H10: Woordenschat HB blz. 266 - 304
Lees HB blz. 266 – 267: woordenschat in de praktijk
1.Wat is woordverwerving?
Woordverwerving = proces waar je nieuw woorden leert en nieuwe
betekenisaspecten van gekende woorden.
3 belangrijke principes
1. Labelen: ervaren taalgebruikers voegen taal toe aan een
concept, door er een etiket op te plakken. Dat etiket is da
woordvorm die bij het concept hoort.
2. Categoriseren: woorden die lln al kennen komen voor in
nieuwe contexten. Ze ontdekken wat de essentiële
eigenschappen zijn van die categorie.
3. Netwerkopbouw: lln beginnen relaties te zien tussen de
concepten in verschillende contexten --> verdiept hun
woordenschat. Alle woorden die zich in dat netwerk bevinden
= mentale lexicon
Taalleerders slaan beter meerwoordverbindingen (= 2 of meer
woorden die bij elkaar horen) op dan afzonderlijke woorden. De
woorden die lln verwerven zijn verbonden met hun kennis van de
wereld.
Passieve woordkennis = Door lezen en schrijven ontdekken lln
meer van de wereld.
Actieve woordkennis = wanneer lln die kennis over de wereld ook
zelf uitdrukken.
Lln verwerven ≠ soorten woorden binnen en buiten de
schoolcontext.
spe
cifi
eke
vak
taa SCHOOLTAAL
l CAT
algemene
vaktaal cognitief academisch
taalgebruik
algemene school- en
instructietaal
THUISTAAL
alledaagse taal DAT
Dagelijks algemeen
taalgebruik
, De plaats van de woorden in de piramide kan bepalend zij voor de
didactische aanpak.
We kunnen alledaagse taal omschrijven als:
1. Vrij eenvoudig: eenvoudige verbanden gelegd en
denkconstructies gemaakt
2. Concreet: verwijst naar alledaagse voorwerpen, handelingen
en ervaringen niet veeleisend op cognitief vlak
3. Geïntegreerd: hier-en-nu, in samenhang met duidelijke
context
Alledaagse taal is basis waarop wordt voortgebouwd om schooltaal
te verwerven.
Die delen we op in 2 categorieën:
1. Algemene school- en instructietaal: de taal die op school
wordt gebruikt in de klas. Ze komen thuis niet vaak aanbod
kinderen hebben er moeite mee.
2. Algemene en specifieke vaktaal: taal die verbonden is aan
bepaalde leergebieden en leerinhouden.
- Algemene vaktaal: woorden die veel voorkomen in
één bepaald leergebied.
- Specifieke vaktaal: zijn sterk verbonden met bepaalde
leerinhouden.
Als woorden in een bepaalde context een andere betekenis krijgen
kunnen alledaagse woorden omhoogklimmen in de piramide.
2.Waarom inzetten op woordverwerving?
Woorden zijn de bouwstenen van onze taal. Kennisverwerving en
woordenschat zijn sterk met elkaar verweven. Als lln nieuwe
woorden leren, bereiden ze automatisch hun kennis van de wereld
uit. Vooral de omvang en kwaliteit van de woordenschat is
belangrijk. De samenhang tussen woordverwerving en andere talige
vaardigheden is zeer duidelijk.
1. Een rijke woordenschat in het kleuteronderwijs is een sterke
voorspeller voor leesbegrip in het LO. Een zelfstandige lezer
moet
90% van de woorden in de tekst begrijpen om tot een goed
tekstbegrip te komen. Omgekeerd zorgt een goed begrip van
de tekst ook voor woordenschatuitbereiding.
2. Wie veel leest gaat ook beter schrijven. Terwijl lln lezen,
maken ze impliciet kennis met nieuwe woorden en
zinsstructuren.
3. Wie veel leest, hanteert een rijkere woordenschat wanneer hij
spreekt
Een rijke woordenschat is onlosmakelijk verbonden met het
vermogen om allerlei niet-talige leerinhouden en andere
Lees HB blz. 266 – 267: woordenschat in de praktijk
1.Wat is woordverwerving?
