Basisinzichten van pedagogie
Inleiding
Pedagogie = het dagelijks opvoeden of begeleiden van kinderen.
Pedagogiek = de wetenschap van opvoeden en begeleiden van kinderen.
Orthopedagogie = vanaf dat ouders of opvoeders geen antwoord meer hebben op de
hulpvraag van kinderen.
Drie niveaus binnen pedagogie:
o Praktijk:
Wat we alle dagen zien, de dagelijkse praktijk.
Bv. mama wandelt met kind.
o Wetenschap:
Pedagogiek, grote onderzoeken die ze houden over opvoedingen.
o Werken in functie v. de dagelijkse praktijk:
Theorie gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek in functie v. de
dagelijkse praktijk.
Bv. opvoedingsnany op tv (is pedagogisch geschoold en maakt de
vertaling voor mensen die bezig zijn met het dagelijks opvoeden).
Pedagogie is een waardengeladen discours:
o Filosofie als historische achtergrond.
o Vertrekt vanuit een aantal aannames, kaders, waarden, normen,
overtuigingen, …
o Waardengeladen = zeer moeilijk om te beslissen wat een juiste of goede
opvoeding is, omdat mensen opvoeden vanuit hun waarden of normen
kan dus omschreven worden als een mening.
o Waarden en normen worden gevormd door de contexten waarvan jij deel
uitmaakt.
o Geeft aanleiding tot discussie want niet iedereen heeft dezelfde normen &
waarden.
o Binnen pedagogie zijn er wel morele idealen (bv. geen geweld naar kinderen
toe).
o Aannames komen voort uit wetenschappelijk onderzoek wel beïnvloed
door waarden & normen bij vertaling naar dagelijkse praktijk.
Pedagogisch optimisme
2 principes moderne pedagogie
Pedagogisch optimisme:
o Mensen worden niet bepaald door hun aanleg.
o Ze worden beïnvloed door opvoeding, vorming & onderwijs.
o Nature-nurture-discussie is geen fundament voor pedagogisch
denken/handelen.
o Pedagogisch pessimisme = kinderen worden geboren met een bepaalde
aanleg en dit kan niet meer veranderen.
1
, Kinderen zijn zelf handelende & zelf denkende subjecten:
o 3 factoren hebben een invloed:
Aanleg = kunnen leren.
Milieu = oproepen tot activiteit.
Iedereen is een denkend wezen & kan kiezen om zelf te handelen of
zelf na te denken.
Kunnen leren krijgt pas vorm als de opvoeding wordt uitgedaagd &
gestimuleerd.
o Leidt tot zelfverantwoordelijke zelfbepaling & mondigheid:
= vanaf 18 jaar begint zelfverantwoordelijke zelfbepaling, je kiest zelf
wat je doet & neemt daar je verantwoordelijkheid voor.
Ontwikkelingsverloop en opvoeding
Algemeen
Levensloopperspectief of life span viewpoint:
o Benaderingswijze, geen theoretisch concept.
o Met resultaten uit ontwikkelingspsychologie nieuwe dingen ontwikkelen
binnen pedagogie.
Belangstelling ontstaan door groeiende levensverwachting v. laatste generaties.
Andere manier om te kijken naar ontwikkeling:
o V. conceptie tot dood: we blijven ontwikkelen tot we sterven
Bv. nieuwe rol als oma.
o Onder invloed v. sociaal-culturele veranderingen:
Bv. mobiliteit, vluchtelingen, racisme, …
o Veranderingen per fase + interrelationele beïnvloeding binnen & tussen die
fases:
Bv. peuterfase heeft invloed op kleuterfase.
Universele inzichten in ontwikkelingsverloop
Tot ongeveer 9 maand vrij universeel:
o Vanaf ‘joint attention’-moment is er een cultureel verschil merkbaar.
Vanaf 5 à 7 jaar:
o Schoolkindfase: zelfregulatie, taakbesef, concentratievergroting,
schoolrijpheid, metacognitie.
Adolescentie:
o Toenemend zelfbewustzijn, eigen persoonlijkheid, persoonlijke keuzes, belang
leeftijdsgenoten, eigen jeugdcultuur.
Voor sommige thema’s is het moeilijk om te bepalen of ze effectief blijven:
o Generatieconflicten vroeger gescheiden generaties, zijn die generaties nog
steeds zo gescheiden?
Vooral thema’s zoals bv. hersenontwikkeling zijn thema’s die vast blijven omdat er
hier wetenschappelijk onderzoek naar gedaan is.
2
,Uitgangspunten
Op elk moment in de ontwikkeling is het individu vatbaar voor verandering (niet
enkel in formatieve fase).
