@2021-2022
ALGEMENE ECONOMIE
HOOFDSTUK 1: WAT IS ECONOMIE? OBJECT, DOEL EN METHODE VD ECONOMISCHE WETENSCHAP
- om betere beslissingen te kunnen nemen ih dagelijkse leven
- om problemen in de wereld, beter te begrijpen
- om beter beleid te kunnen voeren
→ Inzicht geven in de maatschappelijke organisatie (Behoefte & Keuzes)
1.2 FUNDAMENTEEL PROBLEEM
Nut van economische analyse: spanning ontstaan door vele behoeften, schaarse middelen
→ gaat na hoe mens omgaat met keuzes maken en diens gevolgen
Schaarsteprobleem → dwingt tot maken van keuzes
MENSELIJKE EN MAATSCHAPPELIJKE BEHOEFTEN
→ Materiële vs immateriële goederen
→ Individuele en collectieve aard
→ rangorde/ intensiteit
Consumentensoevereiniteit (geen onderzoek morele waarde) -> economie spreekt NIET uit over waarde vd behoefte
SCHAARSE MIDDELEN EN DE NOODZAAK TE KIEZEN
Economische goederen (schaarse) Vrije goederen (niet-schaarse)
→ kunnen behoefte (gedeeltelijk) opvangen → Goederen in enorme hoeveelheid aanwezig od
→ (im)materiële goederen wereld
→ Schaarste en nut moeten samen aanwezig zijn
HET keuzeprobleem id economie: ‘Robinson Crusoë economie’
Middelen/ tijd optimaal verdelen over goederen en activiteiten
Principe: middelen (=single use), beperkte tijd: dezelfde middelen en tijd geen 2 keer kunnen inzetten
Ook overheid heeft schaarsteprobleem => keuzes maken => evenwicht tss efficiëntie en gelijkheid
KEUZES MAKEN EN OPPORTUNITEITSKOSTEN
Opportuniteitskost: Werkelijke kosten ve gemaakte keuze = waarde vh alternatief opgegeven voor deze keuze
ECONOMIE: DEFINITIE
= sociale wetenschap met als voorwerp het beheer v schaarse middelen
Soorten keuzeproblemen binnen de economie
• Allocatieprobleem: Hoe wijs je de schaarse middelen toe aan diverse aanwendingen?
• Distributieprobleem: Hoe verdeel je voordelen vd geproduceerde g&d aan bevolking (Verdelingsprobleem).
• Aanwendingsprobleem: goed beheer vd schaarse middelen vereist nastreven vd volledige aanwending
vd beschikbare middelen. (stabilisatieprobleem)
MICRO- EN MACRO-ECONOMIE
Micro-economie Macro-economie
Gaat beslissingen van individuen en bedrijven na. Bestuderen vraagstukken die gehele economie beïnvloeden.
vb: Meerderheid Belgische auto’s verkiest tol ipv. File-rijden. vb: Belgische centrale bank beslist rente niet te verhogen
Allocatie- en distributieproblemen Stabilisatieprobleem: voorwerpen van macro-eco
Inflatie: meet hoeveel het leven duurder is geworden in percent
Louiza Van Wynsberghe 1
,1.3 HET PRODUCTIEPROCES
Soorten goederen die productie
- Economische goederen
• Kapitaalgoederen: niet verbruikt maar gebruikt voor de productie (bv: machines)
• Consumptiegoederen: verbruikt (duurzaam consumptiegoed gaat meerdere keren mee)
- Op gepaste tijd en plaats ter beschikking gesteld voor bevolking
- Door inzet van de schaarse middelen
PRODUCTIEFACTOREN
(op macro-economisch vlak, schaarse middelen herleiden tot)
• Arbeid (L): alle mogelijke arbeidsprestaties
productiefactor
Primaire
(Activiteitsgraad: duidt percentage aan vd totale bevolking die in aanmerking komt voor arbeid)
• Natuur (N): natuurlijke rijkdommen
(grondstoffen, klimaat, ...)
productiefactor
• Kapitaal (K): alle reële kapitaalgoederen (geheel van door mensen geproduceerde productiemiddelen)
Afgeleide
(omwegproductie; bv fabrieksgebouwen, machines etc.)
