1
HET INTERMEDIAIR METABOLISME
THEMA 5: De metabole integratie
DEEL 14: Integratie van het metabolisme
Hoofdstuk 1: Regulatie van het koolhydratenmetabolisme door insuline en glucagon
De normale glucoseconcentratie in het bloed is 80 mg per 100 ml bloed
-> Komt overeen met 4,4 mM glucose
-> Afhankelijk van het dieet kan de concentratie onmiddellijk na een maaltijd stijgen tot 200mg/100ml
11 mM glucose
-> Na enkele uren is het terug op peil gebracht
-> Wordt dan min of meer constant gehouden (70-110 mg-100ml) door koolhydratenreserve aan te
spreken
Er zijn 2 organen die een constante aanvoer van glucose via de bloedbaan nodig hebben:
1. Hersenen
-> Enkel glucose en ketonlichamen kunnen de bloed-hersenbarrière doorkruisen
-> Glycogeensynthese en –opslag is verwaarloosbaar
2. Rode bloedcellen
-> Hebben geen mitochondriën
-> Energievoorziening volledig afhankelijk van anaerobe glycolyse
In rust verbruikt men 160 tot 200 gram glucose per dag
-> De hersenen gebruiken daar 120gram van (moet via het bloed)
NOOD aan constante vrij zetting van glucose in het bloed tussen de maaltijden door
-> De lever doet aan glycogeenafbraak en gluconeogenese
1. Reserve glycogeen aanspreken
-> In de lever
-> Slechts voldoende voor enkele uren
-> In de spieren veel groter maar geen glucose-6-fosfatase aanwezig
2. Gluconeogenese
-> Na 4-6 uren
-> Voornamelijk uit aminozuren, maar ook uit glycerol en lactaat
Verschillende hormonen reguleren de glucosehomeostase
-> Insuline en glucagon
-> Ook andere hormonen zoals catecholaminen en glucocorticoïden
1. INSULINE
-> Secretie van insuline w gestimuleerd in ‘well fed state’
Wanneer hoge concentratie glucose in het bloed
-> Concentratie insuline is hoog onmiddellijk na een maaltijd
(hyperglycemie)
-> Een vrij klein peptidehormoon (51 AZ)
-> Wordt door endocriene β-cellen vd pancreas gesynthetiseerd en
afgegeven aan het bloed
-> Insuline w herkend door specifieke receptoren in het membraan vn bep.
lichaamscellen
-> Activatie vn talrijke signaalwegen (eiwitkinasen,fosfatasen)
-> Sommige processen w geactiveerd terwijl andere geïnhibeerd
, 2
-> Anabool hormoon
-> gericht op verlaging van glucoseconcentratie in het bloed
-> Werkt vooral op skeletspieren, lever, vetweefsel
LEVER: Glycolyse
Gluconeogenese
Glycogeensynthese
Glycogeenafbraak
SKELET SPIER: Glucoseopname
Glycolyse
Glycogeensynthese
Glycogeenafbraak
VETWEEFSEL: Glucoseopname
Glycolyse
2. GLUCAGON
-> Tegengestelde werking dan insuline
-> Counter-regulatory hormone
-> W gesecreteerd als de bloedglucoseconcentratie laag w
-> Onmiddellijk na de maaltijd is er zeer weinig glucagon
-> Neemt geleidelijk toe na enkele uren
-> Werkt vooral op het koolhydratenmetabolisme in de lever
LEVER: Glycolyse
Gluconeogenese
Glycogeensynthese
Glycogeenafbraak
-> Een peptide bestaande uit 29 AZ
-> Wordt door de α-cellen vd pancreas gemaakt en afgegeven aan de bloedbaan
-> Werkt in op membraanreceptor van de hepatocyten
-> Reguleert koolhydratenmetabolisme via adenylaatcyclase en cAMP als second messenger
HET INTERMEDIAIR METABOLISME
THEMA 5: De metabole integratie
DEEL 14: Integratie van het metabolisme
Hoofdstuk 1: Regulatie van het koolhydratenmetabolisme door insuline en glucagon
De normale glucoseconcentratie in het bloed is 80 mg per 100 ml bloed
-> Komt overeen met 4,4 mM glucose
-> Afhankelijk van het dieet kan de concentratie onmiddellijk na een maaltijd stijgen tot 200mg/100ml
11 mM glucose
-> Na enkele uren is het terug op peil gebracht
-> Wordt dan min of meer constant gehouden (70-110 mg-100ml) door koolhydratenreserve aan te
spreken
Er zijn 2 organen die een constante aanvoer van glucose via de bloedbaan nodig hebben:
1. Hersenen
-> Enkel glucose en ketonlichamen kunnen de bloed-hersenbarrière doorkruisen
-> Glycogeensynthese en –opslag is verwaarloosbaar
2. Rode bloedcellen
-> Hebben geen mitochondriën
-> Energievoorziening volledig afhankelijk van anaerobe glycolyse
In rust verbruikt men 160 tot 200 gram glucose per dag
-> De hersenen gebruiken daar 120gram van (moet via het bloed)
NOOD aan constante vrij zetting van glucose in het bloed tussen de maaltijden door
-> De lever doet aan glycogeenafbraak en gluconeogenese
1. Reserve glycogeen aanspreken
-> In de lever
-> Slechts voldoende voor enkele uren
-> In de spieren veel groter maar geen glucose-6-fosfatase aanwezig
2. Gluconeogenese
-> Na 4-6 uren
-> Voornamelijk uit aminozuren, maar ook uit glycerol en lactaat
Verschillende hormonen reguleren de glucosehomeostase
-> Insuline en glucagon
-> Ook andere hormonen zoals catecholaminen en glucocorticoïden
1. INSULINE
-> Secretie van insuline w gestimuleerd in ‘well fed state’
Wanneer hoge concentratie glucose in het bloed
-> Concentratie insuline is hoog onmiddellijk na een maaltijd
(hyperglycemie)
-> Een vrij klein peptidehormoon (51 AZ)
-> Wordt door endocriene β-cellen vd pancreas gesynthetiseerd en
afgegeven aan het bloed
-> Insuline w herkend door specifieke receptoren in het membraan vn bep.
lichaamscellen
-> Activatie vn talrijke signaalwegen (eiwitkinasen,fosfatasen)
-> Sommige processen w geactiveerd terwijl andere geïnhibeerd
, 2
-> Anabool hormoon
-> gericht op verlaging van glucoseconcentratie in het bloed
-> Werkt vooral op skeletspieren, lever, vetweefsel
LEVER: Glycolyse
Gluconeogenese
Glycogeensynthese
Glycogeenafbraak
SKELET SPIER: Glucoseopname
Glycolyse
Glycogeensynthese
Glycogeenafbraak
VETWEEFSEL: Glucoseopname
Glycolyse
2. GLUCAGON
-> Tegengestelde werking dan insuline
-> Counter-regulatory hormone
-> W gesecreteerd als de bloedglucoseconcentratie laag w
-> Onmiddellijk na de maaltijd is er zeer weinig glucagon
-> Neemt geleidelijk toe na enkele uren
-> Werkt vooral op het koolhydratenmetabolisme in de lever
LEVER: Glycolyse
Gluconeogenese
Glycogeensynthese
Glycogeenafbraak
-> Een peptide bestaande uit 29 AZ
-> Wordt door de α-cellen vd pancreas gemaakt en afgegeven aan de bloedbaan
-> Werkt in op membraanreceptor van de hepatocyten
-> Reguleert koolhydratenmetabolisme via adenylaatcyclase en cAMP als second messenger