Kwantitatieve veranderingen & kwalitatieve veranderingen:
o Kwantitatieve veranderingen = je verhoogt v. niveaus of een andere graad.
o Kwalitatieve veranderingen = ander type, andere inhoud.
Veranderingen zijn veelzijdig qua patroon (bv. leerstijlvoorkeur).
Oorzaken veranderingen in de menselijke ontwikkeling
Normatieve effecten:
o = gebeurtenissen die alle mensen op dezelfde leeftijd ondergaan.
o Bv. biologisch rijpingsproces, ontwikkelingsverloop, …
Niet-normatieve effecten:
o = onverwachte gebeurtenissen.
o Bv. werkloosheid, scheiding, uitgebrand huis, dood gezinslid, …
o Heeft een invloed op de ontwikkeling, maar we kunnen de invloed nog niet
inschatten.
Cohorteffecten:
o = groep die geboren is in hetzelfde jaar of periode.
o Beïnvloeding door de tijdsgeest.
o Bv. zaak Dutroux, 9/11, COVID-19, hippies, digitalisering, …
Nieuwe bevindingen
Verschillen tussen individuen nemen toe doorheen de levensloop:
o Het wordt moeilijk om iets te zeggen over hoe mensen zich ontwikkelen.
o Doordat we weten dat er verschillende effecten zijn, kunnen we moeilijk
zeggen dat iedereen op dezelfde manier ontwikkeld.
o Bv. lege-nest-syndroom: vroeger normatief effect, nu niet-normatief effect
(gescheiden ouders die weten hoe het is om hun kind niet veel te zien).
Leeftijd versus sociaal-culturele verandering:
o Hoe ouder, hoe groter het aantal veranderingen & hoe groter de impact v.
sociaal-culturele veranderingen.
o Bv. impact WOII op ouderen & kinderen.
Beïnvloedbaarheid v. het intellectueel functioneren in de late volwassenheid is
onderwerp v. onderzoek:
o Intellectueel functioneren evolueert verder in late volwassenheid of bij
ouderen (bv. meer ervaring, meer levenswijsheid kwalitatieve
verandering).
o Tot 25 jaar kwantitatieve verandering tot die leeftijd ontwikkelt het
verstand.
3
, Pedagogische implicaties
Verbreding v. concepten & doelstellingen in onderwijs & opvoeding:
o Normatieve ontwikkelingstaken (bv. leren lezen vanaf 6 jaar).
o Individuele variabiliteit (bv. kind met gescheiden ouders niet-normatieve
effecten).
o Sociaal-culturele veranderingen (bv. COVID-19 cohorteffecten).
Aanpassingen v. instructiestrategieën:
o Mensen leren om dingen op te zoeken i.p.v. alles uit het hoofd te leren (door
ontwikkeling technologie).
Nieuwe relevante thema’s:
o Gezondheid & welzijn.
o Ouderschap & onderwijs.
o Diversiteit in sociaal-culturele context: cultuur, etniciteit, socio-economische
status & gender.
Einde opvoeding?
Einddoel v. opvoeden is zelfverantwoordelijke zelfbepaling & mondigheid.
Einde opvoeding is niet scherp af te lijnen:
o Culturele aspecten (bv. leerplicht, …).
o Invloed v. consumptiecultuur: hoe kritisch zijn we als klant?
o Persoonlijke keuzes waarbij het nemen v. verantwoordelijkheid benadrukt
wordt (bv. hotel mama).
18 – 22 jaar: grijze zone, eerder sprake v. beïnvloeding door ouders dan opvoeding.
De pedagogische relatie
Pedagogische relatie tussen ouders & kinderen is een unieke relatie.
4 redenen
Ouder kan niet om zijn verantwoordelijkheid heen:
o Baby is helemaal afhankelijk v. verzorging.
o Wettelijke bepalingen: ouders verantwoordelijk tot leeftijd 18 jaar.
o Ook in onderwijs dragen de ouders de verantwoordelijkheid over hun kind
niet altijd zo aangevoeld.
Pedagogische relatie is gepreïntendeerd:
o Ouder verantwoordelijk voor het kind.
o Onomkeerbaar.
o Het kind kan niet verantwoordelijk zijn voor de ouders (parentificatie).
Boven- & ondergrens v. de relatie:
o Gezagsrelatie v. bij de start.
o Ondergrens: start v. taalontwikkeling (gezag wordt in vraag gesteld &
opvoedingsgedrag vraagt motivatie.
o Bovengrens: het te bereiken doel (zelfverantwoordelijke zelfbepaling): eigen
afgewogen keuze v. waarden & normen.
Tweezijdige relatie:
o Invloed v. de ouders op kind.