In combinatie met het ondernemingsinitiatief Combinatie → productie (output)
PRODUCTIEPROCES
→ hangt af van veel factoren en doorloopt verschillende stadia
- Finaal geproduceerde output in geaggregeerde economie: bestaat uit consumptie en kapitaalgoederen
Duurzame consumptiegoederen: producten die langere tijdspanne in behoefte voorzien
Investeren: verhogen vd hoeveelheid reële kapitaalgoederen (komt neer op uitstel van consumptie)
Op kort termijn zijn consumptie en investeringen alternatieven; ene ten koste van het andere
(op lange termijn gaan beide samen)
Opmerking:
Rol van kapitaalgoederen verschilt met natuur en arbeid;
- Komen niet direct in aanmerking voor
consumptie.
- Aangewend voor productie andere economische
goederen wel in aanmerking voor consumptie.
PRODUCTIEFUNCTIE
= Technische relatie tussen productiefactoren (input) en
de max. output (#economische goederen) die men
daarmee kan produceren
verhoging productiefactoren verhoging vd output
Marginaal product: verandering in output gedeeld door verandering input
(afnemend marginaal product: een positief marginaal getal wordt steeds maar kleiner)
Louiza Van Wynsberghe 2
, Bv: positief marginaal product van arbeid: een kleine verandering in de hoeveelheid ingezette arbeid zorgt
voor een toename in output:
PRODUCTIEFUNCTIE
1.4 PRODUCTIEMOGELIJKHEDENCURVE
Hoe allocatie- en aanwendingsprobleem oplossen → curve construeren voor voorstelling vd productiemogelijkheden
- Punten op de productiecurve zijn efficiënt. (= oplossing aanwendingsprobleem)
- Hoeveel graan wordt in welk punt geproduceerd (= oplossing allocatieprobleem)
- Punten onder de productiecurve zijn inefficiënt, niet alle arbeid (L) wordt benut.
- Punten boven de curve zijn gewoonweg niet haalbaar, punt Z (schaarse middelen).
Curve: verzameling vd efficiënte productiemogelijkheden
1.5 VERRUIMEN VD PRODUCTIEMOGELIJKHEDEN
Productiemogelijkheden ve land constant in tijd -> door determinanten
Productiemogelijkheden verruimen -> schuift productie naar rechts
• Arbeidsverdeling: specialisatie in productieproces => arbeidsproductiviteit
- Aangeboren talenten kunnen aangewend worden aan een specifieke deeltaak → efficiëntie neemt toe
- Aangepaste scholing, opleidingen
- Routine verhoogt vakbekwaamheid nadeel: aliënatie tov productie
• Vooruitgang in de technologische kennis (T)
- verhoogd arbeidsproductiviteit, productiemogelijkheden
• Wijziging in de economische ordening
- wetten, reglementen, instellingen, gewoontes etc.
Louiza Van Wynsberghe 3
, 1.6 CENTRALE PLANNING VERSUS HET MARKTMECHANISME
→ om het allocatie- en distributieprobleem om te lossen zijn meerdere sturingsmechanismen (centrale planning en
marktmechanisme)
CENTRAAL GELEIDE ECONOMIE
- Centraal orgaan stelt een plan op: wat, hoe, hoeveel, hoe controleren (juiste afweging cruciaal!)
