Inleiding:
Welke factoren zorgen voor een geschikte omgeving?
- C-bron, N-bron
- Gistextract
- Water
- Voedselbestanddelen/groeifactoren (vitaminen, mineralen,...)
- pH
- temperatuur
- Zuurstofgehalte
- Osmotische druk
Epidemiologie = Diagnose, genezing en preventie van de infectie
- Pathologie (studie van de ziekte)
- Etiologie (oorzaak van de ziekte)
- Pathogenese (ontwikkeling van de ziekte)
- Finale effecten
Medische microbiologie =
- Het isoleren van pathogenen (verwekkers van infectieziekten)
- Het identificeren van pathogenen
- Het bepalen van de gevoeligheid
Isoleren: het verkrijgen van losliggende kolonies → door vierkwadrantentechniek
Zuivere cultuur of reincultuur → Alleen reinculturen kunnen worden geïdentificeerd!!
Identificeren:
- Macroscopisch onderzoek: uiterlijk van kolonies
(grootte/pigmentatie/vorm/rand/hoogte/oppervlak kenmerken
- Microscopisch onderzoek: RMO/gram (morfologie/onderlinge ligging(rangschikking)
- Biochemisch onderzoek: elk m.o. een eigen set biochemische eigenschappen
(biochemische vingerafdruk)
Groeikarakteriseren op media:
- De afmeting van de kolonie
- De kolonievorm
- De hoogte
- De randen
- Het oppervlak
- Optische eigenschappen
Samenstelling vaste media:
- Gedemineraliseerd Water
- Voedingsstoffen
- Geleermiddel
- Agar/agar (vaste voedingsbodems)
, Selectieve en differentiërende media:
- Selectieve media
- Differentiërende media
- electieve stoffen: kenmerkende veranderingen in het uiterlijk van de kolonie en/of
medium
- Chromogene media
Groeibevorderende stoffen → Om groei van gewenste M.O. te stimuleren
Selectieve stoffen → Om groei van ongewenste M.O. te remmen
Electieve stoffen → Gewenste kolonies een specifiek uiterlijk geven
Bodems:
Bodem Algemeen/ Selectieve Groei Electieve Kleur
selectief/ stoffen van stoffen
electief
McConkey agar S+E Galzouten Gram - Lactose -wit/kleurloos
(MCA) Kristalviolet Neutraalrood +roos/rood
(galzouten ↓)
Bodem Algemeen/ Selectieve Groei Electieve stoffen Kleur
selectief/ stoffen van
electief
Eosine S+E Eosine Gram - Lactose -doorzichtig
methyleenblauw Methyleenblauw +paars/metaalglas
(EMB)
Bodem Algemeen/ Selectieve Groei van Electieve stoffen Kleur
selectief/ stoffen
electief
Mannitol salt S+E [NaCl]↑ Staphylococcen Mannitol -wit
agar (MSA) fenolrood +geel
Bodem Algemeen/ Selectieve Groei van Electieve stoffen Kleur
selectief/ stoffen
electief
Cystine lactose A+E / Gram + Lactose -kleurloos
electrolyt Gram - Broomthymolblauw +geel
deficiënt agar
(CLED)
, Aanrijkingsmedia:
- Selenietbouillon
- Rappaportmedium
Specifieke isolatiebodems:
- Legionellamedium
- Thaeyer-Martin-agar (Neisseria)
- Campylobacteragar
- Löwenstein-Jensen-bodem (Mycobacteriën)
Identificatiemethoden:
- Morfologische kenmerken
- Groeivoorwaarden
- Omgevingsatmosfeer
- Temperatuurtolerantie
- Zouttolerantie
- Galtolerantie
Gevoeligheid voor chemische Pigmentproduktie Hemolyse (α, β en γ)
stoffen en antibiotica Alfa = hgb wordt omgezet naar methegb (geeft groene
kleur)
Beta = bloedcel gaat volledig kapot = heldere zone in u
bodem
Gamma = geen reactie met bactier, rbc zijn in tact
gebleven
Belangrijke biochemische testen voor identificatie van bacteriën:
- Koolhydraatfermentatie
- Waterstofsulfide (H2S) productie
- Indoltest
- Citraatverbruik
- Ureasetest
- Nitraatreductie
- Oxidasetest
- katalasetest
gevoeligheidstest voor antimicrobiële middelen
Antimicrobiële middelen zijn stoffen, geproduceert door m.o., die andere m.o. doden (microbicide
werking) of de groei ervan remmen ( microbiostatische werking)
- Agardiffusiemethode (= Kirby Bauer methode)
- Antibioticumverdunningsmethode ( in cultuurbuizen, E-test) (Vitek2)
o E-test = manier om concentratie van antibiotica te meten (zoveel
hebben we nodig om die kiem te kunnen remmmen, meestal wel
meer geven voor zekerheid)
o MIC waarde = minimale inhiberende conce = conc die zeker
aanwezig moet zijn om de kiem te remmen (gaan hierboven)
, GRAMNEGATIEVE BACTERIËN
GRAMNEGATIEVE STAVEN:
- Enterobacteriaceae
- Oxidase +, glucose fermenterenden
- Niet-vergistende strikt aeroben
- Fastidious organisms
- Speciale groeivoorwaarden
- Gramnegatieve anaeroben
TAXONOMIE (= indeling van organismen) - Wetenschappelijke naam (latijn)
- Familie (naam eindigt op –aceae)
- Geslacht – genus (hoofdletter)
- Species – soort (kleine letter)
- Subspecies – ondersoort
- Serotype
- Kleinste eenheid binnen een soort = STAM
Soms triviale naam: vb pneumokok (Streptococcus pneumoniae)
Probleem bij indeling: Optreden van kruisingen tussen stammen
Fenotype en genotype vergelijken van verschillende stammen (kenmerken van het DNA:
- guanine – cytosine gehalte
- Volgorde nucleotiden
- Op grond van celwandopbouw, celmembraanlipide (samenstelling en
volgorde van het 16S-RNA
3 soorten antigenen:
- Celwand antigenen of somatisch antigenen gelegen op specifieke lipopolysachariden (O-
antigen)
- Flagellaire antigenen (H-antigen)
- Kapselantigenen, meestal specifieke polysachariden (K-antigen)
Kapselantigenen bedekken soms de somatische antigenen
GRAMNEGATIEVE STAVEN:
GROEP 1: ENTEROBACTERIACEAE:
HOOFDEIGENSCHAPPEN:
- gram - staven
- facultatief aëroob
- glucose fermenterend
- oxidase - (cytochroomoxidase -)
- snelgroeiers
- (on)beweeglijk
- katalase +
- Nitraatreductase