4
Inleiding
Pedagogie = het dagelijks opvoeden of begeleiden van kinderen.
Pedagogiek = de wetenschap van opvoeden en begeleiden van kinderen.
Orthopedagogie = vanaf dat ouders of opvoeders geen antwoord meer hebben op de
hulpvraag van kinderen.
Drie niveaus binnen pedagogie:
o Praktijk:
Wat we alle dagen zien, de dagelijkse praktijk.
Bv. mama wandelt met kind.
o Wetenschap:
Pedagogiek, grote onderzoeken die ze houden over opvoedingen.
o Werken in functie v. de dagelijkse praktijk:
Theorie gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek in functie v. de
dagelijkse praktijk.
Bv. opvoedingsnany op tv (is pedagogisch geschoold en maakt de
vertaling voor mensen die bezig zijn met het dagelijks opvoeden).
Pedagogie is een waardengeladen discours:
o Filosofie als historische achtergrond.
o Vertrekt vanuit een aantal aannames, kaders, waarden, normen,
overtuigingen, …
o Waardengeladen = zeer moeilijk om te beslissen wat een juiste of goede
opvoeding is, omdat mensen opvoeden vanuit hun waarden of normen
kan dus omschreven worden als een mening.
o Waarden en normen worden gevormd door de contexten waarvan jij deel
uitmaakt.
o Geeft aanleiding tot discussie want niet iedereen heeft dezelfde normen &
waarden.
o Binnen pedagogie zijn er wel morele idealen (bv. geen geweld naar kinderen
toe).
o Aannames komen voort uit wetenschappelijk onderzoek wel beïnvloed
door waarden & normen bij vertaling naar dagelijkse praktijk.
Pedagogisch optimisme
2 principes moderne pedagogie
Pedagogisch optimisme:
o Mensen worden niet bepaald door hun aanleg.
o Ze worden beïnvloed door opvoeding, vorming & onderwijs.
o Nature-nurture-discussie is geen fundament voor pedagogisch
denken/handelen.
o Pedagogisch pessimisme = kinderen worden geboren met een bepaalde
aanleg en dit kan niet meer veranderen.
1
, Kinderen zijn zelf handelende & zelf denkende subjecten:
o 3 factoren hebben een invloed:
Aanleg = kunnen leren.
Milieu = oproepen tot activiteit.
Iedereen is een denkend wezen & kan kiezen om zelf te handelen of
zelf na te denken.
Kunnen leren krijgt pas vorm als de opvoeding wordt uitgedaagd &
gestimuleerd.
o Leidt tot zelfverantwoordelijke zelfbepaling & mondigheid:
= vanaf 18 jaar begint zelfverantwoordelijke zelfbepaling, je kiest zelf
wat je doet & neemt daar je verantwoordelijkheid voor.
Ontwikkelingsverloop en opvoeding
Algemeen
Levensloopperspectief of life span viewpoint:
o Benaderingswijze, geen theoretisch concept.
o Met resultaten uit ontwikkelingspsychologie nieuwe dingen ontwikkelen
binnen pedagogie.
Belangstelling ontstaan door groeiende levensverwachting v. laatste generaties.
Andere manier om te kijken naar ontwikkeling:
o V. conceptie tot dood: we blijven ontwikkelen tot we sterven
Bv. nieuwe rol als oma.
o Onder invloed v. sociaal-culturele veranderingen:
Bv. mobiliteit, vluchtelingen, racisme, …
o Veranderingen per fase + interrelationele beïnvloeding binnen & tussen die
fases:
Bv. peuterfase heeft invloed op kleuterfase.
Universele inzichten in ontwikkelingsverloop
Tot ongeveer 9 maand vrij universeel:
o Vanaf ‘joint attention’-moment is er een cultureel verschil merkbaar.
Vanaf 5 à 7 jaar:
o Schoolkindfase: zelfregulatie, taakbesef, concentratievergroting,
schoolrijpheid, metacognitie.
Adolescentie:
o Toenemend zelfbewustzijn, eigen persoonlijkheid, persoonlijke keuzes, belang
leeftijdsgenoten, eigen jeugdcultuur.
Voor sommige thema’s is het moeilijk om te bepalen of ze effectief blijven:
o Generatieconflicten vroeger gescheiden generaties, zijn die generaties nog
steeds zo gescheiden?
Vooral thema’s zoals bv. hersenontwikkeling zijn thema’s die vast blijven omdat er
hier wetenschappelijk onderzoek naar gedaan is.
2
,Uitgangspunten
Op elk moment in de ontwikkeling is het individu vatbaar voor verandering (niet
enkel in formatieve fase).