- Bureaucratische controle → geen ruimte voor flexibiliteit en creativiteit
- Voor individuele productie-eenheden productiequota bepaald en bereikt worden
- Succesvol? → productie kapitaalgoederen stimuleren te kosten van productie consumptiegoederen
MARKTECONOMIE
- Prijs zorgt voor vraag en aanbod (Prijs zorgt bv dat fietsen zoveel zoveel gekocht er geproduceerd worden)
- Efficiënt systeem dat zichzelf in evenwicht houdt: geld zowel voor input- als outputmarkt
- Sterk gedecentraliseerde organisatie (overgelaten aan individuele consumenten en bedrijven)
→ Prijsmechanisme in markteconomie vervult:
1. Informatie aangaande schaarste en nut v verschillende goederen
2. Geven signalen en prikkels aan consumenten en producenten
3. Bepaalt inkomensvermogen -> vandaar verbinding tss primair inkomensverdeling en prijs
Enkel efficiënt bij ideaaltypische situatie
→ Verstoorbaar door
- Sterke economische macht v bedrijven tasten prijsmechanisme aan → Monopolie (bv NMBS in België)
- Publieke goederen w omwille vh karakteristiek niet aangeboden op markt (bv straatverlichting)
- Externe effecten (gevolgen op de gezondheid door de industrie zijn niet inbegrepen in de prijs van een product)
- Primaire inkomensverdeling niet altijd sociaal aanvaardbaar → resulterende verdeling wordt secundaire
inkomensverdeling
GEMENGDE ECONOMIE (= gulden middenweg, markwerking met overheidsinterventie)
- Budgetmechanisme als ordeningssysteem in publieke sector (vb verdienste goederen: overheid moedigt
consumptie aan)
- Concurrentie bevorderende maatregelen voor efficiënte werking vd markt
- Afspraken voor max. prijzen
1.7 METHODOLOGISCHE ASPECTEN VAN ECONOMISCHE ANALYSE
HYPOTHESEN
- Mensen reageren op prikkels
- Optimaliserend gedrag
- Ceteris paribus-assumptie (indien al het overige gelijk blijft)
BELANG V MARGINAAL DENKEN
Invloed van kleine veranderingen in bepaalde variabele op een andere
Indien marginale kosten (nadelen) > marginale opbrengsten (voordelen) => rationele beslissing om
aanpassingen niet door te voeren
POSITIEVE VS NORMATIEVE ECONOMISCHE ANALYSE
Wat als vs waarde-oordeel (feit vs feit als ondersteuning v mening)
STATISCHE VS DYNAMISCHE ANALYSE
Vertreksituatie -> Eindresultaat vs onderzoek van het hele aanpassingsproces
Louiza Van Wynsberghe 4
ALGEMENE ECONOMIE
HOOFDSTUK 1: WAT IS ECONOMIE? OBJECT, DOEL EN METHODE VD ECONOMISCHE WETENSCHAP
- om betere beslissingen te kunnen nemen ih dagelijkse leven
- om problemen in de wereld, beter te begrijpen
- om beter beleid te kunnen voeren
→ Inzicht geven in de maatschappelijke organisatie (Behoefte & Keuzes)
1.2 FUNDAMENTEEL PROBLEEM
Nut van economische analyse: spanning ontstaan door vele behoeften, schaarse middelen
→ gaat na hoe mens omgaat met keuzes maken en diens gevolgen
Schaarsteprobleem → dwingt tot maken van keuzes
MENSELIJKE EN MAATSCHAPPELIJKE BEHOEFTEN
→ Materiële vs immateriële goederen
→ Individuele en collectieve aard
→ rangorde/ intensiteit
Consumentensoevereiniteit (geen onderzoek morele waarde) -> economie spreekt NIET uit over waarde vd behoefte
SCHAARSE MIDDELEN EN DE NOODZAAK TE KIEZEN
Economische goederen (schaarse) Vrije goederen (niet-schaarse)
→ kunnen behoefte (gedeeltelijk) opvangen → Goederen in enorme hoeveelheid aanwezig od
→ (im)materiële goederen wereld
→ Schaarste en nut moeten samen aanwezig zijn
HET keuzeprobleem id economie: ‘Robinson Crusoë economie’
Middelen/ tijd optimaal verdelen over goederen en activiteiten
Principe: middelen (=single use), beperkte tijd: dezelfde middelen en tijd geen 2 keer kunnen inzetten
Ook overheid heeft schaarsteprobleem => keuzes maken => evenwicht tss efficiëntie en gelijkheid
KEUZES MAKEN EN OPPORTUNITEITSKOSTEN
Opportuniteitskost: Werkelijke kosten ve gemaakte keuze = waarde vh alternatief opgegeven voor deze keuze
ECONOMIE: DEFINITIE
= sociale wetenschap met als voorwerp het beheer v schaarse middelen
Soorten keuzeproblemen binnen de economie
• Allocatieprobleem: Hoe wijs je de schaarse middelen toe aan diverse aanwendingen?
