Psychologie
Hoofdstuk 6: kleuterjaren
6.1 Lichamelijke en motorische ontwikkeling
MOTORISCHE ONTWIKKELING:
Verfijnde motorische coördinatie en evenwichtsbeheersing
- Grove motoriek ‘volwassen’ = lopen, springen, met de bal spelen, fietsen
- Fijne motoriek = met vork en mes eten, zelf aankleden, tekenen, knippen
handvoorkeur!!
GROVE MOTORIEK = GROTE BEWEGING MET ARMEN EN BENEN
FIJNE MOTORIEK = KLEINE BEWEGINGEN MET HANDEN EN VINGERS
6.2 Ontwikkelingen in waarneming en mentaal functioneren
HET PREOPERATIONEEL DENKEN VAN KLEUTERS: kleuter is nog niet in staat
tot logisch denken, maar laat zich leiden door wat de kleuter ziet.
- Einde van preconceptueel denken
o Ontstaan van echte concepten (taalontwikkeling)
o Parallelle klassen
- Intuïtieve denken
o Egocentrisme en onvermogen tot rolneming (eigen gedachte =
wereldgedachte)
o Concervatietaken
Gecentreerdheid of centrering op één kenmerk
Statisch denken: aandacht voor toestanden, niet voor
veranderingen
Onomkeerbaarheid
WAARNEMING:
Waarneming wordt nauwkeuriger en efficiënter
- Vormherkenning en richtingsbewustzijn
- Steeds beter aandacht bij de zaak houden
GEHEUGEN:
- Geheugenprestaties gaan erop vooruit
- Intenioneel intinprenten
theory of mind
FANTASIE:
- Waaromvragen
- Magisch denken (bang op door het doucheputje te spoelen, want dat
gebeurt met water ook)
- Fantasiespel en rollenspel
- Sprookjes
Hoofdstuk 6: kleuterjaren
6.1 Lichamelijke en motorische ontwikkeling
MOTORISCHE ONTWIKKELING:
Verfijnde motorische coördinatie en evenwichtsbeheersing
- Grove motoriek ‘volwassen’ = lopen, springen, met de bal spelen, fietsen
- Fijne motoriek = met vork en mes eten, zelf aankleden, tekenen, knippen
handvoorkeur!!
GROVE MOTORIEK = GROTE BEWEGING MET ARMEN EN BENEN
FIJNE MOTORIEK = KLEINE BEWEGINGEN MET HANDEN EN VINGERS
6.2 Ontwikkelingen in waarneming en mentaal functioneren
HET PREOPERATIONEEL DENKEN VAN KLEUTERS: kleuter is nog niet in staat
tot logisch denken, maar laat zich leiden door wat de kleuter ziet.
- Einde van preconceptueel denken
o Ontstaan van echte concepten (taalontwikkeling)
o Parallelle klassen
- Intuïtieve denken
o Egocentrisme en onvermogen tot rolneming (eigen gedachte =
wereldgedachte)
o Concervatietaken
Gecentreerdheid of centrering op één kenmerk
Statisch denken: aandacht voor toestanden, niet voor
veranderingen
Onomkeerbaarheid
WAARNEMING:
Waarneming wordt nauwkeuriger en efficiënter
- Vormherkenning en richtingsbewustzijn
- Steeds beter aandacht bij de zaak houden
GEHEUGEN:
- Geheugenprestaties gaan erop vooruit
- Intenioneel intinprenten
theory of mind
FANTASIE:
- Waaromvragen
- Magisch denken (bang op door het doucheputje te spoelen, want dat
gebeurt met water ook)
- Fantasiespel en rollenspel
- Sprookjes