Basisprincipes
Goed beeld weergeven
Demonstreren
Analyseren van fouten en corrigeren
Langdurig oefenen
Kan ook cognitief zijn
Bij veel technische vaardigheden is een bewuste, cognitieve component aanwezig
Bv: boetseren van figuren in klei
, Hoe komt leren tot stand?
= 4 manieren om iets te leren
1) Klassieke conditionering
= leren om 1 gebeurtenis met een andere te associëren
Vb: eerst vond je wiskunde leuk, maar dan nieuwe leerkracht met een schelle stem wat je een
onaangenaam gevoel geeft. Deze negatieve gevoelens bij de stem werden na enige tijd geassocieerd
met wiskunde.
1) Stimulus
Een leerkracht met schelle stem
2) Respons (reactie op stimulus)
Negatieve gevoelens
KWIJLREFLEX BIJ HONDEN
Bedenker: Pavlov
Kwijlreflex bij honden onderzoeken adhv belsignaal
Stimulus = voedsel
Respons = kwijlen
Associatie = belsignaal met voedsel
= leerproces door associatie
Leerprincipe klassieke conditionering
= treedt een respons op als reactie op een bepaalde nieuwe stimulus
1. VOOR de conditionering
Belsignaal (NS) -> neutrale respons
Voedsel (OS) -> speekselafscheiding (OR)
2. TIJDENS de conditionering (begin leren)
Belsignaal (NS)
voedsel (OS) -> speekselafscheiding (OR)
3. NA de conditionering
Belsignaal (CS) -> speekselafscheiding (CR)
OS = onvoorwaardelijke/ ongeconditioneerde stimulus
OR = onvoorwaardelijke/ ongeconditioneerde respons
NS= neutrale stimulus (lokt geen reactie uit)
Leerfase
CS = geconditioneerde stimulus (lokt CR uit) (wordt geassocieerd met iets)
= CS gekoppeld wordt aan OS
CR = geconditioneerde respons (wordt geassocieerd met iets)