Weer Klimaat
- bepaalde plaats - gemiddelde toestand in atmosfeer
- bepaald tijdstip - langere periode
in atmosfeer - bepaalde plaats
synoptische meteorologie klimatologie
4 elementen weer:
Temperatuur
Luchtvochtigheid/neerslag
Richting van de lucht (wind)
Onopmerkelijke verschijnselen.
De temperatuur
Meting en verwerking
Thermometer = temperatuur.
Opwarming stoffen uitzetten + Afkoeling stoffen inkrimpen
o Kwik: -30° en 350° (-39° en 357°)
o Alcohol: lagere temperaturen stol –en smeltpunten lager.
Gemeten op 1,5 m boven de grond.
Straling kan niet beïnvloeden.
Om 3uur meten gemiddelde nemen.
Celcius of Fahrenheit als schaal 100°C = 212 F
Factoren die de temperatuur op aarde beïnvloeden
1. Invalshoek van de zonnestralen en de bestralingsduur
a. Tijdstip van de dag
i. Dagelijkse temperatuurschommeling door schijnbare dagelijkse
beweging van de zon aardrotatie invalshoek wijzigt.
b. De seizoenen
i. Jaarschommeling door verandering in zonhoogte + duur v/d dag
wijzigt. aardrevolutie.
c. De ligging op aarde
i. Breedteligging hoe groter de breedteligging, hoe kouder.
1
, Pool wisselt warmte met
gematigde zone.
Gematigde zone warmte met
polen en tropen
Tropen alleen met gematigd
tropen krijgen overschot +
polen tekort.
2. Invloed van land en water
Temperatuurschommeling stijgt
van west naar oost.
Temperatuur boven oceaan hoger, dan boven land.
Water Land
Zomer Trage opwarming en Snellere opwarming en
lagere temperaturen hogere temperaturen
Winter Watermassa staat warmte Dun bodemlaagje geeft
traag af aan de lucht en warmte snel af met een
behoudt een hogere lagere temperatuur als
temperatuur gevolg.
Schommeling wordt naar kleiner zee toe.
3. Zeestromen
Golfstroom = warme zeestroom in de winterperiode.
Labradorstroom = koude zeestroom in de zomerperiode.
West-Europa = warme zeestroom
Noord-Amerika = koude zeestroom
4. Temperatuurveranderingen in oceanen
weerpatronen ontregelen.
5. Invloed van reliëf
Temperatuur bij hoogte neemt af aard van de lucht in berggebieden
variaties.
6. Plaatselijke beïnvloeding
Bewolking houdt ‘s nachts warmte tegen warmere nachten.
Overdag verhinderen koudere dagen.
Donkere bodem = warmer dan lichte bodem absorbeert warmte beter en
dieper.
Lichte bodem = kouder stralingsreflectie.
2