WPO PFP
EXAMEN
❖ Herbarium
Soorten, families herkennen, bijvragen
❖ WPO’s
Fylogenie
Familiekenmerken
Ecologie
Economisch belangrijke gewassen
Termen
Bijvragen
Geen vragen over plantenfysiologie labo’s
❖ Determinatie 2 – 3 kruidachtige planten
Eigen flora meebrengen
❖ 20 bomen uit bomenlijst adhv vers materiaal
WPO 1: FUNGI & OOMYCOTA
- Basidomycota: op bosbodem: mutualisme met berken
- Bioluminescentie (= aanmaken van licht door levend weefsel) door een Basidiomycota
- Oomycota
Op een dode nymf van een insect
Als valse meeldauw op een komkommerblad
Phytophthora infestans = infectie op aardappels
- Ascomycota of Basidiomycota
Vergrootte worteloppervlak dankzij ectomycorrhizae in een mutualistische symbiose
- zygomyceten
Tempeh (sojabonen) gefermenteerd door zygomyceten
- Ascomycota op aardbei
- Groot dooiermos
In symbiose met algen
Kan goed tegen luchtvervuiling & verzuring
EUKARYA: PLANTEN, FUNGI en PROTISTEN
❖ Fungi en planten zeer grote groepen: enorme diversiteit + ecologisch/economisch belang
❖ Planten komen qua biomassa meeste voor ter wereld
❖ Fungi zijn 3e grootste groep qua biomassa
❖ Oomycota lijken op Fungi, maar zijn het niet!
❖ Protisten = parafyletische groep (= alles dat geen planten/dieren/fungi zijn)
❖ Fungi
GEEN chloroplasten → NIET autotroof
(chemo)heterotroof
1 Luna Willems – Biologie – VUB 2021-2022
,ALGEMENE LEVENSCYLUS FUNGI
➔ Haploïde fase = dominante fase
➔ Diploïde fase = bij meeste soorten enkel voor seksuele reproductie en extreme omstandigheden te
doorstaan
➔ Bij sommige soorten: aanmaak sporen (zoals gisten, waar ook budding bij gebeurt (wij zien: echte gisten/
Saccharomycotina))
➔ Plasmogamie = samensmelten cytoplasma’s 2 haploïde cellen
➔ Karyogamie = samensmelten kernen 2 haploïde cellen → diploïde kern
Bijna altijd direct na plasmogamie = “de bevruchting” gwn genoemd
Ascomycota en Basidiomycota: in tijd gescheiden → er is dus een heterokaryotisch stadium (cel met 2
haploïde kernen, niet versmolten)
3 ECOLOGISCHE GROEPEN
Parasiet
❖ Onttrekt nutriënten van gastheer en remt zijn ontwikkeling daardoor of doodt hem zelfs
❖ Biotroof = kan enkel verder leven op levende gastheer
❖ Necrotroof = doodt de gastheer en leeft verder op DOM als saprofyt
Saprofyt
❖ Leeft van DOM, kan eerst een necrotrofe parasiet geweest zijn (in meerdere gevallen gwn saprofyt)
❖ Bv. tonderzwam
Symbiont/mutualist
❖ Ontvangt suikers van planten (cyanobacteriën in geval van korstmossen) in ruil voor fosfor (en stikstof en
eventueel andere mineralen)
❖ Endomycorrhizae
❖ Ectomycorrhizae
❖ Korstmossen
❖ Ericoïde mycorrhizae
❖ Orchid mycorrhizae
chitridiomyceten (+ 1000 soorten)
- Polyfyletische groep → moeten nog verder uitgepluisd worden in afzonderlijke mono. groepen
- Coenocytisch (geen septa)
- Zoösporen = beweeglijke spore met flagel
Alle andere fungi hebben dit NIET
Kenmerk dat dus basaal in evolutie verloren is bij overgang naar verdere gevorderde fungi
- Aquatisch
- Meesten saprofyt, de gekendste zijn parasitair op amfibieën
2 Luna Willems – Biologie – VUB 2021-2022
,Levenscyclus
➔ Diploïde sporofyt en haploïde gametofyt
isomorfie = niet te onderscheiden van elkaar behalve 2n vs n en sporangia vs gametangia
➔ Anisogamie
Mannelijke zoöspore kleiner dan vrouwelijke
➔ ENKEL aseksuele reproductie tijdens diploïde fase
INTERMEZZO: TERMINOLOGIE
➔ Gameten → zygote → sporofyt
➔ Sporen + gameten zijn haploïd
➔ Isosporie vs heterosporie
➔ Isogamie vs anisogamie/heterosporie
➔ Isomorf vs anisomorf/heteromorf
zygomyceten (+ 1000 soorten)
❖ Polyfyletisch → uitpluizen tot mono. groepen moet nog gebeurd worden
❖ Coenocytisch (geen septa)
❖ niet-beweeglijke sporen
❖ Zygospore in seksuele fase (zygote (2n) die sporen gaat maken (n))
❖ Terrestrisch bijna altijd
❖ Veel zwakteparasieten = infecties veroorzaken op levend weefsel dat al
verzwakt is (bv. op open wondes)
❖ Productie tempeh = hoofdvoedsel bij Indonesië eilanden (veel eiwitten)
Sojabonen gekookt en gedroogd, dan schimmel toegevoegd → fermentatie
Levenscyclus Rhizopus sp.