Kwantitatieve veranderingen & kwalitatieve veranderingen:
o Kwantitatieve veranderingen = je verhoogt v. niveaus of een andere graad.
o Kwalitatieve veranderingen = ander type, andere inhoud.
Veranderingen zijn veelzijdig qua patroon (bv. leerstijlvoorkeur).
Oorzaken veranderingen in de menselijke ontwikkeling
Normatieve effecten:
o = gebeurtenissen die alle mensen op dezelfde leeftijd ondergaan.
o Bv. biologisch rijpingsproces, ontwikkelingsverloop, …
Niet-normatieve effecten:
o = onverwachte gebeurtenissen.
o Bv. werkloosheid, scheiding, uitgebrand huis, dood gezinslid, …
o Heeft een invloed op de ontwikkeling, maar we kunnen de invloed nog niet
inschatten.
Cohorteffecten:
o = groep die geboren is in hetzelfde jaar of periode.
o Beïnvloeding door de tijdsgeest.
o Bv. zaak Dutroux, 9/11, COVID-19, hippies, digitalisering, …
Nieuwe bevindingen
Verschillen tussen individuen nemen toe doorheen de levensloop:
o Het wordt moeilijk om iets te zeggen over hoe mensen zich ontwikkelen.
o Doordat we weten dat er verschillende effecten zijn, kunnen we moeilijk
zeggen dat iedereen op dezelfde manier ontwikkeld.
o Bv. lege-nest-syndroom: vroeger normatief effect, nu niet-normatief effect
(gescheiden ouders die weten hoe het is om hun kind niet veel te zien).
Leeftijd versus sociaal-culturele verandering:
o Hoe ouder, hoe groter het aantal veranderingen & hoe groter de impact v.
sociaal-culturele veranderingen.
o Bv. impact WOII op ouderen & kinderen.
Beïnvloedbaarheid v. het intellectueel functioneren in de late volwassenheid is
onderwerp v. onderzoek:
o Intellectueel functioneren evolueert verder in late volwassenheid of bij
ouderen (bv. meer ervaring, meer levenswijsheid kwalitatieve
verandering).
o Tot 25 jaar kwantitatieve verandering tot die leeftijd ontwikkelt het
verstand.
3
, Pedagogische implicaties
Verbreding v. concepten & doelstellingen in onderwijs & opvoeding:
o Normatieve ontwikkelingstaken (bv. leren lezen vanaf 6 jaar).
o Individuele variabiliteit (bv. kind met gescheiden ouders niet-normatieve
effecten).
o Sociaal-culturele veranderingen (bv. COVID-19 cohorteffecten).
Aanpassingen v. instructiestrategieën:
o Mensen leren om dingen op te zoeken i.p.v. alles uit het hoofd te leren (door
ontwikkeling technologie).
Nieuwe relevante thema’s:
o Gezondheid & welzijn.
o Ouderschap & onderwijs.
o Diversiteit in sociaal-culturele context: cultuur, etniciteit, socio-economische
status & gender.
Einde opvoeding?
Einddoel v. opvoeden is zelfverantwoordelijke zelfbepaling & mondigheid.
Einde opvoeding is niet scherp af te lijnen:
o Culturele aspecten (bv. leerplicht, …).
o Invloed v. consumptiecultuur: hoe kritisch zijn we als klant?
o Persoonlijke keuzes waarbij het nemen v. verantwoordelijkheid benadrukt
wordt (bv. hotel mama).
18 – 22 jaar: grijze zone, eerder sprake v. beïnvloeding door ouders dan opvoeding.
De pedagogische relatie
Pedagogische relatie tussen ouders & kinderen is een unieke relatie.
4 redenen
Ouder kan niet om zijn verantwoordelijkheid heen:
o Baby is helemaal afhankelijk v. verzorging.
o Wettelijke bepalingen: ouders verantwoordelijk tot leeftijd 18 jaar.
o Ook in onderwijs dragen de ouders de verantwoordelijkheid over hun kind
niet altijd zo aangevoeld.
Pedagogische relatie is gepreïntendeerd:
o Ouder verantwoordelijk voor het kind.
o Onomkeerbaar.
o Het kind kan niet verantwoordelijk zijn voor de ouders (parentificatie).
Boven- & ondergrens v. de relatie:
o Gezagsrelatie v. bij de start.
o Ondergrens: start v. taalontwikkeling (gezag wordt in vraag gesteld &
opvoedingsgedrag vraagt motivatie.
o Bovengrens: het te bereiken doel (zelfverantwoordelijke zelfbepaling): eigen
afgewogen keuze v. waarden & normen.
Tweezijdige relatie:
o Invloed v. de ouders op kind.
4