Fysiologie, zorg en begeleiding Deel 8: Weefselleer
8.1 Inleiding
Weefsel (weefselleer = histologie)
o = groepen cellen en extracellulaire stoffen die een specifieke functie vervullen
o 4 grote groepen:
1. Epitheelweefsel
2. Bindweefsel:
a. Vetweefsel
b. Kraakbeen
c. Been
d. Bloed
3. Spierweefsel
a. Skeletspier
b. Hartspier
c. Gladde spieren
4. Zenuwweefsel
8.2 Epitheelweefsel
8.2.1.1 Functie
o Bedekken, begrenzen
o Secretie functie:
F Exocriene (uitwendig) klieren
F Endocriene (inwendig) klieren
o Transportfunctie
o Absorptiefunctie
o Zintuigfunctie (neuro-epitheel: tss zenuwstelsel en epitheel: oren, ogen, smaak)
8.2.1.2 Bouw van het epitheelweefsel
o Cellen die met dunne laag tussenstof op elkaar aansluiten
o Rusten op basaalmembraan
o Ondersteuning door bindweefsel
o Avasculair (gn. bloedvaten!)
o Groot regeneratievermogen (herstellen!)
o Epitheelcellen w. aan elkaar vastgebonden door cel junctions
F Transmembraaneiwitten en hun intercellulair cement verbonden met het
cytoskelet
8.2.1.3 Soorten intercellulaire structuren – cel junctions
o Tight junction = occulens verbindingen
F BOUW: vetlaag van de 2 cellen zijn verbonden met elkaar via in elkaar
grijpende membraaneiwitten
, Deze verbindingsplaatsen zijn verbonden met een netwerk van
actinefilamenten in het cytoskelet
F FUNCTIE: stevigheid en samenhang + bepalen doorlaatbaarheid van een
epitheel
o Gap junction = nexusverbinding
F BOUW: kanalen tss 2 celmembranen omringd door eiwitten
F FUNCTIE: snelle communicatie door passage van o.a ionen
o Desmosomen = adherens verbindingen
F Banddesmosoom
BOUW: actinefilamenten zitten aan de binnenkant van
celmembraan, doorheen het membraan zitten deze banden vast
door glycoproteïnen
FUNCTIE: verstevigende band tss 2 cellen
F Hemidesmosoom
BOUW: in het midden gelegen filamenten aan binnenkant van
celmembraan
FUNCTIE: tss cel en haar extracellulaire vloeistof
8.2.1.4 Indeling epitheelweefsel
Volgens AANTAL CELLAGEN
o Éénlagig epitheel
o Meerlagig epitheel
o Pseudomeerlagig epitheel: uitzicht van meerlagig epitheel maar is in feite
éénlagig epitheel waarbij de celkernen op verschillende hoogte liggen
Bv. luchtpijp en genitale gangen
o Overgangsepitheel: meerlagig epitheelweefsel waarvan het uitzicht verandert
volgens de functionele toestand van het orgaan
Bv. blaas: kubische cellen van 5 tot 6 lagen kunnen bij blaasvulling veranderen in
langgerekte cellen (plaveiselcellen) van 2 tot 3 lagen
Lege blaas Volle blaas
Volgens VORM VAN CELLEN
o Plaveiselepitheel
o Kubisch epitheel
2
, o Cilindrisch epitheel
o Polyedrisch epitheel (veelhoekig)
Volgens FUNCTIE
o Bedekkend epitheel
o Klierepitheel
o …
8.2.1.5 Groei van een epitheel
o Mitose!