➔ Sporofyt vormt sporen
➔ Sporangium is omsluiting waarin: meiose + haploïde sporen vorming
➔ Sporangiofoor = steeltje dat sporangium draagt
➔ Rhizoïd = wortelachtig weefsel = geen echte wortels! = ter vasthechting
➔ Hyfe = schimmeldraad
➔ Mycelium = netwerk van hyfen
➔ Plasmogamie direct na karyogamie, dus GEEN heterokaryotisch stadium
➔ Diploïde stadium komt amper voor want zygosporangium kiemt snel
➔ Haploïd = dominant
3 Luna Willems – Biologie – VUB 2021-2022
, GLOMEROMYCOTA (200 soorten)
❖ Geen levenscyclus gekend
❖ Bv. arbusculaire mycorrhizae
❖ Symbiose met 80% vasculaire planten (endosymbiose)
Suikers van plant aan schimmel
Schimmel geeft mineralen uit bodem aan plant
Facultatieve symbiose (= niet noodzakelijk) voor plant want plant kan zelf ook wel mineralen uit bodem
halen → enkel voor verhoging mineraalopname
Obligate symbiose voor fungi want kan zelf geen suikers aanmaken
o Ontstaan: wss omdat ze nodige enzymes verloren zijn die normaal gezien complexere organische
materie afbrak
❖ Coenocytisch
❖ Niet beweeglijke sporen
INTERMEZZO: MYCORRHIZAE
❖ 1 gr/bodem: 500m lang hyfen
❖ Schimmel kann tot 1km hyfen vormen in 24u
❖ Hyfen: zeer initiem contact met bodem → veel efficiënter nutriënten/water uit bodem opnemen dan planten
❖ Endomycorrhizae: hyfen gaan door de celwand, niet verder dan dat anders loopt cel leeg
Alle glomycota
Vesiculaire – arbusculaire mycorrhizae
o Arbusculaire structuren: groot oppervlak om nutriënten mee uit te wisselen dankzij veel
vertakkingen binnen de plantencel
o Vesikels: opslagplaatsen waar suikers (van de planten gekregen) omgezet worden in vetten + opslag
Ericoïde mycorrhizae
o Met planten uit familie Ericaceae
o Zure gedegradeerde zandbodems met weinig mineralen (heiden)
o Stikstof en fosfor door fungi gegeven aan plant
o Door sommige Ascomycota en Basidiomycota
Orchid mycorrhizae
o Met planten uit familie Orchidaceae
▪ Zaden zijn zeer licht (via wind) → weinig energievoorziening → moet vanaf kieming al een
fungus hebben die helpt (suiker (enkel in begin bij kieming) + fosfor + stikstof (in mindere
mate)), later geeft plant suikers terug
• Vogelnestje: orchidee die leven lang suikers blijft onttrekken van de fungus! =
parasitair
o Door sommige Basidiomycota
o Geen vesiculaire/arbusculaire structuren
❖ Ectomycorrhizae
Hartig net volledig rond worteltippen plant (ook bescherming tegen parasieten zo)
Penetreren celwand niet
10% plantensoorten
Wél soort-specifiek
Vele Ascomyotca en Basidiomycota
4 Luna Willems – Biologie – VUB 2021-2022
EXAMEN
❖ Herbarium
Soorten, families herkennen, bijvragen
❖ WPO’s
Fylogenie
Familiekenmerken
Ecologie
Economisch belangrijke gewassen
Termen
Bijvragen
Geen vragen over plantenfysiologie labo’s
❖ Determinatie 2 – 3 kruidachtige planten
Eigen flora meebrengen
❖ 20 bomen uit bomenlijst adhv vers materiaal
WPO 1: FUNGI & OOMYCOTA
- Basidomycota: op bosbodem: mutualisme met berken
- Bioluminescentie (= aanmaken van licht door levend weefsel) door een Basidiomycota
- Oomycota
Op een dode nymf van een insect
Als valse meeldauw op een komkommerblad
Phytophthora infestans = infectie op aardappels
- Ascomycota of Basidiomycota
Vergrootte worteloppervlak dankzij ectomycorrhizae in een mutualistische symbiose
- zygomyceten