• Distributieprobleem: Hoe verdeel je voordelen vd geproduceerde g&d aan bevolking (Verdelingsprobleem).
• Aanwendingsprobleem: goed beheer vd schaarse middelen vereist nastreven vd volledige aanwending
vd beschikbare middelen. (stabilisatieprobleem)
MICRO- EN MACRO-ECONOMIE
Micro-economie Macro-economie
Gaat beslissingen van individuen en bedrijven na. Bestuderen vraagstukken die gehele economie beïnvloeden.
vb: Meerderheid Belgische auto’s verkiest tol ipv. File-rijden. vb: Belgische centrale bank beslist rente niet te verhogen
Allocatie- en distributieproblemen Stabilisatieprobleem: voorwerpen van macro-eco
Inflatie: meet hoeveel het leven duurder is geworden in percent
Louiza Van Wynsberghe 1
,1.3 HET PRODUCTIEPROCES
Soorten goederen die productie
- Economische goederen
• Kapitaalgoederen: niet verbruikt maar gebruikt voor de productie (bv: machines)
• Consumptiegoederen: verbruikt (duurzaam consumptiegoed gaat meerdere keren mee)
- Op gepaste tijd en plaats ter beschikking gesteld voor bevolking
- Door inzet van de schaarse middelen
PRODUCTIEFACTOREN
(op macro-economisch vlak, schaarse middelen herleiden tot)
• Arbeid (L): alle mogelijke arbeidsprestaties
productiefactor
Primaire
(Activiteitsgraad: duidt percentage aan vd totale bevolking die in aanmerking komt voor arbeid)
• Natuur (N): natuurlijke rijkdommen
(grondstoffen, klimaat, ...)
productiefactor
• Kapitaal (K): alle reële kapitaalgoederen (geheel van door mensen geproduceerde productiemiddelen)
Afgeleide
(omwegproductie; bv fabrieksgebouwen, machines etc.)
In combinatie met het ondernemingsinitiatief Combinatie → productie (output)
PRODUCTIEPROCES
→ hangt af van veel factoren en doorloopt verschillende stadia
- Finaal geproduceerde output in geaggregeerde economie: bestaat uit consumptie en kapitaalgoederen
Duurzame consumptiegoederen: producten die langere tijdspanne in behoefte voorzien
Investeren: verhogen vd hoeveelheid reële kapitaalgoederen (komt neer op uitstel van consumptie)
Op kort termijn zijn consumptie en investeringen alternatieven; ene ten koste van het andere
(op lange termijn gaan beide samen)
Opmerking:
Rol van kapitaalgoederen verschilt met natuur en arbeid;
- Komen niet direct in aanmerking voor
consumptie.
- Aangewend voor productie andere economische
goederen wel in aanmerking voor consumptie.
PRODUCTIEFUNCTIE
= Technische relatie tussen productiefactoren (input) en
de max. output (#economische goederen) die men
daarmee kan produceren
verhoging productiefactoren verhoging vd output
Marginaal product: verandering in output gedeeld door verandering input
(afnemend marginaal product: een positief marginaal getal wordt steeds maar kleiner)
Louiza Van Wynsberghe 2
, Bv: positief marginaal product van arbeid: een kleine verandering in de hoeveelheid ingezette arbeid zorgt
voor een toename in output:
PRODUCTIEFUNCTIE
1.4 PRODUCTIEMOGELIJKHEDENCURVE
Hoe allocatie- en aanwendingsprobleem oplossen → curve construeren voor voorstelling vd productiemogelijkheden
- Punten op de productiecurve zijn efficiënt. (= oplossing aanwendingsprobleem)
- Hoeveel graan wordt in welk punt geproduceerd (= oplossing allocatieprobleem)
- Punten onder de productiecurve zijn inefficiënt, niet alle arbeid (L) wordt benut.
