BEGRIPPEN
Ontwikkeling: geleidelijke verandering van lichaamsdelen en fysiologische kenmerken tijdens de periode
vanaf de bevruchting tot de volwassenheid.
Prenatale ontwikkeling: voor de geboorte
- Embryonale ontwikkeling: de eerste twee maanden na de bevruchting
- Foetale ontwikkeling: vanaf de negende week tot aan de geboorte
Postnatale ontwikkeling: na de geboorte
Differentiatie: de vorming van verschillende celtypen
Erfelijkheid: overdracht van bepaalde genetische kenmerken
Genetica: bestuderen van de mechanismen die verantwoordelijk zijn voor de overerving (vb. geslacht,
haarkleur, oogkleur, bepaalde aandoeningen, …)
BEVRUCHTING EN ACTIVERING VAN DE OÖCYT
De bevruchting:
- De bevruchting: twee haploïde gameten (eicel en zaadcel) versmelten met elkaar en vormen een
bevruchte eicel of een zygote, dus een diploïde cel.
Gameet: geslachtscel
Haploïde cel: 23 chromosomen
Diploide cel: 2 x 23 en dus 46 chromosomen
- De bevruchting vindt plaats in het bovenste derde van de tuba uterina of oviduct. Het duurt dertig
minuten tot twee uur voordat een spermacal vanuit de vagina naar dat deel van de tuba uterina is
gezwommen.
- Na de ovulatie heeft een onbevruchte eicel een levensduur van ongeveer 24 uur. Zaadcellen
hebben na ejaculatie een levensduur van 3 tot 5 dagen.
De activering van de oocyt (zie figuur 20-1)
- De ovulatie vindt plaats voordat de eicel volledig is gerijpt. De eicel is dan in een latente periode
waarbij de stofwisseling in de eicel is gestopt. Als er geen bevruchting komt, sterft de eicel zonder
de meiotische deling volledig af te maken.