Tempeh (sojabonen) gefermenteerd door zygomyceten
- Ascomycota op aardbei
- Groot dooiermos
In symbiose met algen
Kan goed tegen luchtvervuiling & verzuring
EUKARYA: PLANTEN, FUNGI en PROTISTEN
❖ Fungi en planten zeer grote groepen: enorme diversiteit + ecologisch/economisch belang
❖ Planten komen qua biomassa meeste voor ter wereld
❖ Fungi zijn 3e grootste groep qua biomassa
❖ Oomycota lijken op Fungi, maar zijn het niet!
❖ Protisten = parafyletische groep (= alles dat geen planten/dieren/fungi zijn)
❖ Fungi
GEEN chloroplasten → NIET autotroof
(chemo)heterotroof
1 Luna Willems – Biologie – VUB 2021-2022
,ALGEMENE LEVENSCYLUS FUNGI
➔ Haploïde fase = dominante fase
➔ Diploïde fase = bij meeste soorten enkel voor seksuele reproductie en extreme omstandigheden te
doorstaan
➔ Bij sommige soorten: aanmaak sporen (zoals gisten, waar ook budding bij gebeurt (wij zien: echte gisten/
Saccharomycotina))
➔ Plasmogamie = samensmelten cytoplasma’s 2 haploïde cellen
➔ Karyogamie = samensmelten kernen 2 haploïde cellen → diploïde kern
Bijna altijd direct na plasmogamie = “de bevruchting” gwn genoemd
Ascomycota en Basidiomycota: in tijd gescheiden → er is dus een heterokaryotisch stadium (cel met 2
haploïde kernen, niet versmolten)
3 ECOLOGISCHE GROEPEN
Parasiet
❖ Onttrekt nutriënten van gastheer en remt zijn ontwikkeling daardoor of doodt hem zelfs
❖ Biotroof = kan enkel verder leven op levende gastheer
❖ Necrotroof = doodt de gastheer en leeft verder op DOM als saprofyt
Saprofyt
❖ Leeft van DOM, kan eerst een necrotrofe parasiet geweest zijn (in meerdere gevallen gwn saprofyt)
❖ Bv. tonderzwam
Symbiont/mutualist
❖ Ontvangt suikers van planten (cyanobacteriën in geval van korstmossen) in ruil voor fosfor (en stikstof en
eventueel andere mineralen)
❖ Endomycorrhizae
❖ Ectomycorrhizae
❖ Korstmossen
❖ Ericoïde mycorrhizae
❖ Orchid mycorrhizae
chitridiomyceten (+ 1000 soorten)
- Polyfyletische groep → moeten nog verder uitgepluisd worden in afzonderlijke mono. groepen
- Coenocytisch (geen septa)
- Zoösporen = beweeglijke spore met flagel
Alle andere fungi hebben dit NIET
Kenmerk dat dus basaal in evolutie verloren is bij overgang naar verdere gevorderde fungi
- Aquatisch
- Meesten saprofyt, de gekendste zijn parasitair op amfibieën
2 Luna Willems – Biologie – VUB 2021-2022
,Levenscyclus
➔ Diploïde sporofyt en haploïde gametofyt
isomorfie = niet te onderscheiden van elkaar behalve 2n vs n en sporangia vs gametangia
➔ Anisogamie
Mannelijke zoöspore kleiner dan vrouwelijke
➔ ENKEL aseksuele reproductie tijdens diploïde fase
INTERMEZZO: TERMINOLOGIE
➔ Gameten → zygote → sporofyt
➔ Sporen + gameten zijn haploïd
➔ Isosporie vs heterosporie
➔ Isogamie vs anisogamie/heterosporie
➔ Isomorf vs anisomorf/heteromorf
zygomyceten (+ 1000 soorten)
❖ Polyfyletisch → uitpluizen tot mono. groepen moet nog gebeurd worden
❖ Coenocytisch (geen septa)
❖ niet-beweeglijke sporen
❖ Zygospore in seksuele fase (zygote (2n) die sporen gaat maken (n))
❖ Terrestrisch bijna altijd
❖ Veel zwakteparasieten = infecties veroorzaken op levend weefsel dat al
verzwakt is (bv. op open wondes)
❖ Productie tempeh = hoofdvoedsel bij Indonesië eilanden (veel eiwitten)
Sojabonen gekookt en gedroogd, dan schimmel toegevoegd → fermentatie
Levenscyclus Rhizopus sp.
