diabetesinterventie
- Lees aandachtig de beschrijving van het onderzoek diabetes 2010
- Open de datafile “data bestand diabetes 2010” in SPSS en kijk of je begrijpt wat
elke variabele betekent
- Check of er geen intypfouten zijn Frequencies laten lopen en geen missing values
of intypfouten gevonden.
- Los vervolgens volgende vragen op met SPSS adhv de technieken die in de
voorbije lessen gezien werden. Geef een duidelijk antwoord op de vraag en alle
gegevens die nodig zijn om de vraag te beantwoorden (gemiddelden, %, F, t, ….,
p-waarden, grafiek enz). Vergeet ook niet alles in woorden te interpreteren.
Vooraleer bepaalde onderzoeksvragen kunnen beantwoord worden, is het
noodzakelijk om nieuwe variabelen aan te maken voor fysiek en psychologisch
zelfbeeld en motivatie door de items voor elke variabele op te tellen (en dit eventueel
voor de premeting, postmeting en/of retentiemeting).
Met compute variable gedaan. Dit duurde lang omdat ik alles handmatig moest
selecteren en optellen met de functie ‘SUM’.
1. Is er een verschil tussen de 3 groepen (probleem oplossende interventie,
directe instructiemethode en controlegroep) wat betreft gezondheidstoestand
bij de premeting?
1 kwant var (gezondheid pre) en 1 kwalit var (met 3 niveaus) one
way anova
H0: µ1=µ2=µ3
Ha: er is minstens 1 verschil tussen de 3 µ’s
Alfa=0.05
Descriptives:
Probleem-oplossend X=1.9167 +/- 0.7755
Directe instructie X=2.2917 +/- 0.75060
Controle X=2.9583 +/- 0.95458
, Resultaten:
Lev F=0.384 en p=0.682 niet significant want groter dan 0.01
varianties zijn voldoende gelijk dus ok
Anova F=9.654 en p=0.000 significant dus H0 verwerpen en Ha
aanvaarden.
Significant verschil tussen Probleem-oplossend en controle. Significant
verschil tussen Directe instructie en controle.
Conclusie:
Door de gemiddeldes weten we dat de controle groep beter scoorde
dan zowel de probleem-oplossende als de directe instructie groep op
de premeting van gezondheid. In andere woorden wilt dit zeggen dat
de controlegroep bij de premeting telkens een betere
gezondheidstoestand heeft dan de andere twee condities.
2. Is er een verband tussen de gezondheidstoestand, het fysiek en het
psychologisch zelfbeeld bij de premeting?
Verband tussen 3 kwantitatieve variabelen Pearson R
H0: er is geen verband tussen de 3
Ha: er is een verband tussen de 3
Alfa=0.05
Xfys=18.14 +/- 3.46
Xpsych=64.22 +/- 10.50
Xgez=2.39 +/- 0.927
, Grafieken:
enkel de derde grafiek vertoont een lineair verband
Resultaten:
Fysischzelfbeeld-Psychischzelfbeeld: R=0.775 en p=0.000
significant want <0.01 H0 verwerpen en Ha aanvaarden.
Conclusie:
Bij de premeting is er enkel een significant verband tussen fysiek
zelfbeeld en psychologisch zelfbeeld (p<0.001). Dit is een heel sterke
positieve relatie (r=0.775); hoe hoger het fysieke zelfbeeld, hoe hoger
het psychologisch zelfbeeld.
3. Is er een verschil in fysiek zelfbeeld op de posttest naargelang geslacht? Is dit
geslachtsverschil afhankelijk van leeftijd? Onderzoek dit adhv 1 analyse (met
eventuele nodige post-hoc analyses)
1 kwant (fys) en 2 kwalit (geslacht, leeftijd) 2way Anova
Alfa=0.05
H0 geslacht: µj=µm
H0 leeftijd: µgr1=µgr2
H0 geslacht*leeftijd: er is geen interactie effect
Ha geslacht: μj ≠ μm
Ha leeftijd: μgr1 ≠ μgr2
Ha geslacht*leeftijd: er is een interactie effect
Grafiek en gemiddeldes: