Examen januari 2022
FROMULES ALGEMENE ECONOMIE
PRODUCTIEFUNCTIE X = hoeveelheid oudput
X =f ( L , K , N ) Productiefactoren
L = hoeveelheid arbeid
X =f ( L , N , K , T ) N = hoeveelheid natuur
K = hoeveelheid kapitaal
f = bepaalde funtionele vorm
T = technologische voruitgang
WAARDE VD PRODUCTIE A = waarde van alle goederen
1) W =A−M =F A1 = totale verkoop
C = consumptie
2) W =A−M =A 1+ V e −M =F
D = depreciatie (omvang v vervangingsinvesteringen)
3) W =A 1 +V e −M =F=F 1+ π =Y
F = factorvergoeding (vergoeding vd productiefactoren)
4) W −D=F 1+ π −D=Y −D F1 = eigenlijke factorvergoeding
5) W ≡Y I = investeringen
W ≡C + I ep Iep = gerealiseerde investeringen (ex post investeringen)
6)
M = intermediaire verbruik
7) S ≡Y −C of Y ≡ C+ S S = sparen
6) en 7) in 5) C+ I ep ≡ C+ S V = eindvoorraden (voorraden ah einde ve productiefase)
Ve = verandering in eindvoorraden
8) S ≡ I ep Y = inkomen
= ondernemerswinst
W = waarde vd productie (bruto-product)
WAARDE VH BINNENLANDS PRODUCT Bbp = bruto binnenlands product
5) W ≡Y (binnenlands product = nationaal inkomen) C = consumptie vd gezinnen
W ≡C + I ep +G (bp = bestedingen vh bp) F0 = factorontvangsten
9)
Fu = factoruitgaven aan het buitenland
10) Y ≡Y d + T ≡C +S +T G = overheidsbestedingen (GC + GI )
11) S+T ≡ I ep +G GC = overheidsconsumptie
Rekeninghoudend met het buitenland GI = overheidsinvesteringen (uitgaven kapitaalgoederen)
12) W =( C−Z C ) + ( I −Z I )+ ( G−Z G ) + X I = investeringen vd bedrijven
Iep = gerealiseerde investeringen (ex post investeringen)
1. 2. 3.
NX = netto-uitvoer
1. (consumptie vih binnenland geproduceerde goederen)
2. (aankoop v binnenlandse kapitaalgoederen) T = nettobelastingen
3. (binnenlands geproduceerde g&d aangekocht door overheid) X = uitvoer
Y = nationaal inkomen
Z=( ZC ) + ( Z I ) + ( ZG )
Yd = beschikbaar inkomen
13) W ≡C + I ep +G+ X −Z Z = totale invoer
14) W ≡C + I ep +G+ NX NX= X-Z ZC = invoer v consumptiegoederen
15) Binnenlands product = nationale bestedingen + netto-uitvoer ZG = invoer overheidsgoederen en -diensten
ZI = invoer investeringsgoederen
16) ( S−I ep ) ≡ ( G−T ) + ( X −Z )
Spaaroverschot private sector
Louiza Van Wynsberghe 1
, WAARDERINGSPROBLEEM n = aantal finale goederen en diensten
n
pi = marktprijs v finaal goed i
bbp=∑ pi . x i xi = hoeveelheid van finaal goed i
i=1
n n
17) bbp=∑ pi 0 . x i 0 bbp=∑ p ¿ . x ¿
i=1 i=1
n
∑ pi 0 . x ¿
i=1
18) n
∙100 (hoeveelheidsindex v Laspeyres)
∑ pi 0. xi 0
i=1
n
∑ p¿ . x ¿
i=1
19) n
∙ 100 (hoeveelheidsindex v Paasche)
∑ p¿ . xi 0
i=1
n
∑ p¿ . x ¿
i=1
20) n
∙100 (nominale index)
∑ pi 0. xi 0
i=1
n
∑ p¿−1 . x ¿
i=1
21) n
∙ 100 (hoeveelheidsindex vd reële groei in elk jaar t)
∑ p ¿−1 . x ¿−1
i=1
n
∑ p¿ . x ¿
i=1
22) n
∙ 100 bbp-deflator (impliciete prijsindex v Paasche)
∑ pi 0 . x¿
i=1
n
∑ p¿ . xi 0
i=1
23) n
∙100 bbp-deflator (impliciete prijsindex v Laspeyres)
∑ pi 0. xi 0
i=1
Binnenlands product = Bestemming vh Lekken = Injecties
Bestedingen vh nationaal inkomen (1) = (2)
binnenlands product (2)
(1)
Gesloten economie W = C + Iep Y=C+S S = Iep
zonder overheid
Gesloten economie W = C + Iep + G Y=C+S+T S + T = Iep + G
met overheid
Open economie met W = C + Iep + G + X - Z Y=C+S+T S + T + Z = Iep + G
overheid +X
MACRO-ECONOMISCH EVENWICHT KT EN LT
W ≡Y ≡C + I +G+ NX
Louiza Van Wynsberghe 2
FROMULES ALGEMENE ECONOMIE
PRODUCTIEFUNCTIE X = hoeveelheid oudput
X =f ( L , K , N ) Productiefactoren
L = hoeveelheid arbeid
X =f ( L , N , K , T ) N = hoeveelheid natuur
K = hoeveelheid kapitaal
f = bepaalde funtionele vorm
T = technologische voruitgang
WAARDE VD PRODUCTIE A = waarde van alle goederen
1) W =A−M =F A1 = totale verkoop
C = consumptie
2) W =A−M =A 1+ V e −M =F
D = depreciatie (omvang v vervangingsinvesteringen)
3) W =A 1 +V e −M =F=F 1+ π =Y
F = factorvergoeding (vergoeding vd productiefactoren)
4) W −D=F 1+ π −D=Y −D F1 = eigenlijke factorvergoeding
5) W ≡Y I = investeringen
W ≡C + I ep Iep = gerealiseerde investeringen (ex post investeringen)
6)
M = intermediaire verbruik
7) S ≡Y −C of Y ≡ C+ S S = sparen
6) en 7) in 5) C+ I ep ≡ C+ S V = eindvoorraden (voorraden ah einde ve productiefase)
Ve = verandering in eindvoorraden
8) S ≡ I ep Y = inkomen
= ondernemerswinst
W = waarde vd productie (bruto-product)
WAARDE VH BINNENLANDS PRODUCT Bbp = bruto binnenlands product
5) W ≡Y (binnenlands product = nationaal inkomen) C = consumptie vd gezinnen
W ≡C + I ep +G (bp = bestedingen vh bp) F0 = factorontvangsten
9)
Fu = factoruitgaven aan het buitenland
10) Y ≡Y d + T ≡C +S +T G = overheidsbestedingen (GC + GI )
11) S+T ≡ I ep +G GC = overheidsconsumptie
Rekeninghoudend met het buitenland GI = overheidsinvesteringen (uitgaven kapitaalgoederen)
12) W =( C−Z C ) + ( I −Z I )+ ( G−Z G ) + X I = investeringen vd bedrijven
Iep = gerealiseerde investeringen (ex post investeringen)
1. 2. 3.
NX = netto-uitvoer
1. (consumptie vih binnenland geproduceerde goederen)
2. (aankoop v binnenlandse kapitaalgoederen) T = nettobelastingen
3. (binnenlands geproduceerde g&d aangekocht door overheid) X = uitvoer
Y = nationaal inkomen
Z=( ZC ) + ( Z I ) + ( ZG )
Yd = beschikbaar inkomen
13) W ≡C + I ep +G+ X −Z Z = totale invoer
14) W ≡C + I ep +G+ NX NX= X-Z ZC = invoer v consumptiegoederen
15) Binnenlands product = nationale bestedingen + netto-uitvoer ZG = invoer overheidsgoederen en -diensten
ZI = invoer investeringsgoederen
16) ( S−I ep ) ≡ ( G−T ) + ( X −Z )
Spaaroverschot private sector
Louiza Van Wynsberghe 1
, WAARDERINGSPROBLEEM n = aantal finale goederen en diensten
n
pi = marktprijs v finaal goed i
bbp=∑ pi . x i xi = hoeveelheid van finaal goed i
i=1
n n
17) bbp=∑ pi 0 . x i 0 bbp=∑ p ¿ . x ¿
i=1 i=1
n
∑ pi 0 . x ¿
i=1
18) n
∙100 (hoeveelheidsindex v Laspeyres)
∑ pi 0. xi 0
i=1
n
∑ p¿ . x ¿
i=1
19) n
∙ 100 (hoeveelheidsindex v Paasche)
∑ p¿ . xi 0
i=1
n
∑ p¿ . x ¿
i=1
20) n
∙100 (nominale index)
∑ pi 0. xi 0
i=1
n
∑ p¿−1 . x ¿
i=1
21) n
∙ 100 (hoeveelheidsindex vd reële groei in elk jaar t)
∑ p ¿−1 . x ¿−1
i=1
n
∑ p¿ . x ¿
i=1
22) n
∙ 100 bbp-deflator (impliciete prijsindex v Paasche)
∑ pi 0 . x¿
i=1
n
∑ p¿ . xi 0
i=1
23) n
∙100 bbp-deflator (impliciete prijsindex v Laspeyres)
∑ pi 0. xi 0
i=1
Binnenlands product = Bestemming vh Lekken = Injecties
Bestedingen vh nationaal inkomen (1) = (2)
binnenlands product (2)
(1)
Gesloten economie W = C + Iep Y=C+S S = Iep
zonder overheid
Gesloten economie W = C + Iep + G Y=C+S+T S + T = Iep + G
met overheid
Open economie met W = C + Iep + G + X - Z Y=C+S+T S + T + Z = Iep + G
overheid +X
MACRO-ECONOMISCH EVENWICHT KT EN LT
W ≡Y ≡C + I +G+ NX
Louiza Van Wynsberghe 2