➔ Sporofyt vormt sporen
➔ Sporangium is omsluiting waarin: meiose + haploïde sporen vorming
➔ Sporangiofoor = steeltje dat sporangium draagt
➔ Rhizoïd = wortelachtig weefsel = geen echte wortels! = ter vasthechting
➔ Hyfe = schimmeldraad
➔ Mycelium = netwerk van hyfen
➔ Plasmogamie direct na karyogamie, dus GEEN heterokaryotisch stadium
➔ Diploïde stadium komt amper voor want zygosporangium kiemt snel
➔ Haploïd = dominant
3 Luna Willems – Biologie – VUB 2021-2022
, GLOMEROMYCOTA (200 soorten)
❖ Geen levenscyclus gekend
❖ Bv. arbusculaire mycorrhizae
❖ Symbiose met 80% vasculaire planten (endosymbiose)
Suikers van plant aan schimmel
Schimmel geeft mineralen uit bodem aan plant
Facultatieve symbiose (= niet noodzakelijk) voor plant want plant kan zelf ook wel mineralen uit bodem
halen → enkel voor verhoging mineraalopname
Obligate symbiose voor fungi want kan zelf geen suikers aanmaken
o Ontstaan: wss omdat ze nodige enzymes verloren zijn die normaal gezien complexere organische
materie afbrak
❖ Coenocytisch
❖ Niet beweeglijke sporen
INTERMEZZO: MYCORRHIZAE
❖ 1 gr/bodem: 500m lang hyfen
❖ Schimmel kann tot 1km hyfen vormen in 24u
❖ Hyfen: zeer initiem contact met bodem → veel efficiënter nutriënten/water uit bodem opnemen dan planten
❖ Endomycorrhizae: hyfen gaan door de celwand, niet verder dan dat anders loopt cel leeg
Alle glomycota
Vesiculaire – arbusculaire mycorrhizae
o Arbusculaire structuren: groot oppervlak om nutriënten mee uit te wisselen dankzij veel
vertakkingen binnen de plantencel
o Vesikels: opslagplaatsen waar suikers (van de planten gekregen) omgezet worden in vetten + opslag
Ericoïde mycorrhizae
o Met planten uit familie Ericaceae
o Zure gedegradeerde zandbodems met weinig mineralen (heiden)
o Stikstof en fosfor door fungi gegeven aan plant
o Door sommige Ascomycota en Basidiomycota
Orchid mycorrhizae
o Met planten uit familie Orchidaceae
▪ Zaden zijn zeer licht (via wind) → weinig energievoorziening → moet vanaf kieming al een
fungus hebben die helpt (suiker (enkel in begin bij kieming) + fosfor + stikstof (in mindere
mate)), later geeft plant suikers terug
• Vogelnestje: orchidee die leven lang suikers blijft onttrekken van de fungus! =
parasitair
o Door sommige Basidiomycota
o Geen vesiculaire/arbusculaire structuren
❖ Ectomycorrhizae
Hartig net volledig rond worteltippen plant (ook bescherming tegen parasieten zo)
Penetreren celwand niet
10% plantensoorten
Wél soort-specifiek
Vele Ascomyotca en Basidiomycota
4 Luna Willems – Biologie – VUB 2021-2022