Samenvatting sociologie van sociale
gelijkheid en ongelijkheid
1 Inleiding............................................................................................................................... 2
2 Begripsverduidelijking..........................................................................................................5
3 Dimensies van sociale ongelijkheid en sociale stratificatie..................................................6
4 Theorieën over sociale ongelijkheid en sociale stratificatie................................................10
1
, 1 Inleiding
1. Moderne samenleving = egalitaire samenleving?
- Gelijkheid en ongelijkheid, klassieke thema’s in de sociologie
- Gelijkheid is een moderne, progressieve waarde
- Ongelijkheid (en niet gelijkheid) dient moreel gerechtvaardigd/gelegitimeerd te
worden
- Gelijkheid is een criterium/fundament van moderniteit
! is met de tijd gegroeid (kasten of standenmaatschappij)
Premoderne (of traditionele) vs. Moderne samenleving
→ verandering van denken/tolereren over/van gelijkheid (rechtvaardige
ongelijkheid)
= manier van mensen te rangschikken
! gebaseerd op destijdse waardepatronen
1 Premoderne samenleving
= kastensysteem; barrières lagen vast
Ascribed = toegeschreven obv uiterlijke/onveranderlijke kenmerken
! bestaat vandaag in bepaalde maten nog (VB: slaagkans op universiteit
naargelang achtergrond ouders)
Diffuus = geen regelgeving, evalueren op willekeurige basis
! geen opsplitsing van rollen (vriend = politiek eensgezinde = medewerker in
bedrijf = …)
Particularistisch = behandelingscriteria aanpassen aan de persoon
Affectief = vanuit gevoel (familie of vriendschapsrelaties)
2 Moderne samenleving
Achieved = verworven adhv talent en inspanning
Specifiek = op vlak van regelgeving, letterlijk opgeschreven, mogelijkheid tot nakijken
en indien nodig procederen
! vandaag soms nog diffuse kenmerken (VB: in sollicitatiegesprek eerder
mannen gekozen voor hogere jobs)
! maakt roldifferentiatie mogelijk ⇒ rolverwachtingen (docent ≠
moeder ≠ activist ≠ vriendin ≠ …)
Universalistisch = iedereen op dezelfde manier behandelen/evalueren
Affectief-neutraal = los van gevoel
⇒ adhv deze 4 criteria (meritum: verdienste, weldaad) mag iemand
beoordeeld/geëvalueerd worden in een meritocratie
2
gelijkheid en ongelijkheid
1 Inleiding............................................................................................................................... 2
2 Begripsverduidelijking..........................................................................................................5
3 Dimensies van sociale ongelijkheid en sociale stratificatie..................................................6
4 Theorieën over sociale ongelijkheid en sociale stratificatie................................................10
1
, 1 Inleiding
1. Moderne samenleving = egalitaire samenleving?
- Gelijkheid en ongelijkheid, klassieke thema’s in de sociologie
- Gelijkheid is een moderne, progressieve waarde
- Ongelijkheid (en niet gelijkheid) dient moreel gerechtvaardigd/gelegitimeerd te
worden
- Gelijkheid is een criterium/fundament van moderniteit
! is met de tijd gegroeid (kasten of standenmaatschappij)
Premoderne (of traditionele) vs. Moderne samenleving
→ verandering van denken/tolereren over/van gelijkheid (rechtvaardige
ongelijkheid)
= manier van mensen te rangschikken
! gebaseerd op destijdse waardepatronen
1 Premoderne samenleving
= kastensysteem; barrières lagen vast
Ascribed = toegeschreven obv uiterlijke/onveranderlijke kenmerken
! bestaat vandaag in bepaalde maten nog (VB: slaagkans op universiteit
naargelang achtergrond ouders)
Diffuus = geen regelgeving, evalueren op willekeurige basis
! geen opsplitsing van rollen (vriend = politiek eensgezinde = medewerker in
bedrijf = …)
Particularistisch = behandelingscriteria aanpassen aan de persoon
Affectief = vanuit gevoel (familie of vriendschapsrelaties)
2 Moderne samenleving
Achieved = verworven adhv talent en inspanning
Specifiek = op vlak van regelgeving, letterlijk opgeschreven, mogelijkheid tot nakijken
en indien nodig procederen
! vandaag soms nog diffuse kenmerken (VB: in sollicitatiegesprek eerder
mannen gekozen voor hogere jobs)
! maakt roldifferentiatie mogelijk ⇒ rolverwachtingen (docent ≠
moeder ≠ activist ≠ vriendin ≠ …)
Universalistisch = iedereen op dezelfde manier behandelen/evalueren
Affectief-neutraal = los van gevoel
⇒ adhv deze 4 criteria (meritum: verdienste, weldaad) mag iemand
beoordeeld/geëvalueerd worden in een meritocratie
2