Woordverwerving = proces waar je nieuw woorden leert en nieuwe
betekenisaspecten van gekende woorden.
3 belangrijke principes
1. Labelen: ervaren taalgebruikers voegen taal toe aan een
concept, door er een etiket op te plakken. Dat etiket is da
woordvorm die bij het concept hoort.
2. Categoriseren: woorden die lln al kennen komen voor in
nieuwe contexten. Ze ontdekken wat de essentiële
eigenschappen zijn van die categorie.
3. Netwerkopbouw: lln beginnen relaties te zien tussen de
concepten in verschillende contexten --> verdiept hun
woordenschat. Alle woorden die zich in dat netwerk bevinden
= mentale lexicon
Taalleerders slaan beter meerwoordverbindingen (= 2 of meer
woorden die bij elkaar horen) op dan afzonderlijke woorden. De
woorden die lln verwerven zijn verbonden met hun kennis van de
wereld.
Passieve woordkennis = Door lezen en schrijven ontdekken lln
meer van de wereld.
Actieve woordkennis = wanneer lln die kennis over de wereld ook
zelf uitdrukken.
Lln verwerven ≠ soorten woorden binnen en buiten de
schoolcontext.
spe
cifi
eke
vak
taa SCHOOLTAAL
l CAT
algemene
vaktaal cognitief academisch
taalgebruik
algemene school- en
instructietaal
THUISTAAL
alledaagse taal DAT
Dagelijks algemeen
taalgebruik
, De plaats van de woorden in de piramide kan bepalend zij voor de
didactische aanpak.
We kunnen alledaagse taal omschrijven als:
1. Vrij eenvoudig: eenvoudige verbanden gelegd en
denkconstructies gemaakt
2. Concreet: verwijst naar alledaagse voorwerpen, handelingen
en ervaringen niet veeleisend op cognitief vlak
3. Geïntegreerd: hier-en-nu, in samenhang met duidelijke
context
Alledaagse taal is basis waarop wordt voortgebouwd om schooltaal
te verwerven.
Die delen we op in 2 categorieën:
1. Algemene school- en instructietaal: de taal die op school
wordt gebruikt in de klas. Ze komen thuis niet vaak aanbod
kinderen hebben er moeite mee.
2. Algemene en specifieke vaktaal: taal die verbonden is aan
bepaalde leergebieden en leerinhouden.
- Algemene vaktaal: woorden die veel voorkomen in
één bepaald leergebied.
- Specifieke vaktaal: zijn sterk verbonden met bepaalde
leerinhouden.
Als woorden in een bepaalde context een andere betekenis krijgen
kunnen alledaagse woorden omhoogklimmen in de piramide.
2.Waarom inzetten op woordverwerving?
Woorden zijn de bouwstenen van onze taal. Kennisverwerving en
woordenschat zijn sterk met elkaar verweven. Als lln nieuwe
woorden leren, bereiden ze automatisch hun kennis van de wereld
uit. Vooral de omvang en kwaliteit van de woordenschat is
belangrijk. De samenhang tussen woordverwerving en andere talige
vaardigheden is zeer duidelijk.
1. Een rijke woordenschat in het kleuteronderwijs is een sterke
voorspeller voor leesbegrip in het LO. Een zelfstandige lezer
moet
90% van de woorden in de tekst begrijpen om tot een goed
tekstbegrip te komen. Omgekeerd zorgt een goed begrip van
de tekst ook voor woordenschatuitbereiding.
2. Wie veel leest gaat ook beter schrijven. Terwijl lln lezen,
maken ze impliciet kennis met nieuwe woorden en
zinsstructuren.
3. Wie veel leest, hanteert een rijkere woordenschat wanneer hij
spreekt
Een rijke woordenschat is onlosmakelijk verbonden met het
vermogen om allerlei niet-talige leerinhouden en andere