8.2.1.6 Bloedvoorziening van een epitheel
o Avasculaire (gn. bloedvaten)
o Aan- en afvoer van stoffen speelt zich af dmv diffusie via de bloedvaten in het
eronder gelegen bindweefsel
8.2.1.7 Bezenuwing van een epitheel
o Geen zenuwen
o Vrije zenuwuiteinden tss epitheelcellen
8.3 Bindweefsel
o Cel-matrix combinaties die overal in het lichaam voorkomen
F Opvulling
F Steun en verbinding
F Bescherming
F Isolatie
o Cellen:
F Fibroblast (kraakbeen) – osteoblast (botten) … komen voort uit het
mesenchymcel (=moedercel waaruit weefsels onstaan) en produceren
extracellulaire tss stof
o Matrix:
F Grondsubstantie: vocht + suikers + proteïnen
F 3 soorten vezels:
Collageen: nt. elastisch, sterk
Elastische: rekbaar
Reticuline: dunne vertakte vezels die een fijn netwerk vormen
8.3.1.1 Bindweefsel in stricte zin
5 soorten bindweefsel
3
8.1 Inleiding
Weefsel (weefselleer = histologie)
o = groepen cellen en extracellulaire stoffen die een specifieke functie vervullen
o 4 grote groepen:
1. Epitheelweefsel
2. Bindweefsel:
a. Vetweefsel
b. Kraakbeen
c. Been
d. Bloed
3. Spierweefsel
a. Skeletspier
b. Hartspier
c. Gladde spieren
4. Zenuwweefsel
8.2 Epitheelweefsel
8.2.1.1 Functie
o Bedekken, begrenzen
o Secretie functie:
F Exocriene (uitwendig) klieren
F Endocriene (inwendig) klieren
o Transportfunctie
o Absorptiefunctie
o Zintuigfunctie (neuro-epitheel: tss zenuwstelsel en epitheel: oren, ogen, smaak)
8.2.1.2 Bouw van het epitheelweefsel
o Cellen die met dunne laag tussenstof op elkaar aansluiten
o Rusten op basaalmembraan
o Ondersteuning door bindweefsel
o Avasculair (gn. bloedvaten!)
o Groot regeneratievermogen (herstellen!)
o Epitheelcellen w. aan elkaar vastgebonden door cel junctions
F Transmembraaneiwitten en hun intercellulair cement verbonden met het
cytoskelet
8.2.1.3 Soorten intercellulaire structuren – cel junctions
o Tight junction = occulens verbindingen
F BOUW: vetlaag van de 2 cellen zijn verbonden met elkaar via in elkaar
grijpende membraaneiwitten
, Deze verbindingsplaatsen zijn verbonden met een netwerk van
actinefilamenten in het cytoskelet
F FUNCTIE: stevigheid en samenhang + bepalen doorlaatbaarheid van een
epitheel
o Gap junction = nexusverbinding
F BOUW: kanalen tss 2 celmembranen omringd door eiwitten
F FUNCTIE: snelle communicatie door passage van o.a ionen
o Desmosomen = adherens verbindingen
F Banddesmosoom
BOUW: actinefilamenten zitten aan de binnenkant van
celmembraan, doorheen het membraan zitten deze banden vast
door glycoproteïnen
FUNCTIE: verstevigende band tss 2 cellen
F Hemidesmosoom
BOUW: in het midden gelegen filamenten aan binnenkant van
celmembraan
FUNCTIE: tss cel en haar extracellulaire vloeistof
8.2.1.4 Indeling epitheelweefsel
Volgens AANTAL CELLAGEN
o Éénlagig epitheel
o Meerlagig epitheel
o Pseudomeerlagig epitheel: uitzicht van meerlagig epitheel maar is in feite
éénlagig epitheel waarbij de celkernen op verschillende hoogte liggen
Bv. luchtpijp en genitale gangen
o Overgangsepitheel: meerlagig epitheelweefsel waarvan het uitzicht verandert
volgens de functionele toestand van het orgaan
Bv. blaas: kubische cellen van 5 tot 6 lagen kunnen bij blaasvulling veranderen in
langgerekte cellen (plaveiselcellen) van 2 tot 3 lagen
Lege blaas Volle blaas
Volgens VORM VAN CELLEN
o Plaveiselepitheel
o Kubisch epitheel
2
, o Cilindrisch epitheel
o Polyedrisch epitheel (veelhoekig)
Volgens FUNCTIE
o Bedekkend epitheel
o Klierepitheel
o …
8.2.1.5 Groei van een epitheel
o Mitose!
8.2.1.6 Bloedvoorziening van een epitheel
o Avasculaire (gn. bloedvaten)
o Aan- en afvoer van stoffen speelt zich af dmv diffusie via de bloedvaten in het
eronder gelegen bindweefsel
8.2.1.7 Bezenuwing van een epitheel
o Geen zenuwen
o Vrije zenuwuiteinden tss epitheelcellen
8.3 Bindweefsel
o Cel-matrix combinaties die overal in het lichaam voorkomen
F Opvulling
F Steun en verbinding
F Bescherming
F Isolatie
o Cellen:
F Fibroblast (kraakbeen) – osteoblast (botten) … komen voort uit het
mesenchymcel (=moedercel waaruit weefsels onstaan) en produceren
extracellulaire tss stof
o Matrix:
F Grondsubstantie: vocht + suikers + proteïnen
F 3 soorten vezels:
Collageen: nt. elastisch, sterk
Elastische: rekbaar
Reticuline: dunne vertakte vezels die een fijn netwerk vormen
8.3.1.1 Bindweefsel in stricte zin
5 soorten bindweefsel
3