HOOFDSTUK 6B: GEWRICHTEN
TERMINOLOGIE
Waar 2 beenderen tegen elkaar liggen bestaat er een botverbinding of
articulatie (ook junctuur genoemd)
• De structuur van deze verbinding bepaalt het type beweeglijkheid
dat kan plaatsvinden.
• Compromis tussen behoefte aan stevigheid/stabiliteit en
behoefte aan beweeglijkheid.
• Vb. schedelnaden van volwassenen: mogen niet
bewegen
• Vb. schoudergewricht: uitgebreide beweging-
mogelijkheden, beperkt door omringende spieren
INDELING
Indeling van botverbindingen kan a.d.h.v. 2 criteria:
• Anatomische bouw/structuur (soort weefsel)
o Fibreuze junctuur = bindweefsel-verbinding
o Kraakbenige junctuur = kraakbeen-verbinding
o Synoviale junctuur = échte, synoviaal gewricht:
– G-holte, G-kraakbeen op G-oppervlakken, G-kapsel
• Mate van beweging die ze toelaten:
o syn-artrose = géén beweging; onbeweeglijk gewricht
o amfi-artrose = zeer beperkte beweging
o di-artrose = vrije beweeglijkheid
SYNOVIALE GEWRICHTEN (DIARTROSEN)
• 3 basiscomponenten:
– G-oppervlakken op epifysen bedekt met
gewrichtskraakbeen
1
, – G-holte: met synoviaal vlies en gewrichtsvloeistof
(synoviaal vocht)
– Omhuld door gewrichtskapsel
– Andere optionele gewrichtsstructuren zijn o.a.:
• Menisci
• Bursae
• Vetkussentjes
• Gewrichtsbanden of ligamenten
• Intra-articulaire pezen of ligamenten
BASISSCHETS: DI-ARTROSE: SYNOVIAAL GEWRICHT
KENMERKEN
gewrichtsoppervlakken
• Gedeelten van 2 beenstukken die contact maken:
- zijn bedekt met hyalien kraakbeen:
– Absorptie van schokken, geen bevloeiing
- convex G- oppervlak = G-kop
- concaaf G- oppervlak = G-kom of G-pan
Gewrichtskapsel
Loopt door in beenvliezen tussen de 2 articulerende botstukken
= fibreus membraan
– stevig bindweefsel: bescherming van gewricht
– Voldoende los voor bewegingsvrijheid
Synoviaal membraan: productie van synovia of gewrichtssmeer
2
TERMINOLOGIE
Waar 2 beenderen tegen elkaar liggen bestaat er een botverbinding of
articulatie (ook junctuur genoemd)
• De structuur van deze verbinding bepaalt het type beweeglijkheid
dat kan plaatsvinden.
• Compromis tussen behoefte aan stevigheid/stabiliteit en
behoefte aan beweeglijkheid.
• Vb. schedelnaden van volwassenen: mogen niet
bewegen
• Vb. schoudergewricht: uitgebreide beweging-
mogelijkheden, beperkt door omringende spieren
INDELING
Indeling van botverbindingen kan a.d.h.v. 2 criteria:
• Anatomische bouw/structuur (soort weefsel)
o Fibreuze junctuur = bindweefsel-verbinding
o Kraakbenige junctuur = kraakbeen-verbinding
o Synoviale junctuur = échte, synoviaal gewricht:
– G-holte, G-kraakbeen op G-oppervlakken, G-kapsel
• Mate van beweging die ze toelaten:
o syn-artrose = géén beweging; onbeweeglijk gewricht
o amfi-artrose = zeer beperkte beweging
o di-artrose = vrije beweeglijkheid
SYNOVIALE GEWRICHTEN (DIARTROSEN)
• 3 basiscomponenten:
– G-oppervlakken op epifysen bedekt met
gewrichtskraakbeen
1
, – G-holte: met synoviaal vlies en gewrichtsvloeistof
(synoviaal vocht)
– Omhuld door gewrichtskapsel
– Andere optionele gewrichtsstructuren zijn o.a.:
• Menisci
• Bursae
• Vetkussentjes
• Gewrichtsbanden of ligamenten
• Intra-articulaire pezen of ligamenten
BASISSCHETS: DI-ARTROSE: SYNOVIAAL GEWRICHT
KENMERKEN
gewrichtsoppervlakken
• Gedeelten van 2 beenstukken die contact maken:
- zijn bedekt met hyalien kraakbeen:
– Absorptie van schokken, geen bevloeiing
- convex G- oppervlak = G-kop
- concaaf G- oppervlak = G-kom of G-pan
Gewrichtskapsel
Loopt door in beenvliezen tussen de 2 articulerende botstukken
= fibreus membraan
– stevig bindweefsel: bescherming van gewricht
– Voldoende los voor bewegingsvrijheid
Synoviaal membraan: productie van synovia of gewrichtssmeer
2