- Punten boven de curve zijn gewoonweg niet haalbaar, punt Z (schaarse middelen).
Curve: verzameling vd efficiënte productiemogelijkheden
1.5 VERRUIMEN VD PRODUCTIEMOGELIJKHEDEN
Productiemogelijkheden ve land constant in tijd -> door determinanten
Productiemogelijkheden verruimen -> schuift productie naar rechts
• Arbeidsverdeling: specialisatie in productieproces => arbeidsproductiviteit
- Aangeboren talenten kunnen aangewend worden aan een specifieke deeltaak → efficiëntie neemt toe
- Aangepaste scholing, opleidingen
- Routine verhoogt vakbekwaamheid nadeel: aliënatie tov productie
• Vooruitgang in de technologische kennis (T)
- verhoogd arbeidsproductiviteit, productiemogelijkheden
• Wijziging in de economische ordening
- wetten, reglementen, instellingen, gewoontes etc.
Louiza Van Wynsberghe 3
, 1.6 CENTRALE PLANNING VERSUS HET MARKTMECHANISME
→ om het allocatie- en distributieprobleem om te lossen zijn meerdere sturingsmechanismen (centrale planning en
marktmechanisme)
CENTRAAL GELEIDE ECONOMIE
- Centraal orgaan stelt een plan op: wat, hoe, hoeveel, hoe controleren (juiste afweging cruciaal!)
- Bureaucratische controle → geen ruimte voor flexibiliteit en creativiteit
- Voor individuele productie-eenheden productiequota bepaald en bereikt worden
- Succesvol? → productie kapitaalgoederen stimuleren te kosten van productie consumptiegoederen
MARKTECONOMIE
- Prijs zorgt voor vraag en aanbod (Prijs zorgt bv dat fietsen zoveel zoveel gekocht er geproduceerd worden)
- Efficiënt systeem dat zichzelf in evenwicht houdt: geld zowel voor input- als outputmarkt
- Sterk gedecentraliseerde organisatie (overgelaten aan individuele consumenten en bedrijven)
→ Prijsmechanisme in markteconomie vervult:
1. Informatie aangaande schaarste en nut v verschillende goederen
2. Geven signalen en prikkels aan consumenten en producenten
3. Bepaalt inkomensvermogen -> vandaar verbinding tss primair inkomensverdeling en prijs
Enkel efficiënt bij ideaaltypische situatie
→ Verstoorbaar door
- Sterke economische macht v bedrijven tasten prijsmechanisme aan → Monopolie (bv NMBS in België)
- Publieke goederen w omwille vh karakteristiek niet aangeboden op markt (bv straatverlichting)
- Externe effecten (gevolgen op de gezondheid door de industrie zijn niet inbegrepen in de prijs van een product)
- Primaire inkomensverdeling niet altijd sociaal aanvaardbaar → resulterende verdeling wordt secundaire
inkomensverdeling
GEMENGDE ECONOMIE (= gulden middenweg, markwerking met overheidsinterventie)
- Budgetmechanisme als ordeningssysteem in publieke sector (vb verdienste goederen: overheid moedigt
consumptie aan)
- Concurrentie bevorderende maatregelen voor efficiënte werking vd markt
- Afspraken voor max. prijzen
1.7 METHODOLOGISCHE ASPECTEN VAN ECONOMISCHE ANALYSE
HYPOTHESEN
- Mensen reageren op prikkels
- Optimaliserend gedrag
- Ceteris paribus-assumptie (indien al het overige gelijk blijft)
BELANG V MARGINAAL DENKEN
Invloed van kleine veranderingen in bepaalde variabele op een andere
Indien marginale kosten (nadelen) > marginale opbrengsten (voordelen) => rationele beslissing om
aanpassingen niet door te voeren
POSITIEVE VS NORMATIEVE ECONOMISCHE ANALYSE
Wat als vs waarde-oordeel (feit vs feit als ondersteuning v mening)
STATISCHE VS DYNAMISCHE ANALYSE
Vertreksituatie -> Eindresultaat vs onderzoek van het hele aanpassingsproces
Louiza Van Wynsberghe 4