VAN
HET
HOF
VAN
JUSTITIE
VAN
DE
EUROPESE
GEMEENSCHAP
Zaak
No.
6-‐64
Costa
t/.
E.N.E.L.
(Arrest
pp.
1207-‐1228)
Partijen
Flaminio
COSTA
(wonende
te
Milaan)
tegen
E.N.E.L.
(Ente
Nazionale
Energia
Elettrica)
De
nationale
rechter
Giudice
Conciliatore
(kantonrechter,
te
vergelijken
met
een
vrederechter)
Instantie
die
uitspraak
doet:
Het
Europese
Hof
van
Justitie
(Prejudiciële
Vraag),
Luxemburg
Samenstelling
(in
deze
zaak):
Voorzitter
Donner
+
2
kamervoorzitters
+
4
rechters
(waarvan
één
als
rechter-‐rapporteur).
In
totaal
7
rechters.
Daarnaast:
Advocaat-‐Generaal
Lagrange
+
Griffier
(Van
Houtte)
Conclusie
Advocaat-‐Generaal
(M.
Lagrange):
25
juni
1964
(vertaald
uit
het
Frans,
1231-‐1254,
23
blz.)
Datum
Arrest:
15
juli
1964
DE
FEITEN
De
heer
Flaminio
Costa
had
aandelen
in
een
kleine
elekriciteitsmaatschappij
die
door
een
Italiaanse
nationalisatiewet
werd
overgenomen
door
ENEL.
Costa
tekende
bezwaar
aan
en
beriep
zich
daarbij
op
de
bepalingen
van
het
EEG-‐Verdrag.
De
kantonrechter
te
Milaan
legde
een
prejudiciële
vraag
voor
aan
het
Europeese
HvJ,
of
de
Italiaanse
wet
aangaande
nationalisatie
van
de
elektriciteitsproductie
en
distributie
verenigbaar
was
met
een
aantal
bepalingen
van
het
EEG-‐Verdrag
(=
Het
Verdrag
van
Rome,
op
dat
ogenblik
1964,
was
het
nog
“Verdrag
van
Rome”)
De
italiaanse
regering
liet
aan
het
Hof
weten
de
eigen
nationalisatiewetgeving
belangrijker
te
achten
dan
de
eerdere
nationale
wet
waarbij
het
Verdrag
van
Rome
werd
bekrachtigd.
UITSPRAAK
VAN
HET
HOF
Het
Hof
stelde
dat
Art.
102
en
Art.
93
van
het
EEG-‐Verdrag
geen
rechtstreekse
werking
hebben.
MAAR
dat
art.
53
wel
rechtstreekse
werking
heeft
en
schept
individuele
rechten,
welke
de
nationale
rechter
moet
handhaven.
Het
Hof
oordeelde
dat
ook
artikel
37
rechtstreekse
werking
heeft.
De
handhaving
van
deze
rechten
voor
de
burgers
kan
aan
de
nationale
rechter
worden
gevraagd.
Dit
betekent
dat
nieuwe
maatregelen
door
een
lidstaat
die
in
strijd
zijn
met
deze
bepaling
zijn
verboden.
© Walter Saelens
1